Serie: Date 2

Wat kon er toch snel een barst komen in de ooit zo gemoedelijke sfeer van de Lege Knip. Harrie de Groot – die blijkbaar knappe, gesoigneerde man die voor zijn dochter een wascombinatie kwam halen en vervolgens ’s avonds, in het holst van de nacht, met Trees in gesprek raakte – had Jannus volledig van zijn stuk gebracht. Het had hem al niet aangestaan dat die wildvreemde man in het donker zomaar iets af kwam halen. En waarom moest Trees hem helpen? Had Jannus dat dan niet even goed gekund? Beter zelfs, met zijn spierballen die dagelijks kasten tilden!
En nu, als gevolg van zijn domme opmerkingen en die stekende, ongepaste bezorgdheid, was Trees prikkelbaar naar hem geworden. Haar blikken waren koel, haar antwoorden kort. Het interne zelfbeklag vrat aan Jannus als een boormot aan oud hout. “Wat heb ik in godsnaam fout gedaan?” mompelde hij in zijn baard, zijn eigen gedachten nauwelijks verdragend. “Ben ik zo’n bemoeial, zo bezorgd? Of… of ben ik gewoon een ouwe zielepoot die stiekem jaloers is?” De laatste gedachte deed hem even kokhalzen van afschuw en een vleugje hilariteit over zijn eigen absurditeit. Jaloers? Hij?
Heel lang geleden hadden ze het samen al eens gehad over “de liefde”, over ieders verleden en het verraderlijke pad van relaties die niet altijd uitkwamen. Ze hadden gesproken over de behoefte om weer verliefd te worden, over de warmte van een arm om je heen. Maar er was nooit, echt nooit, gesproken over gevoelens jegens elkaar. Jannus en Trees waren altijd de beste collega’s geweest, een onwrikbaar duo in de Lege Knip, en daar kwam niemand tussen. Meer was het nooit geweest. Punt. Einde verhaal. Dacht hij.
En nu had Trees hem recht in het gezicht gezegd, met die ijzige glimlach, “en volgende week zie ik hem weer.” Het was geen mededeling, het was een verklaring. Een deur die met een harde klap voor zijn neus werd dichtgeslagen, terwijl hij daar met zijn ziel onder zijn arm stond, zijn gevoelens te pijnlijk om te benoemen, zelfs voor zichzelf. Het voelde alsof er niet alleen een barst in de gemoedelijkheid zat, maar ook in iets veel diepers, iets wat hij niet durfde te erkennen.
Trees voelde de spanning natuurlijk ook wel. Ze was niet blind voor de gespannen lijnen rond Jannus’s mond of de onzekerheid in zijn ogen. Ze wist echter ook dat dit tijdelijk was. Op een dag zou de spanning zó dik zijn dat een van hen het wel moest uitspreken en dan zou het weer goedkomen. Tot die tijd had Trees er echter een ondeugend pleziertje in om de boel eens flink op scherp te zetten. Na jaren van Jannus’ nuchtere, soms wat belerende, superioriteit, was het heerlijk om de rollen om te draaien en hem een beetje te prikkelen met haar eigen geheim.
Het leed van hun twee bleef niet onopgemerkt in de Kring. Ook Peter, Josephine, en de anderen vernamen wel dat er ‘wat aan de knikker’ was. De gebruikelijke, gezellige chaos van de Lege Knip had plaatsgemaakt voor een gespannen stilte die vooral door Jannus werd veroorzaakt.
Herman, de meest directe en nuchtere van het stel, kon het niet langer aanzien. Hij stopte midden in het schrobben van een oude tafel. “Zeg, Jannus,” begon hij, zijn stem even grof als het schuurpapier dat hij vasthield. “Wat ben jij stil de laatste tijd. Je vertelt niet zoveel meer, en ik zie je niet meer lachen. Ben je ziek of zo? Een griepje?”
Jannus reageerde wel, maar zijn antwoord klonk hol en afstandelijk, alsof hij een toneelstukje speelde voor een publiek dat hem toch niet verstond. Hij haalde zijn schouders op en staarde naar een scheur in de vloer. “Ik zit niet goed in mijn vel, denk ik,” mompelde hij.
Niet goed in zijn vel. Terwijl Herman het zag als een kwestie van vitamines of slecht weer, wisten Jannus en Trees dat het ging over een man in een dure auto, een wasmachine in de nacht, en het plotselinge, panische besef van Jannus dat hun veilige, ongeschreven vriendschap weleens iets veel ingewikkelder had kunnen zijn, vermomd als collegialiteit.
De spanning was zó voelbaar dat zelfs de altijd bezige Josephine, die zelden stilstond bij iets anders dan de sorteerbakken, zich ermee bemoeide.
Ze schuifelde naar Trees, die de kast met porselein aan het herschikken was, en sprak haar aan met de vertrouwde bijnaam.
“Zeg Trees,” fluisterde Zuster Josephine, met haar hoofd schuin en een bezorgde frons. “Wat scheelt er toch met Jannus? Hij is zo stil, zo somber. Hij kijkt alsof hij zijn pen kwijt is.”
Trees hield een teer kopje tegen het licht, inspecteerde de rand en haalde nonchalant de schouders op.
“Ach, Josh,” zei ze, haar stem zoet maar strak. “Ik denk dat Jannus gewoon een beetje met zichzelf in de knoei zit. En weet je, dat is net als dat je de griep krijgt. Dat gaat ook wel weer over.”
Die opmerking sloeg de spijker op zijn kop én was de ultieme uitdaging. Trees wist dat dit geen gewone ‘griep’ was; het was een acute emotionele koortsaanval, veroorzaakt door het besef van hun onuitgesproken band. Door het zo laconiek af te wimpelen, maakte ze duidelijk: dit is iets wat Jannus zelf moet uitzweten. Ze zou hem niet helpen genezen zolang hij de ziekte niet wilde erkennen. De bal lag nu bij hem.
Zaterdagmiddag, tegen sluitingstijd, was de Lege Knip stil. Op Trees en Jannus na, waren ze allemaal al weg. Ze stonden samen achter de toonbank voor het wekelijkse ritueel: de kas opmaken, het geld klaarmaken voor de bank. De vertrouwde intimiteit van de gezamenlijke taak.
Trees had de telrol neergelegd, haar wenkbrauwen gefronst. De professionele routine keerde even terug. “Jannus,” zei ze. “We komen €12,50 tekort in de kas. Weet jij of er iets uitgegaan is zonder briefje?”
Jannus keek haar aan, het was even een verademing om zich weer op de feiten te kunnen richten. “Trees,” zei hij, “ik denk dat ik het weet. Piet heeft gisteren bij de supermarkt een boodschap gedaan. Als daar geen bonnetje van is, kan dat het zijn.”
Trees keek de briefjes na. “Goed van jou, Jannus, dat moet het geweest zijn.” De crisis was bezworen.
Samen liepen ze naar de deur om af te sluiten. Bij de drempel, waar de grens tussen werk en privé lag, draaide Trees zich om met een geniepige, ondeugende glinstering in haar ogen. De uitdaging was nog niet voorbij.
“En Jannus,” vroeg ze zacht, “heb jij nog plannen dit weekend?”
Jannus wist even niet wat hij zeggen moest. Ze was weer geïnteresseerd in zijn gewone leven. “Ik denk dat ik met dit weer lekker thuis blijf,” zei hij, haast verdedigend. “Klusjes, en mijn LP’s sorteren. Misschien vanavond nog even naar de kroeg daar om de hoek.” Hij haalde diep adem. Het was nu of nooit. De koude klink van de deur fungeerde als een laatste steunpunt. “En heb jij nog plannen?”
Trees begon te stralen, haar gezicht gloeide op in het schemerlicht. “Jannus,” zei ze, haar stem vol anticipatie. “Morgen heb ik een ontmoeting met Harrie, de man van de wasmachine, weet je nog?”
Jannus begon bijna te stotteren. De naam was een breekpunt. “Ja, dat weet ik! En vergeet dat ook niet… Trees, ik was echt ongerust, maar ik wist niet wat ik ermee aan moest, sorry.” Zijn ogen zochten de hare, vol spijt en kwetsbaarheid. “Het is ook jouw leven, en daar heb ik ondanks onze goede samenwerking geen recht op om te oordelen.” Hij keek naar zijn voeten en sprak de pijnlijkste, maar meest bevrijdende woorden uit. “Ik kreeg zelfs even het idee dat ik jaloers werd.”
Trees lachte nu hardop, een warm, verlichtend geluid dat de laatste restjes spanning uit de Lege Knip wegvaagde. “Zo ken ik je weer, Jannus,” zei ze, haar lach werd een zachte glimlach. Ze stapte naar hem toe en trok hem in een warme omhelzing. “En je weet,” fluisterde ze dicht bij zijn oor. “Ik houd wel een beetje van je.”
Terwijl ze hem losliet, keek ze hem recht in de ogen, de belofte van hun onwrikbare vriendschap hersteld, met een nieuwe, erkende laag van genegenheid. “Prettig weekend, Jannus.”
De deur viel in het slot. Jannus bleef even staan, de warmte van de omhelzing nog voelbaar. Hij was niet verliefd, hij was niet jaloers. Hij was gewoon geliefd. En dat gaf een prachtig nieuw gevoel.
Zie het vervolg morgen
Plaats een reactie