
Sinds de schrijver van de Lege Knip-verhalen op bezoek was geweest, had er iets geritseld in het hoofd van Jannus. Niet meteen hoorbaar, maar voelbaar — alsof er een snaar was geraakt die lang stil had gelegen.
Hij begon te schrijven. Eerst aarzelend, in de marge van zijn dagboek. Dan wat steviger, op losse vellen die hij in de Lege Knip liet rondslingeren. Trees las ze als eerste, met haar leesbril op het puntje van haar neus. Piet bromde erover, Marijke knikte. En Herman zei: “Je hebt een pen, Jannus. Gebruik ‘m.”
Het ging niet over grote dingen. Het ging over mensen. Over de kringloopwinkel waar hij soms rondhing, niet om te kopen, maar om te kijken. Over de man die daar elke dinsdag een oude jas kwam passen, maar hem nooit meenam. Over de vrouw die haar servies kwam terugzien, dat ze ooit had moeten verkopen.
Jannus schreef over de sociale kant van spullen. Over hoe een kringloopwinkel niet alleen een plek is waar dingen een tweede leven krijgen, maar ook mensen.
Trees moedigde hem aan om eens iets naar het plaatselijke sufferdje te sturen. “Je weet maar nooit,” zei ze. “Misschien zoeken ze precies dit.”
En ze zochten het. Het eerste stuk viel op. Niet door bombarie, maar door toon. Het was eerlijk, warm, en zonder opsmuk. Het Dorpse Nieuws belde hem op. Of hij vaker wilde schrijven.
Zijn tweede stuk ging over de minderbedeelden die in de Lege Knip kwamen. Mensen die wekelijks naar de voedselbank gingen, omdat ze anders het einde van de week niet haalden. Mensen die afhankelijk waren van schuldhulpverlening, van gemeentelijke regelingen, van stille solidariteit.
Het artikel had impact. In het gemeentehuis werd erover gesproken. In de supermarkt werd het genoemd. En in de Lege Knip werd Jannus plots “onze schrijver.”
Hij was geen Bekende Nederlander. Maar wel een Bekende Dorpeling.
Ook in de gemeenteraad was het de raadsleden niet ontgaan. Het stuk van Jannus over de kringloopwinkel en de stille armoede had meer losgemaakt dan hij zelf had kunnen vermoeden.
De burgemeester — een goede kennis van Jannus, met wie hij ooit samen in het comité voor het dorpsfeest had gezeten — belde hem persoonlijk op. “Jannus,” zei hij, “ik wil je een dikke pluim geven. Je hebt iets geraakt. Niet alleen bij ons, maar bij het hele dorp.”
Jannus voelde een warme golf van trots, maar ook een steek van onzekerheid. Was het wel terecht? Klopte alles wat hij schreef? Had hij niemand tekortgedaan? Soms dacht hij: “Waar ben ik mee bezig? Ik ben toch geen schrijver.”
Maar de reacties bleven komen. Trees had zijn stuk uitgeprint en op het prikbord gehangen. Piet had het zelfs meegenomen naar de kapper. En Marijke had gezegd: “Je schrijft zoals je praat. En dat is precies goed.”
Een paar weken later ging de telefoon opnieuw. Dit keer was het een gemeenteraadslid van DorpsVisie. “Jannus,” klonk het, “we hebben je stuk gelezen. En we zouden graag eens met je praten. Misschien wil je bij de volgende verkiezingen wel op onze lijst staan.”
Jannus viel stil. Hij had nooit aan politiek gedacht. Hij schreef over mensen, over stoelen in de kringloop, over koffiekannen in de Lege Knip. Niet over moties, amendementen of stemrondes.
Maar het raadslid zei: “Juist daarom. Jij kent de mensen. Jij hoort wat er niet gezegd wordt. En dat is wat we nodig hebben.”
Jannus keek naar zijn pen, die nog op tafel lag. Hij dacht aan de man met de zwarte cape. Aan Trees die zei: “Een mens zoekt warmte.” Aan zijn eigen verleden, waarin hij zelf ooit zonder dak zat.
Misschien was hij geen schrijver. Maar misschien was hij ook niet alleen maar Jannus van der Leegte van de Lege Knip. Misschien was hij iemand die iets kon betekenen.
In het gesprek met Coby van de plaatselijke partij DorpsVisie ging het al snel over de onderwerpen waar Jannus over had geschreven. Coby vertelde uitgebreid welke visie haar partij daarop had, maar ze schoof er ook een stapel thema’s bij waar Jannus niet direct warm van werd.
“Mevrouw Coby,” begon Jannus, “er zijn zoveel zaken waar ik eerlijk gezegd geen idee van heb. En als ik soms gemeenteraadsverslagen in de krant lees, denk ik weleens: hebben die raadsleden er eigenlijk zelf wel verstand van?”
Coby trok haar wenkbrauwen op. Dat vond ze niet zo’n leuke opmerking. “Jannus, u moet ervan uitgaan dat raadsleden hun tijd steken in het werk voor de gemeenschap. En geloof me, dat kost heel veel tijd.”
Jannus knikte langzaam. “Dat kunt u zeggen, maar dat wil nog niet zeggen dat ze altijd het altijd bij juiste eind hebben. Soms beslissen ze over zaken waar de gemeenschap een heel andere mening over heeft. En dan denk ik: wie speelt hier eigenlijk de baas, de raad of het dorp?”
Er viel een korte stilte.
“Ja,” zei Coby, “maar we leven in een democratie. Een besluit wordt genomen bij meerderheid van stemmen.”
Jannus dacht even na, krabde achter zijn oor en zei: “Dat snap ik. Maar weet u, wat ik schrijf komt uit het hart, uit wat wij dagelijks meemaken. Verleden week had ik nog een gesprek met een ambtenaar over een vergunning. U wilt niet weten wat voor stapels papierwerk daar bij komen kijken. Het leek wel alsof ik een encyclopedie moest invullen om een schutting te mogen zetten.”
Hij lachte schamper. “En dat allemaal omdat er controle op controle wordt gehouden. Waarom? Omdat men elkaar niet vertrouwt. Als je het mij vraagt, is het gemeentehuis meer een doolhof dan een huis van vertrouwen.”
Coby glimlachte half, alsof ze niet wist of ze moest lachen of corrigeren. “Nou Jannus,” zei ze, “u heeft in elk geval genoeg stof om over te schrijven.”
“Mevrouw Coby,” begon Jannus, “wat ik schrijf — of wat een andere schrijver ook schrijft — dat is iets wat men kan lezen en er een oordeel over hebben. Het is niet verplichtend zoals besluiten in de raad. Gelukkig maar, want anders zou ik al lang uit het dorp verbannen zijn.”
Hij stopte even, keek naar zijn handen en vervolgde: “Een paar maanden geleden is er, als ik het goed heb, minstens een uur gesteggeld over twee straatnamen die veranderd moesten worden. Omdat de zeehelden van vroeger nu vergald worden, terwijl ze ons land ooit rijk hebben gemaakt. Het welles-nietes spatte ervan af. Ik dacht: als dát politiek is, dan is het meer een toneelstuk dan een raadsvergadering.”
Mevrouw Coby zag dat Jannus’ wangen rood kleurden. “Jannus, politiek is ook een spel dat soms gespeeld wordt,” zei ze met een glimlach.
“Dat snap ik heel goed,” antwoordde Jannus, “maar dat is precies wat het voor mij zo onbetrouwbaar maakt. Ik ben wars van spelletjes. In de Lege Knip ben ik nuchter en zakelijk: een stoel is een stoel, een koffiekan is een koffiekan. Maar in de politiek lijkt een stoel ineens een troon en een koffiekan een vat vol compromissen.”
Hij haalde zijn schouders op. “Daarom denk ik niet dat ik er geschikt voor ben. Soms zie ik dingen waar ik heel emotioneel van word, en dan ben ik bang dat ik midden in een raadsvergadering zou roepen: ‘Hou nou eens op met dat gedoe!’ Dat zou geen gezicht zijn.”
Coby glimlachte, half geamuseerd, half serieus. “Nou Jannus, misschien is dat juist wat de raad nodig heeft: iemand die durft te zeggen wat iedereen denkt.”
“En daarmee geeft u eigenlijk aan,” zei Jannus, “met wat voor niveau de gemeenteraad soms in de maag zit. Wij hebben heel goed contact met mevrouw de Burgemeester, en ik wil niet veel zeggen, maar ook zij heeft zo haar bedenkingen over de raad. Maar dat is even onder ons.”
Coby trok haar wenkbrauwen op, glimlachte beleefd en liet de opmerking voor wat hij was. Ze begreep dat ze haar best had gedaan om Jannus warm te maken voor de politiek, maar dat het geen kans van slagen zou worden.
“Beste Jannus,” zei ze, “ik begrijp uw ideeën en ik respecteer ze ook. Mocht het ooit zo zijn dat u het wél ziet zitten om iets voor de gemeenschap in de politiek te doen, dan bent u altijd welkom bij ons.”
Jannus stond op, schudde haar hand en nam afscheid. “Dank u wel, mevrouw Coby. Maar ik denk dat ik beter blijf bij koffie schenken en verhalen schrijven.”
Teruglopend naar de Lege Knip voelde hij de kou van november in zijn gezicht. Hij dacht aan het gesprek, aan de woorden van Coby, en glimlachte schuin. “Politiek,” mompelde hij, “dat zal hem niet worden. Ik ben al blij als ik de agenda van de Lege Knip kan bijhouden zonder dat er een motie van wantrouwen komt.”
Binnen, achter de ramen van de Lege Knip, brandde het warme licht. Daar wachtte de kring, daar lagen de verhalen. En Jannus wist: dáár lag zijn plek.
Jannus schoof zijn stoel naar achteren, zette zijn pet op tafel en keek de kring rond. “Nou,” begon hij, “ik heb vanmiddag met mevrouw Coby van DorpsVisie gesproken. Ze wilde me zowaar de politiek in praten.”
Trees keek op van haar agenda. “De politiek? Jij? Dat meen je niet.”
Piet bromde achter zijn krant. “Nou, dat zou wat zijn. Dan krijgen we eindelijk iemand die de raadsverslagen wél begrijpt.”
Marijke lachte schuin. “Of juist iemand die ze niet begrijpt, maar dat eerlijk toegeeft. Dat zou pas verfrissend zijn.”
Jannus haalde zijn schouders op. “Ze zei dat ik altijd welkom was bij hun partij. Maar ik heb haar verteld dat ik wars ben van spelletjes. In de Lege Knip is een stoel gewoon een stoel, maar in de raad wordt het ineens een troon.”
Herman sloeg met zijn hand op tafel. “Nou, als jij daar zou zitten, Jannus, dan zou ik eindelijk eens naar de raadsvergadering gaan. Alleen al om te zien hoe jij zegt: ‘Hou nou eens op met dat gedoe!’”
Trees glimlachte, maar haar stem was serieus. “Je hebt wel een punt, Jannus. Politiek kan afstandelijk zijn. Maar jij schrijft uit het hart, en dat raakt mensen. Misschien is dat juist wat ze missen.”
De kring werd even stil. Het geroezemoes verstomde, alsof iedereen nadacht over wat Trees zei.
Toen kuchte Piet en zei droog: “Ach, laat Jannus maar hier blijven. Als hij de politiek in gaat, moeten we straks entree betalen om hem te zien.”
Gelach brak los. De spanning was weg, maar de gedachte bleef hangen: Jannus, de schrijver van de Lege Knip, had misschien meer invloed dan hij zelf dacht.
Terwijl de lach nog nagalmde in de Lege Knip, voelde Jannus de pen in zijn borstzak prikken. Hij had de politiek afgewezen, maar hij had de kracht van zijn woorden erkend. Hij had geen moties of amendementen nodig om een verandering teweeg te brengen. Zijn invloed lag niet in de troon, maar in de verteltafel.
De volgende ochtend, toen hij zijn wekelijkse column voor het Dorpse Nieuws tikte, wist hij het zeker. Hij schreef niet over het stemgedrag van raadsleden, maar over de gebroken stoel in de kringloop die niemand wilde hebben, over de stilte van mensen die met lege handen in de Lege Knip kwamen. Hij liet de politiek het toneelstuk spelen; hij zou de waarheid fluisteren. Want in de Lege Knip, tussen de koffiedampen en de tweedehands spullen, werd de pen van Jannus het ongeschreven mandaat van het dorp. En dat, dacht hij met een tevreden glimlach, was veel meer waard dan welke zetel dan ook.
Geef een reactie op wzijlstra10 Reactie annuleren