Serie: Date 1

Het was niet fris meer, het was kou. Een scherpe, snijdende kou die je botten binnendrong en de adem in je longen deed prikken. Het stormde nog niet, maar de wind joeg met zulk venijn door de straten dat de natuur haar tanden leek te laten zien. Het zou er tegenaan kunnen zitten.
De weinige zielen die dit uur trotseerden, waren in gevecht met de elementen. Fietsers krompen ineen achter hun stuur, de blik strak gericht op de bestemming. Maar achter de vochtige ruiten van het dorp was het al bedrijvigheid.
Om zeven uur stond de supermarkt al te gapen, de automatische deuren zuchtten bij elke klant. Maar het waren vooral de mensen in blauwe uniformen die hier de baas waren. Met rinkelende karren schoven ze de nieuwe voorraden in de vakken; het onvermijdelijke vroege geluid van de handel. Want straks, als de klanten kwamen, moest alles glanzen. Niemand zit te wachten op personeel dat in de weg loopt, maar op dit uur ontkwamen ze er niet aan.
Ook de slager, de groenteboer en de bakker stonden dan al uren in de geur van hun verse waar, met rode handen en ingeslagen kielen. De dag begon voor hen niet om half negen, maar zodra het licht in de werkplaats aanflitste.
Tegen negenen waren de straten leeg. De meesten waren aan het werk. De rest — de mensen zonder vaste agenda, de gepensioneerden die de strijd al gestreden hadden — lag vermoedelijk nog warm in bed. Zij draaiden zich om, terwijl de wind de eerste herfstbladeren tegen het raam tikte.
Even voor negen uur parkeerde Trees haar fiets en trotseerde de laatste rukwind naar de voordeur. De koude morgen had de moedigste vroege vogels al naar binnen gejaagd, maar nu was het haar beurt om de dag te starten.
Zodra ze stilhield voor de deur van de Lege Knip, aarzelde ze even. De voorzichtige routine. Binnen brandden slechts een paar gedempte lampjes, die lange, onrustige schaduwen over de berg meubels en rekken wierpen. Sinds de ongrijpbare man met de zwarte cape hier was gesignaleerd, nam Trees altijd een extra moment om door het glas de stilte te overzien. Was alles op zijn plek? Pas toen ze zeker wist dat er niets bewoog, ontgrendelde ze de deur en schakelde met een zacht piep-piep het alarmsysteem uit.
De opluchting was onmiddellijk en zintuiglijk. Jannus had de verwarming de avond ervoor een tikkeltje hoger gezet, en de warmte sloeg haar tegemoet als een zachte, welkome deken. Het was de vertrouwde geur van stof, oude boeken en koffiedrab — de geur van de Lege Knip. Ze sloot de deur snel, de kou buitensluitend, en haalde diep adem. Vanaf nu kon de dag echt beginnen. De rust en de warmte waren een belofte: het dorpsleven mocht dan guur zijn, in hun kringloopwinkel was altijd een plek van geborgenheid.
Een kwartier na negen kwam de onvermijdelijke conclusie: de kring was niet compleet. Iedereen was er – Piet, Marijke, Herman – behalve Jannus. Trees keek naar de lege plek waar zijn jas hoorde te hangen. De herinnering aan vorige week, toen hij na een beroerde nacht luidruchtig zijn bed uit was ‘geblazen’, hing nog in de lucht.
Trees pakte haar telefoon. Een kort bericht: “Waar hang je uit, schrijver?”
Het antwoord kwam direct, met de snelheid van een koude tocht: ‘Wordt wat later. Een klein beetje stormschade achter huis.’ Stormschade. Trees fronste, maar gaf geen commentaar. Een typisch Jannus-excuus, dacht ze, alsof hij een dakpan had moeten herleggen.
Zonder op hem te wachten, pakte het viertal de bezems en stofzuigers. Dit was hun ochtendritueel: een uur lang de rommel van gisteren in het gareel krijgen. Marijke nam de glazen vitrines, Piet ging brommend met de zware stofzuiger de looppaden langs, en Herman sorteerde de binnengekomen dozen. Met hun vieren, en Trees als stille regisseur, veranderde de chaos van de Lege Knip binnen het uur in een toonbare winkel. De warmte was nu door de hele zaak getrokken, en de rust was teruggekeerd.
Precies op dat moment, met een ruk aan de deur die het effect van de storm buiten bijna evenaarde, viel Jannus binnen. Zijn wangen waren rood, zijn haar stond alle kanten op.
“Zo,” zei hij, zijn handen over elkaar wrijvend. “Dat was me het ochtendje wel. Ik sta op de stoep en het is…”
Trees had de koffiekan al van het vuur gehaald en een volle mok voor zijn neus gezet. “Hier,” sneed ze hem af. “Hier moet je op gerekend hebben. Met of zonder stormschade.”
Jannus zuchtte, pakte de mok met beide handen en liet zich kreunend op zijn vaste stoel vallen. De stoom verwarmde zijn gezicht. Hij keek naar de glimmende vloeren en de strakke schappen. Ze hadden alles al gedaan. Trees had gelijk. “Je hebt een punt, Trees,” zei hij, terwijl hij de koffie proefde. “Soms moet je een ander ook gewoon eens wat gunnen.” Een mok hete koffie en een schone winkel, dat was precies wat hij op dat moment gegund kreeg door de stille solidariteit van de kring.
Het moet omstreeks half twaalf zijn geweest toen een auto op het parkeerterrein stopte die zo glimmend en groot was, dat hij bijna vloekte bij de bescheiden gevel van de Lege Knip. Een imposante man en een jonge vrouw stapten uit. Trees, altijd de attente gastvrouw, liep meteen op hen af.
“Goedemorgen,” zei ze, met haar meest gastvrije glimlach. “Kijkt u rustig rond of heeft u een specifieke vraag? Dan hoor ik het graag.”
“Lopen we eerst maar eens overal langs,” antwoordde de man, met een stem die gewend was gehoord te worden. Hij knikte naar de vrouw. “Kijk maar of je iets tegenkomt wat je ook kunt gebruiken.”
Terwijl het tweetal verdween tussen de meubelrekken en de stapels boeken, zocht Trees de blik van Jannus op, die achter de toonbank stond. Ze boog zich voorover en fluisterde, haar ogen nog op het tweetal gericht. “Zou dat een stelletje zijn? Zij is toch veel jonger dan hij, Jannus?”
Jannus hief zijn blik niet op van de artikellijst die hij aan het invoeren was. “Trees,” zei hij met zijn gebruikelijke nuchtere directheid. “Dat moet je niet aan mij vragen. Ken ik ze? Nee. Vraag het ze zelf, Trees. Als je zo geïnteresseerd bent.”
Trees verstijfde. Haar wangen begonnen onmiddellijk te gloeien door de onbedoelde plaagstoot. Herman, die net een paar stoelen aan het stapelen was, zag de plotselinge blos. Hij kwam grijnzend dichterbij. “En waarom kleur jij zo, Trees?”
Voordat ze kon antwoorden, kwam de jonge vrouw al teruggelopen. Ze negeerde de kleine kring en richtte zich tot hen. “Meneer,” vroeg ze aan Herman, “hebben jullie toevallig nog een goed werkende wasmachine én een droger staan? Die van mij heeft het begeven.”
Herman, altijd behulpzaam, knikte. “Ik weet dat er nog een combinatie moet staan, ja. Loopt u maar even mee, ik laat het u zien.”
De jonge dame volgde Herman. De man bleef achter en liep nu naar Jannus en Trees. Hij glimlachte verlegen en doorbrak daarmee plotseling de schijn van afstand. “Kunnen jullie haar helpen?” zei hij, zijn stem zachter nu. “Het is mijn dochter, en ze heeft het financieel niet breed. Vandaar dat we hier zijn binnengestapt.”
Trees, nog steeds rood, voelde zich dubbel zo schuldig. De glimmende auto en het uiterlijk hadden haar op het verkeerde been gezet. Jannus, daarentegen, knikte kalm. Dit was precies het soort verhaal waar hij over schreef. “Natuurlijk, meneer,” zei Jannus, met een zachte blik op Trees. “Daar zijn we voor.”
Niet veel later kwamen Herman en de jonge dame teruggelopen. De man bleef staan wachten. Herman wreef met een poetsdoek over zijn handen. “Er staat inderdaad een combinatie,” zei hij. “Maar die moet nagezien worden. Hij maakt een gek geluid bij het centrifugeren.”
Jannus leunde over de toonbank. “Lukt het jou, Herman, of moet hij echt voor reparatie weg?”
“Nee, dat denk ik wel dat het mij lukt,” antwoordde Herman met de zelfverzekerdheid van een man die meer verstand had van machines dan van ambtelijke regels.
Trees, inmiddels volledig bekomen van haar eerdere blos, nam de zakelijke leiding. “Meneer,” zei ze, zich tot de vader richtend. “Als u mij uw gegevens doorgeeft, kunnen wij u bellen zodra de machine weer perfect werkt. De prijs staat er al op, maar daar komen de eventuele reparatiekosten nog wel overheen. Maar dan heeft ze denk ik een hele goede deal.”
De man stak zijn hand in de binnenzak van zijn colbert – een gebaar dat deed vermoeden dat hij vaker visitekaartjes uitdeelde dan hij tweedehands witgoed kocht – en overhandigde Trees een glanzend kaartje.
Trees las de naam hardop voor ze het kaartje wegborg. “Dank u wel, meneer De Groot.”
De man en zijn dochter namen afscheid, en meneer De Groot knikte nog een keer: “Dan horen wij van u.” De glimmende auto verdween met een zacht geronk, maar liet in de Lege Knip een nieuw verhaal achter.
Jannus keek naar Trees en tikte op zijn voorhoofd. “Zo zie je maar weer, Trees. De Knip oordeelt niet op basis van een dure jas. Het gaat om wat eronder zit.”
De volgende dag, kort na de lunch, kwam Herman met een tevreden blik de Lege Knip in gewandeld. “Die combinatie is nagezien,” zei hij. “Werkt weer perfect. Een paar simpele rubber ringetjes vervangen. Dat was het enigste euvel: hij lekte en die mensen dachten meteen dat ze een nieuwe moesten kopen. Zo is hij hier beland.”
Trees had het visitekaartje van meneer De Groot angstvallig in haar jaszak bewaard, alsof het een staatsgeheim was. Jannus had het gezien – hoe ze het haast stiekem wegmoffelde – en dat was hem opgevallen, want zúlke heimelijkheid kende hij niet van de openhartige Trees. Hij zei niets, maar zijn ogen waren sprekend.
Diezelfde middag pakte Trees de telefoon en draaide het nummer.
“Goedemiddag, u spreekt met Harrie de Groot,” klonk een formele, afstandelijke stem aan de andere kant.
“Dag meneer De Groot, u spreekt met Trees van de Lege Knip. U bent hier gisteren met uw dochter geweest voor die wasdroger combinatie. Hij is gerepareerd en kan dus opgehaald worden.”
Aan de andere kant bleef het even ongewoon stil.
“Bent u er nog?” vroeg Trees, haar stem een fractie scherper.
“Ja, ja,” zei Harrie de Groot, alsof hij wakker schrok. “Ik zit even te denken. Tot hoe laat zijn jullie aanwezig?”
Trees vertelde hem dat de winkel doordeweeks om zes uur sloot. De Groot vroeg daarop of hij de machine misschien na sluitingstijd kon komen ophalen, omstreeks acht uur.
Voor Trees was dat geen probleem, maar ze vroeg bezorgd: “Kunt u hem wel alleen tillen?” De Groot verzekerde haar dat hij zou proberen een hulp mee te krijgen, en ze spraken de latere tijd af.
Toen Trees de afspraak aan haar collega’s doorgaf, met de instructie dat Herman en Jannus de combinatie al om zes uur bij de deur moesten zetten zodat hij zo in de auto kon, keek Jannus haar bedenkelijk aan. Een afspraak buiten de reguliere uren, zo snel mogelijk en zo makkelijk mogelijk gemaakt. Trees week van haar vaste routine af, en dat deed ze nooit.
Om kwart voor zes was de laatste klant vertrokken. Trees, die ongewoon gehaast leek, had haar tas gepakt en was naar huis gegaan. Jannus had de instructie van Trees uitgevoerd en samen met Herman de zware was-droogcombinatie met een zucht en een steun bij de deur gezet. Het apparaat stond te wachten als een stille getuige van de ongebruikelijke afspraak.
Jannus stond nog steeds in de schaduw van de eik, de kou negerend. Om kwart voor acht zag hij plotseling beweging bij de Lege Knip. Het was Trees. Ze kwam aangelopen met haar schouders opgetrokken tegen de wind, gebruikte haar eigen sleutel, ging snel naar binnen en liet de lichten in de voorruimte aan. Ze bleef bij de deur staan, naast de zware was-droogcombinatie, zichtbaar wachtend.
Jannus voelde de spanning toenemen. Trees was naar huis gaan, of in elk geval een flink deel van haar avond ingeleverd voor deze ene klant.
Precies om acht uur arriveerde de donkere bestelwagen. Harrie de Groot stapte alleen uit. De ‘hulp’ was nergens te bekennen. De Groot liep naar de deur en Trees deed onmiddellijk open. Er was geen gedoe met kloppen of bellen; het leek alsof ze contact hadden gehad.
Toen begon de zware klus. Trees en Harrie de Groot tilden samen de machine van de drempel, schuifelend over de stoep naar de laadklep van de bestelwagen. Jannus, die wist hoe zwaar het apparaat was, zag hun lichamen zich inspannen. Trees’ kaken stonden strak gespannen van de inspanning en De Groot klemde zijn tanden op elkaar. Het was duidelijk een te zware klus voor twee, maar ze deden het in de schaduw en in de stilte, alsof het een geheim was dat niemand mocht zien.
Na een korte, zware schuif was de combinatie in de laadruimte. De Groot haalde direct zijn portemonnee tevoorschijn – contant, zag Jannus – en gaf Trees het geld. Er was geen ruimte voor smalltalk; het was een snelle, discrete transactie. Trees nam het geld aan en knikte kort. De Groot sloot de achterklep.
Maar toen, in plaats van in te stappen en te vertrekken, bleven ze staan.
Trees en Harrie de Groot stonden wel vijf minuten samen in het schijnsel van de straatlantaarn. De Groot sprak zacht, Trees luisterde, af en toe knikkend of de schouders ophalend. Jannus, die al die tijd zijn adem had ingehouden, voelde de frustratie van de afstand. Wat werd daar gezegd? Wat was zo belangrijk dat het in de nachtelijke kou besproken moest worden?
En toen gebeurde het meest onverwachte. Harrie de Groot gebaarde naar de deur van de Lege Knip. Trees haalde haar sleutels weer tevoorschijn en ontgrendelde de deur. Het tweetal stapte samen de gesloten, donkere winkel in, alsof ze daar nog iets cruciaals te regelen hadden dat het daglicht niet kon verdragen. De deur viel met een zachte klik achter hen dicht.
Jannus voelde zijn bloed koken. Een late afspraak, het geheimzinnige gefluister, het tillen… en nu dit. Dit ging alle perken te buiten. Trees, zijn nuchtere, betrouwbare Trees, in een afgesloten winkel met een vreemde man in het holst van de avond.
Dit was Jannus helemaal te veel. Hij was geen stille observator meer. Hij stapte uit de schaduw van de eik, vastbesloten. Wat er ook in de Lege Knip gebeurde, dit betrof hem, en hij moest de waarheid weten.
De vastberadenheid waarmee Jannus uit de schaduwen was gestapt, veranderde in bevriezing toen hij de dichte deur bereikte. Hij hield zijn hand op de koude klink en voelde de aarzeling. Lef. Het ontbrak hem. Wat moest hij zeggen? Wat hij ook dacht, de kans was groot dat hij het verkeerd had, en hij wilde Trees niet voor het hoofd stoten.
Hij deed een stap achteruit en zocht opnieuw de beschutting van de duisternis op. De koude schaduw van de eik leek nu veiliger. Daar bleef hij wachten, zijn blik strak op de voordeur gericht.
De minuten kropen tergend langzaam voorbij. Eindelijk, na wat een eeuwigheid leek, ging de deur weer open. Eerst kwam Harrie de Groot naar buiten, gevolgd door Trees. Ze leken niet verward, maar rustig en serieus. Ze namen afscheid met een korte handdruk. De Groot stapte in de bestelwagen en reed weg.
Trees bleef niet staan. Ze deed de deur van de Lege Knip voor de tweede keer op slot, controleerde de klink en stapte op haar fiets. Met een paar krachtige trappen was ze verdwenen in de duisternis van de woonwijk, haar geheim met zich meedragend.
Daar stond Jannus, alleen op de parkeerplaats. De stilte na de motorgeluiden was oorverdovend en de kou sneed in zijn gezicht. Wat was er in die vijf minuten, en in die minuut binnen, besproken? De combinatie van de late uren, de leugen over de helper en de geheimzinnige intimiteit van die dichte deur liet hem achter met een knagend gevoel. Hij wist niet wat hem meer dreef: pure nieuwsgierigheid of oprechte bezorgdheid om Trees?
De volgende morgen om negen uur was iedereen weer op zijn vaste stek in de Lege Knip. De koffie pruttelde, de stofzuiger stond uit en de dagelijkse taken waren hervat. Piet en Herman praatten hardop over de reparatiekosten van de was-droogcombinatie, maar tussen Jannus en Trees hing een onuitgesproken, verstikkende spanning. De atmosfeer was toch even anders dan gewoonlijk.
Jannus keek naar Trees, die met ongewone concentratie de dagopbrengst van gisteren sorteerde. Hij zocht naar een teken, een verandering in haar ogen, iets dat haar geheim zou verraden. Hoe kon hij het ter sprake brengen zonder haar te kwetsen?
Trees voelde zijn blik als een gloeiende plek op haar nek. Ze hield haar ogen strak op het geld in haar hand, maar de realiteit was: ze wist precies wat er speelde.
Gisteravond, toen ze de deur voor de tweede keer op slot draaide en wegliep, had ze heel even in de schijn van de herstelde straatlantaarn gekeken. En daar, bij de grote eik, had ze de schim van Jannus gezien, de man die nooit overwerkte, die zich nu in de kou verborg. Ze had hem niet hardop genoemd, niet geconfronteerd, maar ze had hem gezien.
Wat had ze gedacht?
Ze had niet gedacht dat hij haar wantrouwde, maar dat hij vooral nieuwsgierig en bezorgd was, en dat hij nog steeds dacht dat hij alles kon begrijpen door alleen maar toe te kijken. Ze had een glimlach op haar mond gevoeld, kort en bitterzoet. Ze dacht: ‘Zo, mijnheer de schrijver. Je schrijft over de verborgen armoede en de stille solidariteit, maar je hebt nog steeds niet begrepen dat sommige dingen gewoon in het donker geregeld moeten worden. En dat jij, mijnheer de observator, ook niet alles mag weten, of durft te vragen.’
Ze tilde haar blik op, recht in Jannus’s vragende ogen. Ze gaf geen antwoord op zijn onuitgesproken vraag. Ze gaf hem slechts een korte, onpeilbare blik, en zei toen hardop, de stilte doorbrekend:
“Zo. Klaar met dromen, Jannus? Er staat een man op de stoep met vijf dozen oude borden. Kom je helpen lossen?” De routine was haar schild.
Jannus had de kans om de confrontatie aan te gaan afgewezen en pakte nu de dozen met borden aan die de man had gebracht. De routine was hun wapen. Terwijl hij de eerste doos op de toonbank zette, kon hij zich niet langer inhouden. Hij liet de borden staan en keek Trees aan, zijn stem zacht, zoekend naar een brug.
“Is het goed gegaan met de combinatie?” vroeg Jannus. Een veilige, zakelijke vraag.
Trees keek op. Haar ogen waren niet boos, maar volkomen vastberaden. Ze leek hem te doorzien, van zijn bezorgdheid tot zijn nieuwsgierigheid. “Ja hoor,” antwoordde ze, met een korte, kille glimlach. “Het tillen was even zwaar, maar het gesprek met meneer De Groot was ook heel goed. Volgende week zie ik hem weer, en je hoeft me niet te vragen waarom.”
Dat was het. Een duidelijker antwoord kon hij niet krijgen. Het was geen geheim meer, het was een grens. Trees, die hem altijd had aangemoedigd zijn pen te gebruiken, vertelde hem nu in feite dat sommige verhalen ongeschreven moesten blijven, zeker die van haar. Zij deelde dit deel van haar leven – deze nieuwe, persoonlijke vorm van hulp en het stilzwijgen – niet met hem.
Jannus knikte langzaam. Hij begreep het. Hij was de schrijver van de Lege Knip, maar zij was de ziel. En de ziel kende geheimen die de pen niet kon onthullen. Hij pakte de doos met borden weer op en liep naar achteren, de stilte van zijn acceptatie zwaarder dan het gewicht in zijn armen.
Dit was de nieuwe werkelijkheid in de Lege Knip: de schijnbaar alledaagse transacties die in het donker plaatsvonden, en de onuitgesproken afspraak tussen Jannus en Trees. Hij had een nieuw verhaal gevonden, maar deze keer lag de invloed niet in het schrijven, maar in het respecteren van de stilte. Zijn blik op de wereld was opnieuw verdiept, en dat was misschien wel waardevoller dan duizend gedrukte woorden.
Zie het vervolg morgen
Geef een reactie op Karel Reactie annuleren