
De kachel knetterde zacht in de hoek van de Lege Knip. Buiten was het guur, binnen hing de geur van koffie, natte jassen en een vleugje kaneel van de appeltaart die Trees had meegenomen. De vergadering over de gemeentelijke uitbreidingsplannen was net afgerond, en de sfeer was gespannen maar niet vijandig. Jannus had zijn cowboyhoed op de vensterbank gelegd, alsof hij even afstand nam van zijn rol als dorpsstem.
Trees bleef zitten, haar handen om een lauwe mok. Ze keek naar de kaars op tafel, die iemand achteloos had aangestoken. “Zondag is het Wereldlichtjesdag, een bijzondere dag die ieder jaar op de tweede zondag in december gevierd wordt” zei ze ineens, haar stem zachter dan normaal.
Piet knikte traag. “Ja, ik heb er weleens iets over gelezen. Dat is… een heel mooi gebaar, vind ik.”
Jannus nam een slok van zijn thee. “Wereldlichtjesdag. Klinkt zwaar, maar ook hoopvol. Waar gaat dat precies over, Trees?” Peter, die tot dan toe zwijgend in de hoek had gezeten, keek op. “Dat is die dag dat mensen kaarsen aansteken voor overleden kinderen, toch?”
Trees knikte. “Om zeven uur ’s avonds. Overal ter wereld. En omdat we in verschillende tijdzones leven, is het alsof er een lint van licht door de wereld trekt. Elk uur ergens anders.”
Zuster Justina, die net haar sjaal om wilde doen, liet hem zakken. “Ik wist niet dat het nog steeds gedaan werd. Ik herinner me dat het ooit in Amerika begon.”
“1997,” zei Meneer van Aalst, zonder op te kijken. “Ik heb het opgezocht. Het heet daar ‘Worldwide Candle Lighting’. Maar hier in het dorp doen we er eigenlijk nooit iets mee.”
“Misschien moeten we dat wel,” zei Trees. “Niet groots. Maar gewoon… een paar kaarsen op het plein. Voor wie wil. Voor wie mist.”
Karel knikte langzaam. “Ik zou komen. Voor mijn dochter. En voor anderen.”
Er ontstond een zacht geroezemoes. Namen werden niet genoemd, maar gezichten werden zachter. De ruimte leek even uit te zetten, alsof het verdriet van velen zich voorzichtig liet zien, zonder te schreeuwen.
“Dan doen we dat,” zei Trees. “Zondagavond. Zeven uur. Wie wil, komt. En wie niet wil, weet dat het er is.”
Jannus stond op, zette zijn hoed weer op en keek naar de kaars. “De wereld wordt zo even letterlijk wat lichter,” mompelde hij. “En dat is soms genoeg.”
Geef een reactie op wzijlstra10 Reactie annuleren