
Henri trok de voordeur zacht achter zich dicht. Het was nog vroeg, zo’n ochtend waarop de mist laag tussen de tuinen hing, alsof het dorp zijn adem inhield. De klinkertjes glommen vochtig onder zijn schoenen, en in de verte kraaide een haan die ook geen zin leek te hebben in alweer een dag vol menselijk gedoe.
Hij trok zijn pet wat dieper over zijn voorhoofd.
Niet dat dat iets hielp tegen gedachten.
Want die maalden maar door.
Gisteravond laat had zijn telefoon nog gebeld.
Een onbekend nummer, dacht hij.
Maar toen hij opnam hoorde hij de stem van zijn oude vriend Theo, iets te opgewonden, iets te jolig.
“Henri… ouwe jongen… zit je?”
Henri zat niet, en daarna wilde hij ook niet meer zitten.
Want Theo vertelde hem dat Mr. Frank Visser — jawel, dé televisierechter, dé man die ruzies oplost alsof hij een menselijke betonboor is — zich had uitgesproken over de erfgrens van Henri’s perceel.
En niet in zijn voordeel.
“Volgens het kadaster staat jouw schuurtje… eh… een meter op verkeerde grond, Hen,” had Theo voorzichtig gezegd. “Frank zei het zelf. Op nationale televisie. Morgen is het te zien.”
Henri had alleen maar “aha” gezegd, en daarna nog eens “aha”, maar dan iets harder.
Hij had die avond weinig meer geslapen.
En nu liep hij dus naar De Lege Knip.
Omdat dat de plek was waar mensen nog luisterden.
Waar koffie sterker smaakte dan teleurstelling.
En waar Trees altijd wel iets wist te zeggen waardoor een mens zich minder dom voelde.
De lucht rook naar vallende bladeren, natte aarde en een beetje naar de slagerij op de hoek die al vroeg begon met zijn rookworsten. Henri stak zijn handen in zijn jaszak.
“Mij veroordeeld… door Frank Visser…” mompelde hij. “Dat moet me net weer gebeuren.”
In de verte doemde het oude schoolgebouw op, met het scheefhangende bord De Lege Knip, de kringloop die meer was dan een winkel. Meer dan een ontmoetingsplek. Soms zelfs meer dan een biechtstoel.
Het licht brandde al binnen.
Dat gaf hoop.
“Nou,” zei Henri tegen niemand in het bijzonder, “laat ik het maar vertellen voordat ze het op tv zien.”
Hij duwde de deur open. Een zacht belletje rinkelde.
En zo begon een ochtend die niemand in De Lege Knip nog zou vergeten.
Hij schuifelde naar de koffietafel, duidelijk in zichzelf gekeerd, maar toch zichtbaar vastbesloten om het kwijt te moeten. Hij sneed het onderwerp aan, precies op het moment dat Trees net koffie begon in te schenken.
“Zeg… hebben jullie ooit zo’n aflevering gezien van Mr. Frank Visser Doet Uitspraak?” vroeg hij, terwijl hij zijn bril rechtduwde. “Met van die buren die ruzie maken over de erfgrens?”
Rob keek op, nieuwsgierig.
“Tuurlijk. Die met dat stel dat elkaar de huid vol schold om een paar struiken?”
“Of die bomen die zogenaamd op de verkeerde grond stonden?” vulde Dylan aan — vanzelfsprekend, want Dylan vulde altijd aan.
Henri schudde zijn hoofd langzaam, alsof hij eerst zelf nog moest geloven wat hij ging zeggen.
“Nee… jongens… ik bedoel niet dáár een aflevering van. Ik… ik wás zelf niet aan de beurt.”
Hij zuchtte diep. “Maar een vriend van mij, een straat verderop… wel.”
Trees liet bijna de theelepel uit haar hand vallen.
“Een vriend van jóu? In jouw buurt? Hier in het dorp? ”
Henri knikte, zijn ogen groot en half ongelovig.
“Ja. Hij belde me gisteravond compleet over zijn toeren. Hij is door Frank Visser veroordeeld. Over de erfgrens. Zijn schuurtje bleek dertig centimeter op het stuk van de buurman te staan. Dertig! En dat werd hem even haarfijn uitgelegd — op nationale televisie nog wel.”
“Op televisie?” vroeg Rob, met dat typische mengsel van medeleven en sensatiezucht dat Rob eigen was.
“Op televisie,” herhaalde Henri. “Heel Nederland zag hoe hij met een meetlint werd weggehoond door die buurman.”
Dylan wilde alweer zijn telefoon pakken.
“Hoe heet de aflevering? Dan—”
Trees keek hem scherp aan.
“Dylan. Nee. Geen telefoon. Laat Henri eerst ademen.”
Dylan liet zijn hand onmiddellijk zakken.
Henri vervolgde, nog steeds in dezelfde verbijsterde cadans:
“Hij zei dat het voelde alsof niet alleen zijn schuurtje, maar zijn hele leven ineens scheef stond. Hij had gehoopt dat Visser hem gelijk zou geven, maar ja… regels zijn regels. En dertig centimeter zijn dertig centimeter.”
Henri wreef met beide handen over zijn gezicht, alsof hij het hele verhaal nog één keer recht probeerde te strijken voordat hij verder ging.
“En dat was nog niet alles,” zei hij somber. “Tussen die tuinen loopt een oude, half vergaan ogende afrastering. Zo’n ding waarvan echt niemand meer weet wie ’m ooit heeft neergezet. Misschien een vorige bewoner, misschien de gemeente, misschien een stel verdwaalde scoutingkinderen — niemand die het nog durft te claimen.” Dylan grinnikte zachtjes. “Altijd fijn, zo’n erfgrens van ‘Niemand En Zijn Moeder BV.’”
Henri knikte ernstiger dan Dylan bedoeld had.
“Ja… maar die afrastering leek dus wél de grens. Tenminste, dat dacht Theo al jaren. En laat daar nou drie berkenbomen tegenaan staan. Mooie bomen hoor — slank, een beetje melancholiek. Maar… volgens de metingen van Visser staat elke boom voor de helft op Theo zijn grond. Terwijl die buurman ze volledig opeiste.”
Rob schoot overeind in zijn stoel.
“Wacht even. Volledig? Die bomen stonden met hun benen in twee tuinen!”
“Precies dat,” zei Henri, terwijl hij met zijn handen een soort scheve driehoek vormde, alsof hij het grensconflict wilde uitbeelden. “Maar ja… die buurman riep: ‘Mijn bomen! Mijn grond! Mijn schutting!’ Alsof hij in een toneelstuk van zichzelf meespeelde.”
“Op een dag ontdekte Theo dat de buurman bij de bomen stond te meten en had gevraagd waar de buurman mee bezig was” Die wilde een nieuw stek plaatsen, maar zat met die bomen, want die hoorden bij zijn grond en als hij de lijn recht doortrok leek het hem dat het schuurtje wel een meter op zijn grond stond. Theo vond het allemaal onzin.
Buurman“Die bomen staan op mijn grond. Mijn grootvader heeft dat stuk nog gekocht, ik heb de papieren. Het is gewoon mijn erf!”
Maar Theo had een ander document.
Een oud kadasterkaartje, ooit natgeregend tijdens een barbecue, nu lichtjes verkleurd en golvend.
En zo ging het:
Theo: “Jij moet die bomen omzagen!” Buurman: “Ik zaag niks! Ik plant wat ik wil!” Theo: “Je verpest mijn zonlicht.”
Buurman: “Je hebt een noordtuin!”
De mannen spraken niet meer of ze tierden woedend naar elkaar .
Ze keken elkaar niet meer aan.
Ze liepen zelfs om als ze elkaar bij de supermarkt zagen.
Mr. Frank Visser was gearriveerd zoals hij dat altijd met die subtiele mengeling van ernst en onverstoorbare kalmte deed.
Eerst had hij de bomen bekeken.
Toen had hij het kadaster de erfgrens na laten meten.
Toen had hij de beide heren aangekeken alsof hij twee kleuters betrapt had op het uitvechten van een zandbakruzie.
“De erfgrens,” had Visser gezegd, “loopt niet waar ú denkt, en ook niet waar ú hoopt. Hij loopt… precies hier.”
Hij had een paaltje in de grond ge zet, strak en definitief.
Beide heren waren geschrokken.
Want dat paaltje had niet gestaan waar ze het verwacht hadden.
Het stond……precies in het midden van de drie bomen.
De uitspraak was” A, de bomen staan precies op de grens en staan dus op beider grond”
B, het schuurtje staat 30 cm deels op de grond van de buurman en daar moeten jullie samen een oplossing voor zoeken”
En de buurman had gevloekt en getierd “dat kan helemaal niet, ik accepteer dat niet.
Daarna had Visser hen streng aangekeken.
“En heren, misschien nog wel belangrijker: u gaat vanavond, na de uitzending, elkaar een hand geven.”
De camera had op de handen ingezoomd.
Het ging moeizaam.
Maar het lukte.
Trees zette de mok koffie steviger voor Henri neer, alsof ze de chaos van de Kempen ermee wilde wegdrukken.
“Henri, vriend… in dit gebouw ligt de erfgrens altijd precies dáár waar wij hem leggen. En vandaag leggen we hem bij de koffiepot.”
Ze tikte met haar vinger op de pot, alsof het ging om een heilige grenssteen waar geen enkele televisierechter tegenop kon.
Jannus grijnsde.
“En als ze ooit hier komen meten… dan komen ze er achter dat deze hele ruimte een paar centimeter naar links hangt door de jaren heen. Maar dat heeft nog nooit iemand pijn gedaan.”
Eddy knikte instemmend.
“Behalve die ene keer dat de boekenplank spontaan besloot deel te nemen aan de zwaartekracht.”
Trees stak haar hand op.
“Dat was een incident, Eddy.”
Carolijn veegde een pluk haar achter haar oor en keek Henri onderzoekend aan.
“Hoe gaat het met Theo nu? Afgezien van zijn scheve schuurtje en gehalveerde bomen dan.”
Henri haalde zijn schouders op, maar iets in zijn gezicht verzachtte.
“Hij zei dat hij vannacht nauwelijks geslapen heeft. Niet van boosheid, maar van schaamte. Heel Nederland heeft nu kunnen zien hoe twee volwassen kerels zes jaar lang over drie bomen kunnen ruziën. Hij zei: ‘Henri, als ik ooit nog ruzie wil maken, dan alleen over iets dat écht telt. Over koffie bijvoorbeeld.’”
Trees glimlachte tevreden.
“Dan moet hij hier maar eens langskomen. Hier zijn de grootste ruzies die we hebben: filterkoffie of snelfilter.”
“En zelfs die winnen we meestal op democratische wijze,” zei Jannus.
Henri liet zich iets dieper in zijn stoel zakken.
“Misschien breng ik hem morgen wel mee. Hij kan wel wat warmte gebruiken.”
Trees knikte.
“Laat maar komen. In De Lege Knip ruimen we altijd een stoel extra in — zelfs als ’ie dertig centimeter te ver staat.”
De kring lachte.
En de regen tikkelde zacht achter hen tegen het raam, alsof zelfs de hemel instemmend mompelde:
Bomen, grenzen, schuurtjes… uiteindelijk is het allemaal maar hout en grond.
Maar vriendschap?
Daar hoefde niemand een meetlint bij te pakken.
Een paar mensen lachten zacht.
Langzaam ontspande Henri’s gezicht — alsof hij pas nu besefte dat je soms in de juiste kring moet gaan zitten om de scheve wereld weer recht te krijgen.
Plaats een reactie