
Ik had lang staan twijfelen voor de deur. Niet omdat ik bang was — ik ben niet bang voor ruimtes, alleen voor stilte — maar omdat ik niet wist in welke rol ik moest binnenstappen. Als bezoeker? Als onderzoeker? Als de man die hun verhalen al jaren vanuit de schaduw volgde en noteerde?
Een schrijver met te volle zakken en te lege handen, zo voelde ik me. Werkelijk gereedschap bezat ik niet; woorden waren het enige dat ik kon hanteren zonder iets te breken.
Toen ik eindelijk naar binnen ging, leek de winkel mij welkom te heten met het zachte gerinkel van de deurbel. Geen moderne toon, maar zo’n ouderwetse bel die klinkt alsof hij opgehangen is in een huis met houten balken en verhalen die niet weg willen.
Binnen was het warm — niet van een briljante kachel, maar van leven. Van stemmen die zich door elkaar bewogen als vogels in een volière. Van koffiedampen en het zachte schuiven van stoelen. Van de geur van oude boeken, meubels die nog herinneringen in zich hielden en kleding die de tijd had overleefd.
Ik wilde even blijven staan, maar dat viel op. Trees zag me als eerste.
“Kom maar verder,” zei ze, zonder haar bril af te zetten. “We zijn hier niet van de geheimzinnigheid, al doen sommige mensen dat wel graag geloven.”
Ik glimlachte. Zo had ik haar altijd geschreven: direct, zacht ironisch, en met een feilloze intuïtie voor mensen wier schoenen niet meer warm waren van hun eigen leven.
Jannus keek op van de stapel mappen die hij aan het ordenen was. “U komt niet voor spullen, denk ik. U kijkt alsof u iets zoekt dat niet per se in een kast staat.”
“Een verhaal,” antwoordde ik. “Misschien van jullie. Misschien van mij. Ik ben nog niet helemaal zeker.”
Harrie, die net een mok koffie inschonk, lachte. “Nou, zet u dan maar, want wij hebben verhalen zat. En anders verzinnen we ze.”
Ik liep langzaam tussen de tafels door, mijn vingers die bijna automatisch over het hout gleden. Ik liet me uitnodigen door de ruimte; dat deed ik altijd. Niet om iets toe te eigenen, maar om te luisteren naar wat nog geen woorden had.
Trees wees naar de lege stoel naast haar. “Ga zitten. Je hoeft je niet te verantwoorden. Hier ben je gewoon iemand die binnenkomt.”
Ik ging zitten, voorzichtig, alsof zelfs mijn aanwezigheid te zwaar zou kunnen zijn voor de stoel.
“Mag ik vragen,” vroeg Trees, “wat je precies doet? Je zei iets over een verhaal.”
Ik aarzelde. Niet omdat ik het antwoord niet kende, maar omdat ik niet zeker wist hoeveel van de waarheid ik moest delen.
“Ik schrijf,” zei ik tenslotte. “Over mensen. Over wat ze doen, laten, verliezen.”
Jannus knikte langzaam. “Dan kun je hier blijven zitten tot sluitingstijd.”
Er klonk een schuivend geluid. Vanachter een rek kwam een man tevoorschijn met een gezicht dat zowel oud als nieuw leek — alsof het gisteren nog jong was, maar vannacht rimpels had verzameld. Hij poetste zijn handen af aan zijn broek, al was er niets te zien.
“Karel,” stelde Trees hem voor. “Hij heeft een reorganisatie overleefd. Of ja… eigenlijk niet. Hij heeft hem meer doorstaan dan overleefd.”
Ik keek naar hem. De man had iets zwaars in zijn ogen, het soort zwaarte dat niet ontstaat door leeftijd maar door verlies van plek.
“Karel,” zei ik. “Ik heb uw naam eerder gehoord.”
“Kan best,” antwoordde Karel, schouderophalend. “Mensen als ik zijn in elk bedrijf inwisselbaar, maar onze verhalen lijken altijd op elkaar.”
We dronken koffie. Warme, slappe koffie die smaakte naar gesprekken die nog niet waren gevoerd.
Karel nam een slok, zette zijn mok neer en keek naar zijn handen, alsof die hem eraan herinnerden wie hij ooit was.
“Hij wil een verhaal horen,” zei Trees, terwijl ze met haar duim naar mij wees. “Misschien kun jij hem eentje geven.”
Karel knikte langzaam. “Begin november,” zei hij, “hoorde ik op de radio dat die wet — jij weet wel, die van Eddy van Hijum — van tafel was geveegd. Nou ja, geveegd… Ik noem het weggewuifd. Alsof hij nooit bestaan had.”
Ik kende de toon. De toon van mensen die iets hebben zien verdwijnen waar ze zelf nooit toestemming voor hebben gegeven.
“Het was niet eens die wet zelf die me dwarszat,” zei Karel, “maar alles eromheen. Ik dacht ineens aan hoe het voor mij was gegaan, vroeger. Slachthuis in Boxtel. Ik stond overal. Zij noemden me ‘multifunctioneel’. Ik droeg dat woord als een medaille. Tot ze het niet meer nodig vonden.”
Trees knikte mee. Haar blik was zacht.
“En toen kwamen de reorganisaties,” zei ik zacht, alsof ik het vervolg al kende.
Karel glimlachte schuin. “Je begrijpt het al. Ja. Reorganiseren is een mooi woord voor mensen overbodig verklaren zonder het hardop te zeggen.”
Hij vertelde over de directie die veranderde. Over de regeling. De vakbond die vond dat hij het moest accepteren. De accountant die zei dat hij meer verdiende. Het afscheid dat meer voelde als een zet in de rug dan een bedankje.
“Dat heeft u nooit verteld,” zei Trees, bijna verwijtend.
Karel haalde zijn schouders op. “Ach. Hier komen mensen binnen die het slechter hebben. Waarom zou ik dan klagen?”
“Het gaat niet om klagen,” zei ik. “Het gaat om gehoord worden.”
Karel keek op, recht in mijn ogen.
“En dat is precies wat ik mezelf ben afgeleerd.”
Trees merkte het als eerste. Ze zag het aan mijn houding, aan de manier waarop ik mijn notitieboek niet openklapte, terwijl dat was waar schrijvers meestal mee begonnen.
“Waarom ben je hier écht?” vroeg ze.
De vraag hing in de ruimte als stof dat net van een plank was gewaaid.
Ik dacht na. Niet om een antwoord te verzinnen, maar om het juiste moment te kiezen. Dan zei ik:
“Omdat ik het gevoel heb dat dit de plek is waar verhalen uit zichzelf komen. Niet omdat ze verteld willen worden, maar omdat ze gehoord willen worden.”
Jannus keek me onderzoekend aan. “Dat is heel mooi. Maar dat is nog steeds niet jouw reden.”
Ik glimlachte zwak. Ik streek met mijn duim langs de rand van mijn mok.
“Ik schrijf verhalen over kringloopwinkels, en daarom loop ik wel eens een kringloop binnen,” zei ik.
Er viel een stilte. Een warme, gedragen stilte. De soort stilte die niet leeg is, maar vol.
Karel schoof zijn stoel iets naar achteren en keek me aan alsof hij me voor het eerst werkelijk zag en zei: “Hier hebben we geen verhalen nodig die mooier zijn dan de waarheid. Maar wel mensen die durven luisteren.”
Jannus haalde een map van de stapel en legde die voor me neer. “Hier. Begin maar met de papieren uit die oude kamer boven. En luister naar wat er niet staat.”
Trees glimlachte. “En als je dorst krijgt, de koffie is daar. De koekjes zijn van gisteren, maar nog goed genoeg voor een schrijver.”
Ik voelde iets dat ik lang niet had gevoeld: thuiskomen op een plek waar ik nog nooit was geweest en toch wist hoe het er uitzag.
Ik opende de map. De papieren waren vergeeld en roken naar stilgestane tijd. Terwijl ik mijn blik over de handgeschreven notities liet gaan, voelde ik de blikken van Trees en Jannus op me rusten. Ze wachtten niet op een antwoord; ze wachtten tot ik een begin zou maken met het luisteren. Maar ik kon niet beginnen met luisteren voordat ik het laatste stukje van mijn eigen verhaal had verteld.
Ik legde de map weer neer, de vellen ritselend als een zachte zucht.
“Ik moet jullie wel iets vertellen,” zei ik. Mijn stem klonk zwaarder dan ik wilde.
Karel, die al die tijd stil had toegekeken, nam een slok koffie. “Wij zijn van alles gewend, Schrijver. Wees gerust.”
Ik knikte. Ik streek met mijn hand over de houten tafel, voelend hoe de nerven van het oude hout overeenkwamen met de onzichtbare lijnen op mijn notitieblokken.
“Toen ik zei dat ik verhalen schrijf over kringloopwinkels en regelmatig daar langs ga, wil ik ook zien dat hetgeen ik schrijf wel op een bepaalde waarheid berust.”
Ik keek Trees recht aan. Ze wachtte geduldig, haar bril op het puntje van haar neus.
“Trees, Jannus, Harrie… Karel. Het afgelopen jaar heb ik korte verhalen geschreven. Verhalen die zich hier in De Lege Knip zouden kúnnen afspelen. Jullie zouden de hoofdpersonen in mijn boeken kunnen zijn.”
Jannus fronste. “Wat bedoelt u? Wij kennen u niet.”
“Klopt,” zei ik. “Mijn naam is niet De Schrijver. Mijn naam is [Willy Zet], en ik plaats mijn korte verhalen op een blog die iedereen gratis kan lezen. Ik hoef er niet van te leven, het is puur hobby.”
Trees deed haar bril af en wreef over de brug van haar neus. “Je probeert je dus in te leven in wat wij hier bijvoorbeeld zouden kunnen doen, en zo maak je ons een soort hoofdrolspeler.”
“Ik observeer en maak daar denkbeeldig een verhaal van. Bij toeval las ik in een landelijke krant over De Lege Knip en toen bleek dat die hier niet de enigste is; ergens in Friesland is er ook een kringloopwinkel met dezelfde naam.”
Toen legde ik mijn hand op de map die Jannus me had gegeven.
“Ik heb mezelf een opdracht gegeven: laat de mensen weten welke problemen er in de wereld zijn op sociaal gebied, als het gaat om armoede, sociale zorg, en zoveel meer waar de meeste mensen aan voorbij gaan. Ik bewonder de instelling van de Kringloopwinkel en de hulp van de vaak vele vrijwilligers die er werkzaam zijn.”
Ik ademde diep in.
“Ik ben hier dus niet om nog een verhaal te vinden om te stelen, maar om jullie werk te promoten. Ik hoop dat jullie het niet als belastend zien.”
“Je hebt ons dan dus niet gevraagd,” zei ze. “Maar nu zit je hier, op onze stoel, willen we natuurlijk ook je verhalen gaan lezen en kijken of ze wel in de lijn zijn zoals hier geschreven wordt. Hier zijn we de mensen die hun eigen verhaal proberen te herschrijven.”
Ik voelde de spanning uit mijn schouders wegebben.
“Bedankt,” fluisterde ik.
Geef een reactie op bertjens Reactie annuleren