
Het was een dinsdag waarop de regen niet viel, maar bleef hangen in de lucht — alsof hij twijfelde. De straat voor De Lege Knip was nat van gisteren, de stoep glom dof onder het novemberlicht. Binnen was het warm, maar niet gezellig in de klassieke zin. Het was een warmte die kwam van mensen, niet van versiering.
Mo stond even stil bij de ingang. Zijn jas was dun, een tussenjas die de herfst nog net aankon, maar de winter niet. Hij had zijn handen diep in zijn zakken gestoken, alsof hij daar iets bewaarde wat hij niet wilde verliezen. Jannus zag hem meteen. Niet aan zijn kleding, maar aan zijn blik — een mengeling van beleefdheid en vermoeidheid, alsof hij zich verontschuldigde voor zijn aanwezigheid.
“Zoek je iets?” vroeg Jannus, terwijl hij een stapel boeken herschikte die niemand nog had aangeraakt.
Mo knikte. “Een jas. Maar ik heb niet veel te besteden.”
Trees kwam erbij staan. Ze had net een doos met servies uitgepakt, maar haar handen rustten nu op haar heupen. “We hebben jassen. Maar we hebben ook koffie. Kom eerst even zitten.”
Mo ging zitten aan het tafeltje bij het raam. De vitrage was vergeeld, maar liet nog net genoeg licht door om de gezichten zacht te houden. Harrie zette een kop koffie neer zonder iets te zeggen. Het was geen hulpverlening, het was gewoon menselijkheid.
“Ik werk niet meer,” zei Mo. “Tenminste, niet vast. Soms word ik gebeld. Soms niet. Ze zeggen dat ik flexibel moet zijn. Maar ik ben vooral moe.”
Trees knikte. “Flexibiliteit is een woord dat goed klinkt in vergaderingen. Maar het betekent vaak dat je geen zekerheid hebt.”
Mo keek naar zijn handen. “Ik woon met vier anderen. In een huis van het uitzendbureau. Als je geen werk hebt, moet je eruit. Dus ik werk. Niet omdat ik wil, maar omdat ik moet blijven slapen.”
Jannus zuchtte. “Dat is precies waarom die wet van Van Hijum er moest komen. Om dat soort afhankelijkheid te doorbreken.”
“Die wet,” zei Harrie, “is één dag na de verkiezingen van tafel geveegd. Alsof ze wisten dat het niet populair was, maar het toch wilden doen.”
Mo zweeg. Niet uit onwetendheid, maar uit herkenning. Hij kende het systeem. Hij leefde erin.
Trees liep naar achteren en kwam terug met een donkerblauwe winterjas. Stevig, gewatteerd, met een capuchon die niet te opzichtig was.
“Deze is warm,” zei ze. “En niet te duur.”
Mo paste hem. De jas viel ruim, alsof hij gemaakt was voor twee Mo’s. Hij keek in de spiegel, niet om zichzelf te bewonderen, maar om te zien of hij erin mocht bestaan.
“Waarom niet?” zei Trees. “Ruimte is ook een vorm van erkenning.”
Mo glimlachte. Niet breed, maar echt. “Dank jullie,” zei hij. “Niet alleen voor de jas.”
En zo werd De Lege Knip die ochtend een plek waar het sociale niet bestond uit beleid, maar uit nabijheid. Waar een jas niet alleen bescherming bood tegen kou, maar tegen onzichtbaarheid. Waar mensen elkaar zagen, niet als dossier, maar als verhaal.
Geef een reactie op ymarleen Reactie annuleren