
Het is midden in de nacht. De maan houdt de hemel nog net blauw, als een adem die niet wil verdwijnen. Er is geen wolkje te bekennen, alleen de stilte die zich als een deken over het dorp heeft gelegd.
Een paar straatlantaarns werpen hun gelige licht op het trottoir, behoedzaam, alsof ze de enkele voorbijganger willen waarschuwen voor wat er niet te zien is.
Auto’s zijn er nauwelijks. Behalve misschien die ene witte, met rood en blauwe strepen, die langzaam door de straten glijdt. Niet op jacht, maar op wacht. Een voertuig dat de bewoners probeert te beschermen tegen alles wat even niet door de beugel kan — en dat is soms meer dan men denkt.
In de verte, achter het plein, brandt licht in de Lege Knip. Niet fel, maar warm. De stoelen staan netjes op hun plaats, de koffiekannen nog leeg, en de deur staat op slot. Binnen is alles klaar voor een dag die nog moet beginnen, maar buiten heerst de nacht.
Thuis zit Jannus. Zijn ochtendjas hangt losjes om zijn schouders, zijn voeten koud, zijn gedachten onrustig. Hij kon de slaap niet vatten. ‘Als het morgen zo met me is,’ mompelt hij, ‘dan blijf ik maar thuis.’ Rond een uur of twee pakt hij nog een paar paracetamol, in de hoop dat het helpt. En het helpt. Hij kruipt onder de dekens en eindelijk pakt hij zijn slaap.
Op het plein bij de Lege Knip flikkert een lantaarnpaal. Al dagen doet hij vreemd, maar vannacht begeeft hij het helemaal. Het licht dooft, de duisternis valt als een sluier over het plein.
In die duisternis beweegt iets. Een gestalte, gekleed in zwarte kleren, met een dito capuchon over het hoofd getrokken. Zijn passen zijn traag, maar doelgericht. Hij kijkt niet om zich heen, alsof hij de weg al kent. Er is niemand die hem ziet. Geen hond, geen fietser, geen late werker. Alleen de kapotte lantaarnpaal, die nu zwijgt.
Of was het deze man die haar liet zwijgen?
Hij blijft staan voor de deur van de Lege Knip. Zijn hand rust op het hout, niet om te openen, maar om te voelen. Alsof hij wacht. Zijn adem vormt kleine wolkjes in de koude nacht. Hij loert door de ramen, en bij het flauwe warme licht kan hij het meeste van elkaar onderscheiden: stoelen, tafels, de koffiekannen die klaarstaan voor de ochtend.
Hij schuift een stap opzij, naar het volgende raam. Daar ziet hij nog beter hoe alles is opgesteld, alsof de ruimte hem iets wil vertellen. Maar hij merkt niet dat er op afstand twee autokoplampen langzaam dichterbij komen.
De koplampen doven plotseling. De stilte wordt dieper.
De twee agenten, gewaarschuwd via het alarmsysteem en de infraroodcamera’s, hebben hun auto stilgezet. Geesje, de vrouwelijke agent, niet een van de minste, stapt behoedzaam uit. Haar bewegingen zijn traag, berekend, alsof ze de nacht zelf niet wil verstoren. Ze buigt zich licht voorover, haar ogen scherp gericht op de gestalte bij de deur.
Klaas, haar collega, kiest een andere weg. Met een ruime boog loopt hij om de man heen, zijn schaduw vermengt zich met de duisternis. Hun tactiek is duidelijk: Geesje sluipt van voren, Klaas sluit van achteren.
De man met de zwarte cape voelt het hout nog steeds onder zijn hand. Hij weet niet dat hij omsingeld wordt. Hij weet niet dat de stilte van het dorp nu geladen is met ademhalingen die niet de zijne zijn.
Binnen, achter het glas, ligt de Lege Knip stil en warm. Buiten, in de nacht, staat de tijd even stil.
De man met de zwarte cape schrikt op, zijn ogen groot, wanneer hij plots een stem hoort achter zich: “Wat doet u hier?”
Hij draait zich half om, zoekt een uitweg. In een reflex duwt hij Agent Geesje van zich af. Ze wankelt, haar lichaam dreigt neer te storten op de koude straatstenen. Maar Geesje is niet zomaar iemand. Onder haar val haakt ze haar linkerbeen achter de enkel van de man, een snelle, geoefende beweging.
“Stop!” roept ze, haar stem scherp door de nacht.
Maar het hoeft niet meer. De man verliest zijn balans, struikelt, en valt recht in de armen van de grote Klaas, die hem met een stevige greep opvangt. Klaas’ handen klemmen zich om de schouders van de cape, zijn gezicht onverstoorbaar.
De stilte van het dorp wordt doorbroken door het geluid van de worsteling die abrupt eindigt. De kapotte lantaarnpaal blijft donker, alsof ze zelf getuige is van wat er gebeurt.
Geesje komt overeind, haar adem zwaar maar haar ogen fel. “Je dacht dat je ongezien kon blijven,” zegt ze, terwijl ze naast Klaas gaat staan. “Maar hier, in dit dorp, zien we meer dan je denkt.”
De man met de zwarte cape kijkt om zich heen, alsof hij nog een uitweg zoekt. Maar er is geen uitweg meer. De Lege Knip staat achter hem, stil en gesloten, en voor hem staan Geesje en Klaas — onverzettelijk, als wachters van de nacht.
Het dorp ontwaakte langzaam. De stilte van de nacht, waarin de man met de zwarte cape was afgevoerd, leek alweer vergeten. Alleen de kapotte lantaarnpaal op het plein herinnerde aan iets dat niet helemaal klopte.
Trees kwam als eerste bij de deur van de Lege Knip. Ze zette het alarmsysteem af, hing haar jas aan de kapstok en liep met vaste tred naar de kassa. Het was routine, maar toch voelde ze een lichte spanning in haar schouders.
Niet veel later stroomden Piet en de anderen binnen. Piet kuchte zoals altijd, Marijke zette de kopjes klaar, en Leo maakte een grap over de lege koffiekannen. Het leek alsof alles gewoon zijn gang ging.
Behalve Jannus. Zijn stoel bleef leeg.
Trees bladerde in de agenda, zoals ze dat elke ochtend deed. Haar ogen bleven hangen bij een afspraak: Jannus had vandaag een overleg met de gemeente. Ze fronste. Het was niets voor hem om zoiets te vergeten.
Ze pakte haar telefoon, belde. Het rinkelde. Eén keer, twee keer, drie keer. Geen antwoord.
“Verdorie,” mompelde ze, “waarom neemt hij nu niet op?”
Piet keek op van zijn krant. “Misschien slaapt hij nog. Hij zag er gisteren niet best uit.”
Trees schudde haar hoofd. “Maar dit is belangrijk. En Jannus is nooit zomaar afwezig.”
De kring werd stil. Het geroezemoes verstomde. Iedereen voelde dat er iets niet klopte. De nacht had zijn geheimen, maar nu leek de ochtend er ook één te hebben.
“Wacht maar,” zei Herman, die het allemaal had aangehoord. “Ik weet waar hij woont. Ik zal zien of hij wakker wordt als ik aan zijn raam rinkel.” De anderen knikten, opgelucht dat iemand het initiatief nam. Niemand wist dat Herman, vanwege zijn jarenlange voetbalavonturen, altijd een gashoorn bij zich had — een relikwie van uitwedstrijden en luidruchtige supporters.
Tien minuten later stond Herman bij Jannus’ huis. Hij had gebeld, hij had geklopt, maar geen beweging. Het huis leek in diepe rust verzonken. Toen zette Herman zijn laatste redmiddel in: hij stak de hoorn door de brievenbus en gaf vol gas.
Het geluid sneed door de stilte van de ochtend, een oorverdovende stoot die de ramen deed trillen en de vogels uit de dakgoot joeg.
Men hoeft niet te vragen hoe Jannus reageerde. Hij sprong overeind alsof hij door bliksem was geraakt, zijn dekens in de war, zijn ogen groot. “Wat in hemelsnaam…!” riep hij, terwijl hij naar de voordeur strompelde.
Later, toen Herman en Jannus samen aan de koffie zaten, werd er smakelijk om gelachen. “Je had je gezicht moeten zien,” zei Herman, nog nahikkend. “En jij had die hoorn thuis moeten laten,” bromde Jannus, maar zijn mondhoeken verrieden dat hij het niet echt meende.
In de Lege Knip ging het verhaal die dag als een lopend vuurtje rond. Trees vertelde het met brede gebaren, Piet voegde er zijn eigen geluidseffecten aan toe, en Marijke sloot af met de woorden: “Zo zie je maar, zelfs na een donkere nacht komt er altijd een ochtend met een lach.”
In de periode dat Jannus zijn afspraak had op het gemeentehuis, ging de deur van de Lege Knip onverwacht open. Twee agenten stapten naar binnen, hun uniformen nog vochtig van de ochtenddauw.
Marijke, die net de kranten had uitgespreid, keek op en fluisterde in zichzelf: “Wat hebben we nu aan de fiets…”
Trees zette haar pen neer, Piet liet zijn krant zakken. De kring verstijfde even. Agenten kwamen hier niet vaak binnen, en als ze dat deden, was er altijd iets aan de hand.
Geesje, de vrouwelijke agent, keek rond met een serieuze blik. Klaas volgde haar, groot en onverzettelijk. Ze liepen niet gehaast, maar doelbewust, alsof ze wisten dat hun aanwezigheid al genoeg was om vragen op te roepen.
“Goedemorgen,” begon Geesje, haar stem helder maar strak. “We willen graag even met jullie praten. Er is vannacht iets gebeurd bij de Lege Knip. Sommigen van jullie hebben misschien niets gemerkt, maar wij hebben een verdachte aangehouden.”
De kring werd stil. Piet kuchte, Marijke trok haar wenkbrauwen op, Trees keek naar de deur alsof ze verwachtte dat er nog iemand binnen zou komen.
“Een man in een zwarte cape,” vervolgde Klaas. “Hij liep rond het plein, vlak bij jullie deur. We hebben hem meegenomen. Maar we willen weten of iemand van jullie iets gezien of gehoord heeft.”
De stilte hing zwaar. Iedereen dacht terug aan de nacht, aan het flikkerende licht van de lantaarnpaal, aan de duisternis die plotseling dieper leek.
Marijke brak de spanning met een half fluisterende opmerking: “Nou, als er verhalen zijn, dan liggen we hier altijd stil. Maar dit verhaal… dit klinkt anders.”
Geesje hield haar telefoon omhoog, de foto’s zichtbaar voor iedereen. De kring boog zich naar voren, nieuwsgierig en voorzichtig. Het gezicht van de man met de zwarte cape was vaag, maar toch indringend.
“Een dakloze,” zei ze. “Geen vaste woon of verblijfplaats.”
Klaas keek rond, zijn blik zwaar. “Ik ben hier nooit eerder geweest,” zei hij. “En ik vraag me af wat die man hier nu zocht.”
Trees trok haar wenkbrauwen op, keek Geesje recht aan. “Maar als de man dak- en thuisloos is, denk ik dat ik wel weet wat hij hier zocht. Midden november wil je toch niet op straat slapen. Die man heeft onderdak gezocht.”
Geesje knikte langzaam. “Daar hebben wij ook aan gedacht. Maar hij spreekt een vreemde taal, die we op het bureau niet thuis konden brengen. We weten niet waar hij vandaan komt.”
Piet kuchte, zette zijn krant neer. “Een vreemde taal? Dan moet hij van ver komen. Misschien is hij verdwaald, misschien zoekt hij meer dan alleen een dak.”
Marijke, altijd scherp, voegde er zacht aan toe: “Of misschien zoekt hij gewoon warmte. Soms is dat al genoeg.”
Klaas schudde zijn hoofd. “Hoe dan ook, we gingen er niet van uit dat hij hier binnen is geweest. Er is niets vernield. Maar het blijft vreemd dat hij juist hier rondhing.”
De kring zweeg even. Het geroezemoes verstomde. Iedereen voelde dat dit niet zomaar een verhaal was. Het was een echo van de nacht, een schaduw die zich in hun eigen ruimte had genesteld.
Trees sloot haar agenda en zei zacht: “Misschien moeten we ons afvragen wat wij zouden doen, als wij midden november zonder dak stonden.”
Geesje liet haar telefoon zakken, de foto’s verdwenen in het donker van het scherm. “De wet is duidelijk,” zei ze. “Mensen die hier illegaal verblijven, zonder papieren, moeten over de grens gezet worden. Dat is niet altijd makkelijk, en niet iedereen is het ermee eens, maar het is niet anders.”
Klaas knikte, zijn blik strak. “Het is onze taak om dat uit te voeren. Maar ik vraag me af wat hij hier zocht, midden in de nacht.”
Trees keek hem aan, haar stem zacht maar beslist. “Hij zocht warmte. Midden november wil je niet op straat slapen. Misschien zocht hij gewoon een plek om even te rusten.”
Piet sloeg zijn krant dicht, zijn stem bromde door de ruimte. “De regels zijn er niet voor niets. Maar soms voelt het alsof ze harder zijn dan nodig.”
Als op dat moment Jannus terug komt van zijn bespreking, ziet hij vreemd op dat er twee agenten binnen zitten en het eerste wat hij kan zeggen is ”Wat is hier aan de hand?”Hij stelt zich voor en hoort het hele verhaal uitgebreid, kijkt hij de kring rond, zijn woorden nog nagalmend: “Welke kansen heeft deze man hier nog?” Het bleef stil. Het antwoord was een vraagteken, een leegte die niemand durfde te vullen.
Trees sloot haar agenda en zei zacht: “Een mens zoekt warmte. Dat is geen misdaad.”
Piet kuchte, zijn stem zwaar: “Maar de regels zijn er. En regels zijn soms harder dan wij willen.”
Marijke keek naar de kapotte lantaarnpaal buiten en fluisterde: “Zelfs het licht gaf het vannacht op. Misschien was dat een teken.”
Herman grijnsde wrang, maar zijn ogen stonden ernstig: “Je kunt iemand wakker toeteren, maar je kunt hem niet wakker houden voor wat hem wacht.”
De kring zweeg opnieuw. Het was alsof ieder zijn eigen oordeel had, maar niemand het laatste woord wilde nemen.
Buiten was het plein weer stil. De kapotte lantaarnpaal zweeg als getuige. En binnen, in de Lege Knip, bleef het verhaal hangen — niet afgerond, maar gedragen door de stemmen die het gehoord hadden.
Geef een reactie op Karel Reactie annuleren