No. 61 Verdwaald & Gevonden


De dag na de arrestatie van de indringer stapten twee agenten de Lege Knip binnen. Trees leidde hen naar de leestafel, waar Jannus al zat te wachten. Eén van de agenten haalde een blocnote tevoorschijn, legde hem neer en begon de vragen te stellen.

“Dus,” zei hij, terwijl zijn pen krassend over het papier gleed, “u hebt geconstateerd dat het raam niet openstond maar aan de buitenkant met een spie was gesloten?”

Trees knikte. “Ja, precies. Het leek alsof hij zich zo toegang had verschaft. Wij hebben er niets aan veranderd.”

De tweede agent keek kort op en noteerde mee. Jannus antwoordde rustig op de vervolgvragen, maar zijn gedachten dwaalden af. Plotseling vroeg hij: “Mag ik iets weten… hoe gaat het eigenlijk met die jongen? Ik vind het verbazingwekkend dat iemand van amper 21 jaar nu al thuisloos is.”

De agenten wisselden een blik. Uiteindelijk zei de oudste: “Hij is geen onbekende. Al in zijn puberteit liep het mis: ruzies thuis, meerdere keren van school gestuurd. Hij zwierf een tijd langs vrienden, maar dat hield niet stand. Geen inkomen, geen steun. En dan glijd je langzaam weg.”

Trees liet haar hand rusten op de tafel. “Zo jong nog… en al nergens meer thuis. En als er bij de politie melding wordt gedaan van zo’n geval,” zei ze zacht, “wat gebeurt er dan met zo iemand? Wordt hij dan zomaar weer op straat gezet?”

De jongste agent keek even naar zijn collega, alsof hij de juiste woorden zocht. “We hebben onze protocollen,” antwoordde hij voorzichtig. “In eerste instantie gaat het om de strafbare feiten. Maar parallel daaraan kijkt het sociaal team of er opvang of begeleiding mogelijk is. Alleen…” hij aarzelde even, “dat lukt lang niet altijd. Niet iedereen wil of kan geholpen worden.”

Jannus boog zich iets naar voren. “Maar als iemand nog maar eenentwintig is en al geen enkel vertrouwen meer heeft, dan kun je hem toch niet zomaar loslaten?”

De jongste agent zuchtte. “Meneer, ik begrijp wat u bedoelt. Maar wij zijn geen hulpverleners. We maken het proces-verbaal op en daarna is het aan justitie en het sociaal team. In theorie kan er opvang geregeld worden… in de praktijk zijn de plekken schaars. En iemand als hij,” hij schoof zijn pen even opzij, “heeft al een heel dossier. Ruzie thuis, school niet afgemaakt, kleine vergrijpen. Dat maakt het niet eenvoudig.”

De oudere agent vulde aan: “We laten hem niet zomaar los, maar de vraag is óf hij begeleiding wil, en waar hij heen kan. Zonder vaste basis glipt zo’n jongen vaak tussen alle mazen door.”

Trees keek van de een naar de ander, haar ogen donker van bezorgdheid. “Dus eigenlijk zeggen jullie: hij is te jong om opgegeven te worden, maar te lastig om een plek te vinden?”

Er viel een korte stilte. De jongste agent knikte langzaam. “Dat is precies de spagaat.”

Gesprek met brigadier Saskia van het sociaal team

Er klonk geluid bij de deur van de Lege Knip. De oudere agent stond op en deed open. Een vrouw in donkerblauw uniform stapte binnen, haar blonde haar strak in een staart.

“Dit is brigadier Saskia Vermeer,” zei hij, “zij werkt samen met het sociaal team van de gemeente.”

Saskia knikte vriendelijk en nam plaats aan de leestafel, waar nog koffie stond. “Ik heb het dossier van Roy bekeken,” begon ze. “Het klopt dat hij weinig vertrouwen heeft. Hij heeft veel teleurstellingen meegemaakt, zowel thuis als op school. Dat maakt hem kwetsbaar, maar ook moeilijk bereikbaar. Toch wil ik samen met jullie kijken of er een opening is. Soms zijn plekken zoals dit—” ze gebaarde naar de Lege Knip, met de boeken, de koffiemokken, de rustige sfeer, “precies wat iemand nodig heeft om weer iets van vertrouwen terug te vinden.”

Trees knikte langzaam, alsof de woorden iets in haar losmaakten. “Dus u zegt… dat wij misschien een rol kunnen spelen?”

“Ja,” antwoordde Saskia zacht. “Maar alleen als hij dat zelf ook wil. Het is belangrijk dat hij niet wéér het gevoel krijgt dat er over zijn hoofd heen wordt besloten.”

Jannus haalde diep adem en legde zijn hand even plat op tafel.
“Kijk,” begon hij, terwijl hij even rondkeek naar Trees, de agenten en brigadier Saskia, “ik weet dat het niet mag, dat gebruik van die ruimte boven. Maar eerlijk gezegd… ik vind het achteraf niet eens zo’n groot vergrijp. Weet u waarom? Omdat ik zelf jaren dakloos ben geweest. Ik heb ook geslapen in leegstaande panden, in portieken, in parken. Je weet niet hoe het is om iedere avond te zoeken naar een plek waar je niet weggejaagd wordt.”

Er viel een stilte. De jongste agent keek hem onderzoekend aan, maar Saskia knikte langzaam.

“Dat maakt u eigenlijk een ervaringsdeskundige,” zei ze bedachtzaam. “En dat is iets waar wij vaak een groot tekort aan hebben. Mensen die weten hoe het voelt, die vanuit hun eigen geschiedenis vertrouwen kunnen wekken bij iemand die niets of niemand meer vertrouwt.”

Trees keek naar Jannus met een mengeling van trots en ontroering. “Dat zou precies jouw rol kunnen zijn, Jannus,” zei ze zacht.

“Als Roy iemand nodig heeft om hem te begrijpen,” vervolgde Saskia, “dan kan ik me voorstellen dat hij misschien eerder naar u luistert dan naar mij in uniform.”

Saskia sloeg haar notitieboek dicht. “Dan stel ik dit voor: we regelen dat u, Jannus, samen met mij een eerste gesprek met Roy voert. Niet meteen officieel of zwaar, maar gewoon om te zien of er een klik kan ontstaan. Als hij zich bij iemand veilig voelt, kunnen we daarna pas verder bouwen.”

De oudere agent knikte instemmend. “Hij staat nu toch op scherp. Als hij het idee krijgt dat er iemand naast hem staat in plaats van tegenover hem, kan dat een verschil maken.”

Jannus keek even naar Trees, die hem bemoedigend aankeek. “Ik ben bereid dat te doen,” zei hij. “Maar alleen als Roy zelf ook wil. Ik wil hem niet dwingen, dat werkt toch niet.”

“Precies,” antwoordde Saskia. “Ik zal hem voorbereiden en aangeven dat u weet hoe het voelt om geen plek te hebben. Misschien is dat voor hem de opening die we nodig hebben.”

“En wanneer?” vroeg Trees.

“Morgen al,” besloot Saskia. “Op het bureau, in een rustige kamer. Geen druk, geen politievragen. Alleen een gesprek.”

De volgende ochtend zat Jannus wat gespannen in het politiebureau. Een agent bracht hem naar een kleine spreekkamer. Roy zat al aan tafel, schouders opgetrokken, blik naar beneden.

Toen Saskia de eerste woorden wilde openen, klonk plots Roy’s stem, zacht maar beslist:
“Mag ik alleen met Jannus praten?”

Er viel een korte stilte, maar Saskia knikte en verliet de kamer.

Roy keek niet meteen op. “Ik… eh… ik wilde zeggen dat het me spijt. Voor dat gedoe daar bij jullie. Ik wist gewoon niet meer waar ik heen moest.”

Jannus voelde iets warms door zich heengaan. Dat woord spijt – het was niet veel, maar het was een begin. Hij boog zich iets naar voren.
“Dat je dat zegt, Roy, dat is moed. Ik herken het… die wanhoop, dat nergens meer thuishoren. Ik heb daar zelf ook gestaan. Jarenlang geen dak boven m’n hoofd, elke nacht bedenken waar ik terecht kon.”

Roy keek hem voor het eerst recht aan. In zijn ogen zat nog wantrouwen, maar ook iets van nieuwsgierigheid.

“Maar,” vervolgde Jannus rustig, “voordat het misging, had ik wel dingen geleerd. Dingen waar ik nu nog op kan terugvallen. En ik geloof dat ook jij ergens iets in handen hebt, al zie je het nu misschien niet.”

Roy slikte, zijn vingers friemelden aan de rand van de tafel. Het was niet meteen vertrouwen, maar er begon een kleine scheur te ontstaan in de muur die hij om zich heen had gezet.

Jannus zweeg even, haalde diep adem en legde zijn handen rustig op tafel.
“En toen het een keer misging, Roy… toen ging ook echt álles mis. Mijn huwelijk hield geen stand, ik greep naar de fles en verloor stukje bij beetje het vertrouwen – in anderen, maar ook in mezelf. Je denkt dan: wat maakt het nog uit? Tot je ineens op straat staat en niemand je meer gelooft.”

Hij keek de jongen recht aan.
“Dat gevoel ken jij, hè? Dat niemand je nog ziet staan. Dat je denkt dat het altijd zo zal blijven.”

Roy knikte nauwelijks merkbaar, zijn lippen trilden even.

Jannus boog zich iets dichter naar hem toe.
“Maar weet je… er kán een moment komen waarop je een andere afslag neemt. Dat hoeft geen grootse beslissing te zijn. Soms is het gewoon één mens die je een kans gunt, of een plek waar je je even veilig voelt. Voor mij was dat een keerpunt. Voor jou kan dat óók.”

Jannus glimlachte schuin en keek even langs Roy heen, alsof hij de herinnering nog voor zich zag.
“Een aantal keren heb ik onder een afdak bij een fietsenmaker geslapen. Soms deed ik een klusje voor hem, gewoon om iets terug te doen. En toen, op een dag, liep ik De Lege Knip binnen. Toen werd ik opgevangen door Trees, die destijds de kringloopwinkel nog in haar eentje beheerde. Door haar ben ik langzaam weer overeind gekrabbeld. Ze gaf me vertrouwen op een moment dat ik er zelf geen had.”

Hij liet een korte stilte vallen, keek Roy opnieuw aan en zei zacht:
“Ik zou het leuk vinden om je eens mee te nemen naar De Lege Knip. Daar is altijd wel een hoekje waar je je even thuis kunt voelen. Want hier, op het bureau, kun je natuurlijk niet blijven. Maar… het is helemaal aan jou. Je beslist zelf of je dat wilt. Het is vrijblijvend, geen verplichting.”

Jannus schoof iets naar voren en legde zijn handen rustig op tafel.
“Roy, ik wil je nog iets vragen,” begon hij bedachtzaam. “Je hebt me verteld hoe zwaar het allemaal voor je is geweest, en ik geloof je. Maar hoe denk je de komende tijd eigenlijk door te komen? Wat zou je zelf graag willen? Heb je ooit een doel gehad in je leven, iets waarvan je dacht: dáár wil ik naartoe?”

Hij keek de jongen scherp maar niet veroordelend aan. “Het hoeft niks groots te zijn. Het kan iets kleins zijn, een vak, een plek, iemand om op terug te vallen. Ik ben benieuwd naar wat er in jou zit, wat jij eigenlijk zou willen met je leven.”

Roy keek naar zijn handen, die hij in elkaar had gevouwen alsof hij ze vast wilde klemmen.
“Jannus… sinds ik van alles en iedereen verstoten ben, weet ik gewoon niet meer waarvoor ik nog vertrouwen kan opbrengen. Vroeger dacht ik wel dat ik iets kon worden, maar nu?” Hij schudde zijn hoofd. “Ik weet inmiddels dat je als eenling nergens meer bent. Niemand wacht op je, niemand vraagt naar je.”

Hij keek Jannus ineens recht aan, zijn ogen waterig maar fel.
“En zal ik je wat zeggen? Ik was eigenlijk blij dat de politie me kwam oppakken. Want eindelijk was er iemand die me wél zag. Al was het maar omdat ik in de weg liep.”

Jannus liet een korte stilte vallen. Hij wilde de woorden van Roy niet meteen overschreeuwen met goede raad. Toen boog hij iets naar voren.
“Roy… zou je er toch eens over willen nadenken om een keer mee te gaan naar de Lege Knip? Het hoeft niet groots of meteen, gewoon eens kijken. Daar lopen mensen rond die niet perfect zijn, maar wel weten hoe het is om opnieuw te moeten beginnen.”

Roy trok zijn wenkbrauwen op, alsof hij zich aan dat voorstel niet had verwacht. Er gleed een aarzelende glimlach over zijn gezicht.
“Daar hoef ik niet over na te denken,” zei hij zacht maar beslist. “Ik ga mee. Echt. Ik wil wel zien hoe dat is.”

Jannus voelde een warmte door zich heen trekken. Een kleine beweging, maar groot genoeg om te weten: het ijs begon te breken.

Jannus schoof zijn stoel iets naar achteren. “Roy, ik wil graag eerlijk met je zijn. Wat je me vertelt, dat raakt me diep. Maar ik denk dat het goed is om Saskia—de brigadier van het sociaal team—er ook even bij te halen. Niet om je in de gaten te houden, maar juist om samen te kijken wat jou verder kan helpen. Zij kent de weg in dingen die ik niet kan oplossen.”

Roy keek eerst bedenkelijk, maar knikte toen langzaam. “Als jij er ook bij bent, dan is het goed.”

Een kwartier later zat Saskia bij hen aan tafel. Jannus vertelde in grote lijnen wat er besproken was, precies zover als voor haar van belang was. Ze luisterde aandachtig en knikte af en toe, zonder Roy te onderbreken. Toen hij klaar was, zei ze:
“Dank je dat je dit hebt gedeeld, Roy. Het belangrijkste is dat je zelf een stap wilt zetten. Als jij zegt dat je mee wilt naar de Lege Knip, dan gaan we daar samen een weg in zoeken. Jij houdt de regie.”

Roy liet zijn blik even zakken, maar er was iets veranderd: voor het eerst klonk er een sprankje opluchting in zijn stem. “Oké… dan doen we het zo.”

Toen Roy het bureau verliet, bleef Jannus nog even zitten. Saskia draaide haar notitieboek dicht en keek hem vragend aan.

“Luister,” begon Jannus, zijn handen gevouwen op tafel, “ik weet dat het misschien vreemd klinkt, maar die ruimte waar Roy zich had verstopt… die is leeg. Ik zou hem daar liever tijdelijk laten slapen dan dat hij straks weer onder een brug belandt. Alleen zolang totdat er een fatsoenlijke plek voor hem is. Mits hij niet afhankelijk wordt van ons geld, natuurlijk.”

Saskia zweeg even en keek peinzend naar hem. “Je beseft dat dit officieel niet de bedoeling is. Maar,” ze legde haar pen neer, “ik hoor ook dat jij ervaring hebt met dakloos zijn. En ik zie dat Roy jou vertrouwt. Misschien kan dit juist een tussenoplossing zijn. Ik zal het in het team bespreken, maar ik denk dat er meer begrip is dan je vreest.”

Jannus knikte langzaam. “Ik wil hem alleen de kans geven die ik zelf ooit heb gekregen. Meer niet.”

Saskia glimlachte flauwtjes. “Dat is precies waarom je voor hem van betekenis kunt zijn.”

Toen Jannus terugkwam in de Lege Knip, was het al rustig in de winkel. Een paar klanten bladerden nog wat door stapels boeken, maar de meeste vrijwilligers waren naar huis. Trees zat achter de leestafel, een kopje thee naast zich, en keek op toen hij binnenkwam.

“Je ziet er moe uit,” zei ze zacht. “Hoe is het gegaan?”

Jannus ging tegenover haar zitten en vertelde stap voor stap wat er besproken was. Over het gesprek met Roy, zijn excuses, het kleine beetje vertrouwen dat voorzichtig groeide, en tenslotte zijn voorstel aan Saskia.

Trees luisterde met haar handen om haar mok gevouwen. Toen hij uitgesproken was, bleef ze even stil. “Dus je denkt eraan hem tijdelijk boven onder te brengen,” zei ze nadenkend. “Op dezelfde plek waar hij zich had verstopt.”

“Ja,” antwoordde Jannus. “Maar alleen als de politie en het sociaal team het goedvinden. Ik wil dat het eerlijk en veilig gebeurt, voor hem én voor ons.”

Trees knikte langzaam. “Ik begrijp je, Jannus. Het klinkt bijna alsof je jezelf in hem herkent.”

Hij glimlachte wrang. “Misschien omdat ik ooit ook iemand nodig had die niet meteen de deur dichtgooide.”

Ze legde haar hand op de zijne. “Dan moeten we samen zorgen dat dit niet alleen een tijdelijke oplossing wordt, maar een nieuwe kans. En dat kan alleen als we het met z’n allen dragen.”

“Als er toestemming komt, en Roy zelf er ook achter staat,” zei Trees nadenkend, “dan kunnen we de bovenruimte klaarmaken. Gewoon als slaapkamer. Een bed, een kast, misschien een tafel. En wie weet kunnen we er nog iets moois van maken, zodat hij zich niet een indringer maar een bewoner voelt.”

Jannus knikte. “Precies dat. Als hij een eigen plek heeft, hoe bescheiden ook, kan hij misschien weer iets van vertrouwen opbouwen. Maar het sanitair… dat moet wel bekeken worden. Er is daarboven wel een oude kraan en een afvoer, maar ik weet niet of dat nog werkt.”

Trees glimlachte lichtjes. “Dan vragen we Peter om te komen kijken. Die weet van zulke dingen meer dan wij. En als het nodig is, zetten we samen wat vrijwilligers in. Voor een jongen die zolang in de kou heeft gestaan, mag er best warmte zijn.”

Jannus keek haar dankbaar aan. “Weet je, Trees… jij zegt het zo gewoon, maar dit kan echt het verschil maken. Voor hem.”

Ze tikte zachtjes met haar hand op tafel. “Laten we eerst de toestemming afwachten. Maar als die er is, dan gaan we ervoor.”

Een paar dagen later stond Jannus weer bij het bureau. Roy stond hem al op te wachten, handen in de zakken, een beetje schuchter, maar zonder die harde blik van eerder. Samen liepen ze naar De Lege Knip.

“Het is geen gewone kringloopwinkel,” zei Jannus onderweg. “Het is een plek waar spullen en mensen een tweede kans krijgen. Zo zie ik het.”
Roy haalde zijn schouders op, maar luisterde aandachtig.

Toen ze binnenkwamen, rook Roy de geur van koffie en versgebakken koek. De winkel was gevuld met boeken, meubels en een bonte verzameling spullen die elk hun eigen verhaal leken te vertellen.

Trees stond achter de leestafel en keek meteen op toen Jannus binnenkwam. Haar ogen bleven rusten op Roy. Ze stak haar hand uit. “Welkom,” zei ze met een warme glimlach. “Je bent hier geen vreemde. Zie het als een huiskamer waar altijd plaats is voor iemand meer.”

Roy aarzelde even, maar nam toen haar hand. Hij voelde dat er iets oprecht in haar stem klonk, iets dat hij niet gewend was.
“Dank u,” mompelde hij zacht.

“Geen ‘u’ hoor,” lachte Trees. “Gewoon Trees. Wil je koffie? Of liever thee?”

Terwijl ze zich naar de koffiehoek begaven, liet Jannus hem rondkijken. Hij wees op de boekenhoek, het kleine museumdeel en de leestafel waar buurtbewoners vaak zaten. Roy keek stilletjes rond, alsof hij iets probeerde te begrijpen.

Trees legde, bijna terloops, een hand op zijn arm toen ze hem een mok koffie gaf. “Weet je, hier hoef je even nergens bang voor te zijn. Je bent gewoon welkom, zoals je bent.”

Roy knikte nauwelijks zichtbaar. Voor het eerst sinds dagen brak er een zweem van zachtheid door zijn gezicht.

Dank je, Willem — dat is een belangrijk nuance. Je hebt helemaal gelijk: Roy is nog maar net binnen bij De Lege Knip, en het is zijn eerste kennismaking met de plek en de mensen. Er is nog geen sprake van een concreet voorstel tot bewoning, laat staan dat er al iets aan de kamer gedaan wordt. De sfeer is aftastend, voorzichtig hoopvol, maar nog niet beslissend.

Laat me het vervolg dan in lijn brengen met die realiteit: een eerste bezoek, een warme ontvangst, en een subtiele voorbereiding op wat misschien komen gaat — mits de juiste stappen worden gezet. Hier volgt een aangepaste voortzetting:

Roy zat met zijn mok koffie aan de leestafel, zijn blik rustend op de mensen om hem heen. Hij zei weinig, maar zijn ogen namen alles in zich op: de boekenhoek, de kringloopspullen, de geur van koekjes die nog in de lucht hing.

Trees zat tegenover hem, haar houding ontspannen. “Weet je,” zei ze, “veel mensen die hier komen, hebben een verhaal. Soms is het een mooi verhaal, soms een moeilijk. Maar het mag er zijn.”

Roy knikte langzaam. “Ik weet niet of mijn verhaal hier past.”

“Dat hoeft ook niet meteen,” zei Jannus. “Vandaag ben je hier gewoon om te kijken. Meer niet.”

Roy keek naar zijn mok. “Het voelt… anders. Alsof ik niet hoef op te letten.”

“Dat is precies de bedoeling,” zei Trees. “Je bent hier welkom. Zonder voorwaarden.”

Er viel een korte stilte. Buiten trok een windvlaag langs de ramen. Roy keek op. “En wat gebeurt er dan? Als ik hier vaker kom?”

Jannus glimlachte. “Dan leer je mensen kennen. Misschien help je een keer mee. Misschien vind je iets van jezelf terug. Maar alles op jouw tempo.”

Roy knikte. “Ik wil dat wel. Proberen.”

Trees stond op en haalde een klein notitieboekje uit een lade. “Als je wilt, kun je hier af en toe iets opschrijven. Sommige mensen vinden dat fijn. Maar het hoeft niet.”

Roy nam het boekje aan alsof het iets kostbaars was. “Dank je.”

Jannus keek hem aan. “We gaan niets overhaasten, Roy. Er zijn ideeën, maar die bespreken we pas als Saskia haar akkoord geeft. Tot die tijd ben je hier gewoon als gast. En dat is al heel wat.”

Roy keek hen aan, zijn blik zachter dan voorheen. “Dat is meer dan ik gewend ben.”

Het was laat in de middag toen Saskia op het politiebureau het dossier van Roy op tafel legde. De vergaderruimte was stil, op het zachte gezoem van de airco na. Aanwezig waren brigadier De Vries, maatschappelijk werker Lianne en wijkagent Koen.

Saskia keek hen aan. “We hebben hier het proces-verbaal van Roy. Diefstal, huisvredebreuk, en een eerdere waarschuwing voor overlast. Geen geweld, geen drugs, maar wel een patroon van verdwalen in de marge.”

Koen bladerde door het dossier. “Hij heeft zich verstopt in de bovenruimte van De Lege Knip. Geen schade, geen verzet. Maar hij was duidelijk op de vlucht.”

Lianne knikte. “En Jannus heeft hem niet alleen gevonden, maar ook opgevangen. Dat is geen toeval. Jannus kent die weg zelf.”

Saskia leunde achterover. “Ik ben met hem gaan praten. Roy heeft aangegeven dat hij openstaat voor hulp. Hij wil mee naar De Lege Knip, en Jannus heeft voorgesteld om hem tijdelijk boven te laten verblijven — mits wij akkoord gaan.”

De Vries fronste. “Dat is geen officiële opvanglocatie.”

“Klopt,” zei Saskia. “Daarom stel ik voor om dit als een tijdelijke maatregel te beschouwen. Eén maand. Onder voorwaarden: toezicht door het sociaal team, wekelijkse rapportage, en directe terugkoppeling bij incidenten. Roy blijft onder begeleiding, en het verblijf is strikt tijdelijk.”

Lianne keek op. “En als het werkt?”

“Dan evalueren we,” zei Saskia. “Maar eerst moet hij laten zien dat hij deze kans serieus neemt.”

Koen knikte. “Ik ben voor. Liever een gecontroleerde kans dan weer een nacht onder een brug.”

De Vries zuchtte. “Goed. Maar dan wil ik dat het zwart op wit staat. Voorwaarden, duur, verantwoordelijkheden.”

Saskia pakte haar pen. “Ik stel het document op. Morgen informeer ik Jannus en Trees. En Roy krijgt het persoonlijk te horen. Geen valse hoop — maar een echte kans.”


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reacties op “No. 61 Verdwaald & Gevonden”

  1. Rob Alberts Avatar

    Heb ik dit al eerder gelezen?

    Stille groet,

    Like

  2. Rob Alberts Avatar

    Heb ik dit al eerder gelezen?

    Stille groet,

    Geliked door 1 persoon

    1. wzijlstra10 Avatar

      Dat klopt Rob. Er is door mij een serie van 10 korte verhalen geschreven, waarvan de laatste twee ontbraken. Om voor iedereen die deze nog niet gelezen hadden zijn ze dus nieuw en voor degenen die ze eerder gelezen weer even een herhaling met een afloop, alles onder de tag’s “Roy Stories”

      Like

Geef een reactie op wzijlstra10 Reactie annuleren

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder