
Het was een frisse zaterdagochtend in november. Binnen in De Lege Knip waren Ada en Alijda druk in de weer met hun wekelijkse taak: het dweilen van de vloeren. De plavuizen vloer in de hal van het oude schoolgebouw glansde na afloop alsof er een dun laagje ijs overheen lag — gelukkig zonder de gladheid.
Aan het eind van die lange hal bevond zich één deur die al vanaf het begin van De Lege Knip altijd op slot had gezeten. Die deur was voor Ada en Alijda een bron van eindeloze nieuwsgierigheid. Wat zou er achter zitten? In de loop der tijd hadden ze de wildste theorieën bedacht: een vergeten klaslokaal vol oude boeken, een opslag vol mysterieuze objecten, of misschien wel een ruimte die al decennia door niemand betreden was.
Elke zaterdag weer namen ze zich voor om Jannus ernaar te vragen, maar op de een of andere manier kwam het er nooit van.
Tot vandaag.
Na het dweilen ploften ze neer aan de leestafel, elk met een glas cola. Aan de overkant zaten Jannus en Trees rustig te praten. Ada wachtte een stil moment af en vroeg toen:
“Jannus, wij hebben een nieuwsgierige vraag. Al heel lang willen we weten: wat zit er eigenlijk achter die laatste deur in de hal? Volgens ons is dat de enige deur in het hele gebouw die op slot zit.”
Jannus keek even naar Trees, die hem met een klein glimlachje aankeek, en antwoordde:
“Er moet ergens een sleutel zijn, maar waar… dat weet ik zo een-twee-drie niet.”
Het enige dat hij wél wist, was dat er vanaf de hal geen andere deuren naar een bovenverdieping liepen.
“Ik weet alleen dat er geen lokalen boven zijn,” zei hij nadenkend. “Maar er moet toch ergens een manier zijn om op een soort zolder te komen.”
Ada boog zich naar voren.
“En als we die sleutel nou eens proberen te vinden? Gewoon vandaag, nu we er toch zijn.”
Trees lachte zachtjes.
“Nou, ik ben benieuwd hoelang jullie zoeken voordat jullie hem vinden.”
Tien minuten later stonden ze met z’n vieren bij een oude ladekast achter in de opslagruimte. Daarin lagen sleutels in alle soorten en maten — sommige roestig, andere met vergeelde labeltjes die nauwelijks meer te lezen waren. Na vijf vergeefse pogingen klikte er ineens een slot.
De deur kraakte langzaam open. Een golf van koude, stoffige lucht kwam hen tegemoet. Voor hen lag een smalle houten trap, die omhoog leidde in het halfduister.
Boven, in het schemerlicht, ontvouwde zich een ruimte die niemand meer had verwacht: een vergeten zolder, maar geen rommelige, open ruimte zoals ze zich hadden voorgesteld. In plaats daarvan liep er, over de volle lengte van het gebouw, een smalle gang. Aan weerszijden stonden oude schoolbanken en kapotte stoelen tegen de muur geschoven, alsof ze ooit in haast waren weggezet.
Langs die gang lagen vier deuren. Tot hun verbazing zaten die dit keer niet op slot. Eén voor één duwden ze ze open.
Wanneer Jannus de eerste deur openduwt, stroomt er een zachte waas van licht naar binnen door een smalle dakkapel. Het licht vangt op in dikke slierten spinnenweb, die als een geheimzinnig gordijn in de ruimte hangen.
Aleida deinst een stap achteruit.
“Volgens mij spookt het hier,” zegt ze met een nerveus lachje. “Hier zou ik ’s avonds niet alleen willen zijn.”
Jannus knippert even tegen het schemerlicht in, maar zijn ogen worden groot.
“Verdorie… kijk daar eens!”
In de hoek staat een oud eikenhouten cilinderbureau, het hout donker en glanzend van ouderdom.
“De klep is niet plat maar bol,” legt hij uit terwijl hij er met bijna plechtige stappen naartoe loopt. “Daarom heet zo’n bureau ook wel een trommelbureau.”
Met een glimlach trekt hij aan het schrijfblad; soepel schuift het naar voren en rolt de houten klep naar achteren alsof het meubel zijn geheimen prijsgeeft.
“Binnenin zitten laatjes, en dat middendeurtje—” hij wijst ernaar, “—is óók een rolklepje. Daarachter zit nog een verborgen laatje. Iedere keer weer een klein feest om zoiets open te maken.”
Ada kijkt met grote ogen naar het oude meubel.
“Goh, ik heb zoiets nog nooit gezien. Dit moet wel voor mijn tijd zijn geweest.”
Jannus glimlacht trots.
“Ja, dit is vakwerk van vroeger. Ze maken ze zo niet meer.”
Trees pakt een oude, stoffige doek die over een kist hing en begint voorzichtig het bureau af te stoffen. Het stof kringelt op in het licht van de dakkapel en nestelt zich weer in de hoeken, maar toch krijgt het donkere eikenhout langzaam zijn glans terug.
In de schemer van de andere hoek ziet Aleida iets opdoemen.
“Hé… daar hoort vast de stoel bij,” zegt ze terwijl ze naar een silhouet wijst.
Ze loopt erheen en trekt een zware, antieke eikenhouten draaistoel met leren bekleding naar het bureau. Het leer kraakt zacht wanneer ze hem verplaatst. In het bleke licht lijkt het alsof het bureau en de stoel na al die jaren elkaar eindelijk weer gevonden hebben.
Trees, nog steeds met de stoffige doek in de hand, begint meteen over de leren rugleuning te wrijven.
“Wat een prachtige, écht antieke set is dit, Jannus.”
Jannus kan zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Nog voordat iemand het doorheeft, schuift hij de stoel naar achteren, gaat zitten en legt zijn handen op het blad alsof hij er altijd al heeft gezeten.
“Kunnen jullie je voorstellen,” zegt hij zacht, “hoeveel mensen hier al hebben gezeten? Hoeveel verhalen en brieven hier zijn geschreven? Zóveel, dat de meesten van hen allang niet meer onder ons zijn… zo oud is deze set.”
Er valt even een stilte, waarin alleen het zachte tikken van iets dat op het dak valt te horen is. Het lijkt alsof de oude meubelset hun allemaal een blik gunt op een tijd die voorgoed voorbij is, maar in deze kamer nog even voortleeft.
Langs de muur staan stapels dozen, zo bedekt met stof en spinnenwebben dat niemand zin heeft ze meteen aan te pakken. Het is alsof ze al decennia wachten op iemand die hun geheimen wil ontdekken. In de schemer duikt nog iets op: een statige, gedraaide staande kapstok. Aan één van de haken hangt een uniformjasje, vaalgrijs van kleur door het stof, maar als Trees er met de stofdoek overheen wrijft, blijkt het ooit lichtblauw te zijn geweest.
“Dat stof heeft er z’n eigen camouflage van gemaakt,” grapt Jannus, terwijl hij er met één vinger langsgaat en meteen een wolk losmaakt.
Aleida trekt een gezicht. “Volgens mij zitten hier hele stofnesten van voor de oorlog. Ik durf die dozen nu niet eens open te maken.”
Trees kijkt rond, neemt de hele ruimte nog eens op, en besluit: “Weet je wat, dit wordt werk voor volgende week. Eerst een stofzuiger, een paar stevige mondkapjes, en dan pas gaan we kijken wat er in zit.”
Jannus knikt. “En handschoenen. Want met dit soort vondsten weet je nooit of je een oude schoolagenda tegenkomt of… de sleutel tot nóg een vergeten deur.”
Ze sluiten de deur voorzichtig weer, alsof ze een slapende kamer niet willen wekken, en vervolgen hun weg naar de tweede kamer. Zodra Jannus de deur opendoet, worden ze opnieuw begroet door slierten spinrag, die als dunne gordijnen in de opening hangen. Het lijkt bijna alsof ze door een grijs, kleverig bos moeten stappen.
Het licht dat naar binnen valt, wordt hier gebroken door een vitrage die ooit wit moet zijn geweest, maar nu verkleurd en vuil is, waardoor alles in de kamer in een vale schemer gehuld blijft. Wat er precies staat, is moeilijk te onderscheiden.
Jannus, altijd op zoek naar een manier om het zicht te verbeteren, ziet een lichtknopje aan het deurkozijn. “Even proberen,” mompelt hij. Hij drukt het knopje in.
Met een korte plof en een fel opflitsen van het plafondlicht, dooft het meteen weer uit. Een lichte brandlucht hangt even in de lucht.
“Da’s kortsluiting,” zegt Jannus droog. “En dat is weer te herstellen… maar niet vandaag.”
Trees schudt haar hoofd. “Dan blijft deze kamer nog even een mysterie.”
“Precies,” knikt Jannus. “En nu op naar de derde ruimte.”
gevuld met kringloopspullen die ooit waren gedoneerd maar nooit in de winkel waren beland: een stapel oude koffers, een kinderfiets met houten velgen, dozen vol zwart-witfoto’s.
De derde ruimte was al net zo’n stofnest als de vorige, maar hier viel het licht veel ruimer naar binnen. Het kwam door een hoge dakkapel waarvan het glas nog verrassend helder was, zodat de zon haar stralen ongehinderd op het oude meubilair wierp.
In het midden stond een tafel die duidelijk dienst had gedaan als bureau. Daarachter een wankele bureaustoel, waarvan de zitting scheef hing alsof er ooit een zware schrijver op had gezeten. Bovenop het bureau stond een antieke typemachine, keurig afgedekt met een stoffen hoes.
Ada kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en trok de hoes eraf. Een wolk stof explodeerde in de lucht en danste door de zonnestralen.
“Nee joh, niet zo wild!” riep Trees lachend maar ook een beetje hoestend. “Moet je kijken wat je aanricht!”
Jannus liet zich niet afschrikken. Hij zakte op zijn knieën voor het bureau, streek met zijn hand over de metalen toetsen en zei zacht, bijna eerbiedig:
“Een oude Adler Standard… en kijk, hier, hij is vervaardigd in 1938.”
Trees kwam naast hem staan, haar ogen glinsterden van nieuwsgierigheid. “Prachtig ding… en hij lijkt nog compleet.” Maar haar blik dwaalde al door de kamer, op zoek naar meer. Dan viel haar oog op een klein draaiknopje tegen de muur, net boven plintniveau.
‘Zal ik?’ dacht ze, en zonder het verder te overleggen draaide ze eraan.
Een scherp klik-geluid, en daar begon hoog boven het bureau, in een verweerde muurlamp, een oude gloeiparel te gloeien. Eerst zwak, als een wakker wordend oog, en toen warmer en voller, waardoor de Adler op het bureau glom alsof hij net gepoetst was.
Jannus keek ernaar en mompelde: “Weet je… op zo’n ding zijn waarschijnlijk verhalen getypt die we nooit meer zullen kennen.”
“Het zullen wel rapporten zijn geweest voor de administratie van de leerlingen,” merkte Trees op, terwijl ze met haar hand langs de rand van het bureau streek. “Maar dat zal een stuk minder zijn geweest dan wat er tegenwoordig allemaal bijgehouden moet worden.”
Haar blik viel op een wandkast, waar een stelling vol stond met boeken en hangmappen. In sommige mappen staken brieven in vergeelde enveloppen, alsof ze al decennia lang op antwoord wachtten.
Op een andere plank stond een houten kistje met een klein messing slotje erop. Het had de matte glans van iets dat jarenlang onaangeroerd was gebleven.
“Dit moet een vergeten kantoortje van een leraar zijn geweest,” vermoedde Jannus, terwijl hij er met een vinger op een afgesloten houten kist tegen tikte.
Trees knikte langzaam. “Het lijkt erop dat we hier de komende tijd nog heel wat werk aan hebben.”
Aleida keek naar de dansende stofdeeltjes in het zonlicht en trok haar neus op.
“Maar ook hier,” vervolgde Trees, terwijl ze de deur alvast in haar hand nam, “doen we vandaag even helemaal niets meer.”
En zo lieten ze ook deze kamer achter zoals ze haar hadden gevonden: vol verhalen, maar nog gesloten voor nieuwsgierige handen.
Alleen, stevig dichtgespijkerd, stond in het midden.
De vierde en laatste ruimte bleek niet op slot, maar ook niet zomaar open te drukken.
“Verdómme,” bromde Jannus, terwijl hij zich met zijn schouder tegen het hout zette. De deur gaf een beetje mee, maar niet genoeg. “Er zit beweging in… het is alsof er iets achter staat,” zei hij, met een frons.
“Dat kan toch niet,” reageerde Trees, terwijl ze haar handen in haar zij zette.
Met z’n drieën zetten ze schrap tegen het paneel. Eerst langzaam, alsof de deur elk stukje ruimte met tegenzin prijsgaf. Dan weer een duw, en nog één. Na tien minuten zweten en kreunen was de opening breed genoeg om erdoorheen te glippen.
“Oh nee, Jannus… moet je dit zien. Dit is niet te geloven,” riep Trees, haar stem een mengeling van verbazing en afkeer.
Toen Jannus binnenkwam, zag hij het ook. “Hier komt zo te zien regelmatig iemand over de vloer… maar hoe?”
Ze liepen naar het raam, waar Jannus een vergrendeling ontdekte. “Met deze pin kan hij van buiten open en dicht,” constateerde hij.
Trees snoof. “Dan hebben we dus iemand die de bovenverdieping van de Lege Knip als hotel gebruikt. Maar hij eet hier blijkbaar niet.”
In de hoek van de kamer lag een half opgeblazen luchtbed. Jannus keek ernaar, zijn wenkbrauwen hoog. “En hier wordt blijkbaar ook niet voor betaald. Kijk—” hij wees naar een klein fonteintje in de hoek, “—zelfs stromend water. Je kunt er drinken, je kunt je wassen…”
Ada en Aleida keken elkaar aan, duidelijk ongemakkelijk.
“Wat hebben we in vredesnaam losgemaakt, vanmorgen?” fluisterde Aleida.
“Dit is in ieder geval helder,” zei Trees, terwijl ze het stofvrije tapijt bekeek.
“Maar zo durf ik niet meer alleen naar de zolder om die andere kamers op te ruimen..”was Ada haar reactie. “Geen denken aan”
“Laten we de boel maar zo laten als het nu is,” zei Jannus, terwijl hij nog eens naar het raam keek. “Alleen… ik weet niet of we dat van binnen moeten afsluiten. Ik twijfel wat nu het beste is, wat we moeten doen.”
Trees knikte langzaam. “Ik denk dat we dit toch aan de politie moeten laten weten. En het liefst vandaag nog. Als er vanavond weer iemand binnenkomt, wekt dat meteen argwaan. We moeten hen vóór zijn.”
Ada schoof ongemakkelijk met haar voet over de vloer. “Dan is het wel meteen einde ‘hotel Lege Knip’… maar eerlijk, ik wil hier ook niet ’s avonds alleen rondlopen.”
Aleida keek naar het luchtbed, alsof het elk moment tot leven kon komen. “Dan gaan we straks naar beneden en bellen we. Hoe eerder, hoe beter.”
Wanneer ze weer beneden zijn, pakt Jannus meteen de telefoon. “Politie, goedemiddag… Ja, u spreekt met Jannus van der Leegte, van De Lege Knip… We hebben hier iets vreemds op zolder ontdekt.”
Hij legt rustig maar duidelijk uit wat ze boven hebben aangetroffen: het luchtbed, het fonteintje, en het raam dat van buitenaf open kan.
Een half uur later stappen er twee agenten binnen. De eerste, een lange vrouw met een serieuze blik, stelt zich voor als brigadier Van den Berg. Haar collega, een wat jongere agent, knikt vriendelijk naar Trees, Ada en Aleida.
“Goed, laat ons maar zien waar het is,” zegt Van den Berg.
Ze lopen naar buiten en inspecteren de achterkant van het gebouw. De jonge agent wijst. “Kijk, daar… via dat kleine hokje kom je op het platte dak. En daar hangt nog een touwladder naar de dakkapel. Dat is een slim, maar illegaal trucje.”
“Dus hij of zij klimt gewoon zo naar binnen,” concludeert Trees.
“Precies,” zegt Van den Berg. “We gaan hier een paar dagen op letten. Geen zorgen, we doen dat onopvallend.”
Diezelfde avond wordt de achterkant in de gaten gehouden. De volgende dag, zondag, gebeurt er niets. Maandag tegen het einde van de middag, als Jannus net de koffiemachine wil aanzetten, klinkt de stem van Van den Berg door de portofoon van haar collega: “Hij is er. Jongeman, begin twintig. Klimt via het hokje naar de dakkapel.”
Ze laten hem rustig naar binnen gaan. “Nog even wachten,” fluistert de jonge agent. “Kijken wat ’ie doet.”
En inderdaad: niet lang daarna verschijnt hij weer in het raamkozijn. Hij aarzelt, kijkt rond alsof er iets niet klopt, en klimt terug naar buiten.
Op het moment dat zijn voeten de grond raken, stapt Van den Berg naar voren. “Politie. Blijf staan.”
De jongen bevriest. “Eh… het is niet wat jullie denken,” stamelt hij.
“Dat gaan we straks horen,” zegt de jonge agent terwijl hij hem boeit. “Maar eerst gaan we een praatje maken op het bureau.”
Trees kijkt naar Jannus. “Nou, dat is dan ook weer opgelost.”
Jannus knikt, maar zijn ogen blijven even naar de dakkapel gericht. “Voor nu, ja…”
“Voor deze week moeten we maar een programma maken,” zei Trees, terwijl ze haar notitieboekje dichtklapte. “En de politie zal vast nog wel langskomen voor het proces-verbaal.”
Jannus staarde even voor zich uit, zijn handen losjes om een koffiekop gevouwen. “Hoe is het toch mogelijk,” begon hij langzaam, “dat een jongen van amper in de twintig al dakloos is? Ik weet wat het is om zonder dak boven je hoofd te leven… ik heb het zelf meegemaakt. Maar zo jong al… dat gaat me niet uit mijn hoofd.”
Trees keek hem aan. “Misschien is hij hier al vaker geweest, in De Lege Knip. Zonder dat wij het wisten.”
Ada, die tot dan toe had gezwegen, trok haar wenkbrauwen op. “Dat zou best kunnen. Hij wist tenslotte precies waar hij moest zijn.”
Er vielen een paar tellen stilte. Buiten waaide de wind langs het oude schoolgebouw, het kozijn kraakte zacht.
“Er zijn nog vragen te over,” zei Trees tenslotte. “Maar één ding is duidelijk: dit verhaal is nog niet af.”
Geef een reactie op ymarleen Reactie annuleren