No. 40 Een Brabander met een boekenziel


Het was de week voor Pasen, maar in De Lege Knip hing al een ander soort verwachting in de lucht. Jannus en Trees hadden affiches opgehangen in het dorp: Literaire Avond – Donderdag 20.00 uur – Peer vertelt over vergeten Brabantse schrijvers. En dat was geen loze belofte.

De stoelen stonden in een kring, de thermoskannen waren gevuld, en op de leestafel lag een boek met een vergeelde kaft: De dood van Koos Kluivers. Peer had het met zorg klaargelegd. “Van Walter Breeveld,” zei hij, “een schrijver die je niet in de canon vindt, maar wel in de harten van wie hem ooit lazen.”

Hij keek de kring rond. “Walter Breeveld was eigenlijk Piet van den Bogaert. Geboren in ’s-Hertogenbosch in 1901, zoon van een koekbakker. Hij werkte jarenlang als personeelschef bij Vroom & Dreesmann in Tilburg, maar zijn echte roeping was schrijven. En dat deed hij — meer dan dertig romans, honderden verhalen, essays, portretten van Brabantse kunstenaars. Zijn pen was onvermoeibaar.”

Trees liep langs met een stapel boeken, waaronder eentje met een vergeelde rug waarop te lezen viel: De dood van Koos Kluivers. Peer had het met zorg klaargelegd. “Wie Walter Breeveld kent,” zei hij, “weet dat dit geen thriller is — het is een dorp in boekvorm.”

Hij stond voor de groep als een dorpsgids in taalgebied. “Walter Breeveld,” begon Peer, “was niet van de literaire elite, maar van de klompenwoorden. Zijn zinnen roken naar mest en middagmaal. Hij schreef voor mensen die op zaterdag de radio zachter zetten bij het weerbericht om beter te kunnen luisteren.”

Jannus zat vooraan, pen in de aanslag, alsof er examens zouden volgen.

Peer vertelde hoe Breeveld in de jaren zestig debuteerde met Een erf vol echo’s. Geen bestseller, maar een boek dat via garages, sigarenwinkels en dorpsruilavonden de harten in kroegen bereikte. En dat was precies waar Koos Kluivers thuishoorde — het verhaal van een man die werd opgegeten door zijn herinneringen aan een moeder die dreef op venkelsoep en spijt.

Trees las een stuk voor, op verzoek van Peer:

De Dag Die Niet Opviel

Het was een dinsdag in november, vlak na Allerzielen. In het Brabantse dorp Meerhove deed de mist waar ze goed in was: verdwijnen wat ertoe deed. Niemand zag het echt gebeuren. Koos Kluvers wandelde zijn vaste route, voorbij de houthandel, over de grintweg langs het kanaal. Zijn leren jas was dichtgeknoopt, de pet stevig op zijn hoofd gedrukt. Hij groette de kraai die altijd op paal nummer 9 zat — alsof het een oude kennis was.

Op de hoek van de Beukenlaan bleef hij stilstaan. Niet omdat hij iets zag, maar omdat hij iets voelde. Geen pijn, maar een vertraging. Alsof zijn hart niet wist of het nog verder wilde. Hij zakte niet dramatisch ineen, hij viel niet. Hij ging gewoon zitten. En ademde uit.

Toen de postbode hem vond, zat hij er nog. Alsof hij over de mist zat na te denken.

Koos’ begrafenis werd klein gehouden, zoals hij het gewild had. Geen bloemen, geen toespraken. De pastoor sprak een kort gebed en noemde hem “een man van vaste gewoonten, die de wereld geen kwaad deed”. Zijn vrouw, Netje, hield zijn pet in haar schoot en knikte bij elk woord.

Wat niemand zei, maar iedereen dacht: Koos was er nog.
In het houten bankje dat kraakte onder zijn gewicht.
In de geur van koffie om half negen.
In de sleutel die altijd net iets te hard klikte in het schuurtje.

Netje waste die dag zijn pyjama en hing hem aan de lijn, zoals altijd. Ze keek hoe het katoen bewoog in de wind. “Hij rookt naar hem,” fluisterde ze.

In de dagen die volgden, gebeurde er iets vreemds in Meerhove. Dingen klopten, maar dan net niet. Bij de bakker miste er altijd één brood. De klok in de kerk bleef even hangen op 11:12 — het uur van zijn dood. In de tuin bloeide de rozenstruik van Koos opnieuw, midden in de novemberkou.

De kinderen liepen zijn oude wandelpad na, zonder te weten waarom.

In het café zei Giel, de uitbater: “Alsof z’n stilte nog in de lucht hangt, begrijpt ge?”
Peer, de voormalige schoolmeester, antwoordde: “Het leven is geen deur die dichtvalt. Soms blijft ze op een kier staan.”

Ze deed geen dramatische dingen. Geen zwarte sluiers of lange brieven. Ze las zijn boekenkast nog eens door. Vooral dat ene boek van Walter Breedveld dat Koos zo bewonderde: Hexspoor. Ze las over oude mannen die worstelden met nieuwe liefde, over rechtvaardigheid en verstilde woede. “Gij had ook zo’n hoofdpersonage kunnen zijn,” zei ze hardop.

’s Avonds legde ze zijn sokken klaar, uit gewoonte. ’s Morgens maakte ze één snee brood met reuzel. Ze at hem niet op.

Er ging een geroezemoes door de ruimte. Syl fluisterde: “Da’s meer dan literatuur. Da’s herkenning.”

Peer haalde nog een vergeten boek tevoorschijn: Maria tussen de maïs. “Nooit uitgegeven,” zei hij, “maar wel bewaard door een tante van Walter. Het manuscript is vettig van de jaren, maar het is goud.”

syl stelde de vraag die iedereen stil in zich had gedragen: “Waarom kennen we hem dan niet? Hij hoort bij ons.”

Peer knikte. “Omdat hij schreef zoals dorpsmensen leven: zonder schreeuw. Zijn boeken zijn geen pamfletten, maar fluisterende herinneringen.”

Tegen het eind van de avond zette Trees een mand neer met kopieën van titels uit Breevelds oeuvre — gelezen, vergeten, herontdekt. En Jannus plakte een bordje aan de boekenkast:

Walter Breeveld – schrijver van stille revoluties en zachte afrekeningen.

Bij het afscheid fluisterde Peer: “Als je één keer Koos Kluivers hebt gelezen, snap je dat sommige Brabanders sterven met een zin in hun mond. Niet om te spreken, maar om te bewaren.”


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reactie op “No. 40 Een Brabander met een boekenziel”

  1. bertjens Avatar

    Je kent de namen… 🙂

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie op bertjens Reactie annuleren

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder