
De avond viel als een zachte deken over het dorp, maar voor Jannus was de stilte deze keer anders. Toen hij de drempel van zijn woning overstapte, voelde hij een zeldzame, bijna ongebruikelijke rust in zijn hoofd. Normaal gesproken bleven de zorgen van De Lege Knip — de kapotte verwarming, de stapels ongesorteerde kleding of de financiële kopzorgen — als onzichtbare passagiers aan hem kleven. Maar vandaag niet.
Het was een van de stilste dagen van het jaar geweest. De oude school had geademd in een ritme van kalmte; zelfs de vrijwilligers hadden ze vandaag een dagje rust kunnen gunnen. De weinige klanten die er waren geweest, kwamen voor de verstilling, niet voor de haast. Het gaf Jannus het gevoel dat hij voor het eerst in tijden echt ‘klaar’ was.
Zijn vaste ritueel begon. Hij pakte de plaatselijke krant van de mat en nestelde zich in zijn stoel. Tegen de logica in begon hij altijd achteraan te lezen, van de familieberichten en de kleine advertenties langzaam terug naar het grote nieuws op de voorpagina. Het was zijn manier om de wereld te verkennen: van de persoonlijke verhalen van de mensen in het dorp naar de grote gebeurtenissen daarbuiten.
Zijn blik gleed even naar de hal. Daar stond het kerststukje dat hij eerder die middag had opgehaald. De bloemist had prachtig werk afgeleverd; de hulst, de glimmende bessen en de kaars waren met zorg ingepakt in knisperend cellofaan, klaar om straks mee te gaan. Geen gedoe, geen gehaast. Het stond daar te wachten als een symbool van zijn nieuwe weg.
Het ritmische getik van de klok in de keuken markeerde de laatste minuten van zijn oude, vertrouwde eenzaamheid. Jannus keek op de wijzerplaat; over een uur zou Gerda voor de deur staan. Het was tijd.
Boven, in de beslagen spiegel van de badkamer, zag hij een man die hij in geen jaren echt had bekeken. Het warme water van de douche spoelde het laatste stof van De Lege Knip van zijn schouders. Terwijl hij zich afdroogde, dacht hij aan de enorme stap die hij vandaag zette.
Hij haalde zijn ‘goede goed’ uit de kast: een keurig overhemd dat hij speciaal voor deze gelegenheid had gestreken en zijn nette uitgaanskleding die hij doorgaans alleen voor de meest plechtige momenten bewaarde. Terwijl hij de knoopjes van zijn manchet vastmaakte, merkte hij tot zijn eigen verbazing dat zijn handen niet trilden.
Voorheen zou hij tegen de muren zijn opgevlogen van de zenuwen; de gedachte aan een vol huis met vreemde gezichten zou genoeg zijn geweest om hem binnen te houden met de deur op slot.
Maar vandaag was het anders. De onrust had plaatsgemaakt voor een gezonde spanning, het soort kriebels dat je hebt voor een reis waar je eindelijk aan toe bent. Hij had zijn zaken in De Lege Knip op orde achtergelaten. Trees en hij hadden de deuren met een goed gevoel gesloten, de laatste kersttakken hadden hun weg naar een nieuw thuis gevonden, en Piet was veilig in zijn werkplaats. Er waren geen losse eindjes meer.
Eenmaal weer beneden, in de stilte van de woonkamer, wierp hij nog een blik op de krant van gisteren. De vertrouwde dorpsverhalen gaven hem een ankerpunt. Het bloemstuk van de bloemist stond op de gangtafel te wachten, de dieprode bessen glimmend onder het cellofaan.
Jannus ging op de rand van zijn stoel zitten, zijn rug recht in zijn nette jasje. Hij keek naar de oprit en wachtte op de koplampen van Gerda’s auto. Hij voelde zich niet langer de beheerder van andermans afgedankte spullen, maar een man die zijn eigen waarde had teruggevonden. De wereld buiten was groot en koud, maar de twintig kilometer die voor hem lagen, voelden niet langer als een hindernis, maar als de weg naar huis.
Hij legde de krant netjes op de stapel naast zijn stoel. De rust in zijn hoofd was bijna onwerkelijk. Geen lijstjes met wat er nog aan Lege Knip gerepareerd moest worden, geen zorgen over Piet of de nieuwe projecten voor januari. Dat kwam later wel. Vandaag was de dag waarop hij mocht ‘zijn’ in plaats van ‘doen’.
Hij keek op de klok. Over twintig minuten zou hij de deur achter zich dichttrekken als Gerda er was. Hij voelde de zachte spanning in zijn maag, maar het was geen angst. Het was de gezonde zenuwachtigheid van iemand die weet dat hij een belangrijke drempel overstapt.
Jannus stond op, liep naar de hal en streek even met zijn hand over het cellofaan van het bloemstuk. De geur van dennennaalden vulde de kleine ruimte. Hij was er klaar voor. De warme kerst waar Trees het over had gehad, wachtte op hem bij Gerda.
De rust in de woonkamer werd plotseling doorbroken door het vertrouwde geluid van een auto die de straat in draaide en vlak voor zijn raam stopte. Jannus keek op; de koplampen van Gerda’s auto wierpen een helder licht over het donkere wegdek. De zenuwen die hij eerder zo goed onder controle had, begonnen nu toch een klein beetje te borrelen.
Hij pakte het kerststukje voorzichtig op. De bloemist had het inderdaad zo stevig ingepakt dat hij het zonder risico op schoot kon houden. Hij controleerde nog één keer of de achterdeur op slot zat en of de lamp in de gang aan mocht blijven staan — een klein baken van licht voor als hij vannacht weer thuis zou komen.
Buiten was de lucht vlijmscherp en koud. Gerda liet het raampje zakken en een warme lach begroette hem. “Klaar voor, Jannus?” vroeg ze, terwijl ze naar het grote, witte pakket op zijn arm keek.
“Klaar,” zei hij dapper, terwijl hij de autodeur dichttrok en de warmte van de kachel hem tegemoet sloeg.
De rit naar haar dorp was ongeveer twintig kilometer. Voor Jannus, die zijn leven de laatste jaren vooral had doorgebracht tussen de muren van zijn huis en de oude school, voelde die afstand als een wereldreis.
Jannus luisterde aandachtig, terwijl de ruitenwissers af en toe een vlaagje motregen van de voorruit veegden. De namen van de broers en de zus, de anekdotes over neefjes die net aan hun studie waren begonnen en de kleinkinderen die ‘vast voor een hoop herrie zouden zorgen’, vormden een levendig web in zijn hoofd. Hij probeerde de namen te onthouden als de onderdelen van een ingewikkelde klok; hij wilde niemand door elkaar halen.
Het viel hem op hoe knap Gerda het deed. Ze praatte niet zomaar om de stilte te vullen, maar ze tekende een plattegrond voor hem.
“Mijn oudste broer Henk is nogal een verteller,” zei ze met een zijdelingse blik en een glimlach, “dus als je even niet weet wat je moet zeggen, hoef je alleen maar een vraag te stellen over zijn moestuin en hij houdt de rest van de avond de bank wel bezig.”
Ze vertelde ook dat haar zus, Marie-Louise, vorig jaar zelf voor het eerst een ‘nieuwe’ gast meebracht. “We zijn inmiddels wel wat gewend, Jannus. We zijn geen familie van stijve protocollen. Het is vooral veel eten, veel lachen en vooral heel veel door elkaar praten.”
Jannus voelde de spanning langzaam van zijn schouders glijden. De twintig kilometer provinciale weg werkten als een sluis; hij liet het stof van de Lege Knip en de eenzaamheid van zijn eigen woonkamer achter zich.
“Je bent een goede gids, Gerda,” zei hij zacht, terwijl hij zijn hand even kort op de hare legde, die rustig op de versnellingspook lag.
Gerda kneep even kort terug. “Ik wil gewoon dat je je thuis voelt in mijn familie, Jannus. Je bent niet de ‘bezoeker’, je bent onze gast. Dat is een groot verschil.”
Toen de auto de bebouwde kom van haar dorp inreed, zag Jannus de verlichte kerktoren boven de daken uitsteken. Het dorp leek op dat van hem, maar de energie voelde nieuw. Gerda minderde vaart en sloeg een rustige straat in waar de kerstbomen achter de ramen stonden te fonkelen als kleine bakens van welkom.
“Daar is het,” zei ze, wijzend naar een huis waar de buitenlamp al brandde en waar de oprit al vol stond met fietsen en een paar auto’s. “Daar is het huis van mijn broer en daar begint onze kerst.”
Jannus rechtte zijn rug, pakte het stevig ingepakte bloemstuk van zijn schoot en haalde diep adem. De voorbereiding was voorbij. De drempel lag voor hem, en dankzij Gerda voelde die niet langer als een muur, maar als een uitnodiging.
“Kom,” zei Gerda bemoedigend. “We laten de kou hier buiten.”
Jannus stapte uit en voelde de vrieslucht in zijn longen. Hij klemde het zorgvuldig ingepakte kerststukje tegen zich aan. Terwijl hij achter Gerda aan naar de voordeur liep, dacht hij heel even terug aan de rust van De Lege Knip die hij die middag achter zich had gelaten. De lege gangen, de stilte van de onverkochte spullen… het stond in schril contrast met de levendigheid die hem hier wachtte.
Nog voordat Gerda de bel kon aanraken, zwaaide de deur al open. Een jonge vrouw met een kind op haar arm — een van de kleinkinderen waar Gerda over had verteld — keek hen stralend aan.
“Tante Gerda! Je bent er!” riep ze uit, om daarna haar blik op Jannus te richten. “En u moet Jannus zijn. Kom snel binnen, het is veel te koud om daar te blijven staan.”
De overgang was overweldigend. Van de donkere straat stapte hij direct een hal binnen die rook naar dennennaalden, gebraden vlees en de zoete geur van warme appeltaart. Overal hingen jassen, stonden schoenen en hoorde hij stemmen die door elkaar heen buitelden.
“Kijk eens aan,” zei een forse man die vanuit de woonkamer kwam aanlopen en zijn hand al uitstak. Dit moest Henk zijn, de broer met de moestuinverhalen. “De man van De Lege Knip. Welkom in het hol van de leeuw, Jannus!”
Jannus schudde de stevige hand en voelde de oprechtheid in de begroeting. “Dank je wel. Ik… ik heb een kleinigheidje meegebracht,” zei hij, en hij overhandigde het bloemstuk aan de jonge vrouw.
“Wat prachtig ingepakt! Dat krijgt een ereplaats op de grote tafel,” zei ze terwijl ze hem voorging de kamer in.
Binnen in de woonkamer was de kerstboom het stralende middelpunt, maar het waren de mensen die de ruimte echt vulden. Voor Jannus, die gewend was aan de bescheidenheid en de soms schrijnende verhalen van de mensen die De Lege Knip bezochten, was deze overdaad aan gezelligheid even slikken. Maar het was geen ‘stijve’ rijkdom; het was de warmte van een familie die elkaar echt kende.
Gerda nam zijn jas aan en hing die tussen de andere winterjassen. Ze legde even een hand op zijn schouder. “Zie je wel?” fluisterde ze. “Niemand bijt.”
Jannus knikte. Hij merkte dat de ‘nieuwe weg’ die hij was ingeslagen hem niet naar een vreemde bestemming had geleid, maar naar een plek waar hij simpelweg mocht zijn wie hij was. De beheerder van De Lege Knip was voor één avond gewoon Jannus, de gast van Gerda.
Terwijl hij de drempel van de woonkamer overstapte, was het alsof hij een andere wereld betrad. De droge, kille winterlucht buiten werd in één klap vervangen door een deken van behaaglijkheid. De geur van brandende kaarsen, de subtiele walm van een wildschotel uit de keuken en de lijfelijke warmte van een kamer vol mensen sloeg hem tegemoet.
Gerda liet zijn hand niet los. Met een resolute maar liefdevolle beweging trok ze hem mee naar de kop van de lange, feestelijk gedekte tafel. De gesprekken vielen even stil, niet op een ongemakkelijke manier, maar met de nieuwsgierigheid van een hechte groep die een nieuwe gast verwelkomt.
Gerda keek de kring rond, haar ogen glinstered van trots. „Nou, hier is hij dan,” begon ze, terwijl ze Jannus even bemoedigend aankeek. „Ik hoef Jannus eigenlijk niet meer voor te stellen. Ik heb iedereen de afgelopen weken al uitgebreid verteld wie hij is en wat hij allemaal doet voor De Lege Knip. Alleen zijn gezicht kenden jullie nog niet.”
Er klonk een instemmend gemurmel en hier en daar een hartelijke lach.
„Nou, dat gezicht ziet er een stuk minder streng uit dan ik me had voorgesteld bij een beheerder!” riep Henk vanaf de andere kant van de tafel, terwijl hij een fles wijn ontkurkte. „Kom zitten, Jannus. Gerda heeft zoveel over je gepraat dat we bijna dachten dat je een legende was.”
Jannus voelde een warme blos op zijn wangen trekken. De keurige uitgaanskleding waar hij die middag zo over had getwijfeld, voelde hier ineens op zijn plek. Hij werd tussen Gerda en haar zus Marie-Louise in geschoven. Terwijl de stoelen schoven en de glazen werden gevuld, merkte hij dat de ‘gezonde spanning’ langzaam veranderde in een diepe voldoening.
Voor het eerst in jaren was hij niet de man die toekeek hoe anderen hun leven leidden; hij zat midden in het hart van de gezelligheid. Het bloemstuk, dat inmiddels een prominente plek midden op de tafel had gekregen, scheen in het kaarslicht en Jannus wist: dit was de juiste afslag op zijn nieuwe weg.
Het gesprek aan tafel kwam al snel op stoom. Jannus, die gewend was aan de sobere stilte van zijn eigen keuken of de functionele gesprekken met Trees, moest in het begin even schakelen. Hier werd niet gewacht op een stilte; hier werd de stilte simpelweg niet toegelaten.
„En Jannus,” begon Marie-Louise, terwijl ze een schaal met dampende bijgerechten doorgaf, „Gerda zegt dat jullie in De Lege Knip werkelijk álles binnenkrijgen. Wat is nou het vreemdste dat je dit jaar op de mat hebt gevonden?”
Jannus glimlachte, en de laatste restjes reserve smolten weg als sneeuw voor de zon. Hij vertelde over de antieke klok die Piet weer aan de praat had gekregen, terwijl iedereen dacht dat het schroot was. Hij vertelde over de dame die haar hele inboedel kwam brengen omdat ze naar de andere kant van de wereld verhuisde, en hoe ze een jonge student dolgelukkig hadden gemaakt met haar oude bankstel.
„Het is meer dan alleen spullen,” legde Jannus uit, en zijn stem klonk steviger naarmate hij over zijn passie vertelde. „Soms komen mensen alleen voor een praatje of een kop koffie die elders te duur is geworden. In De Lege Knip verkopen we eigenlijk hoop, verpakt in tweedehands artikelen.”
De familie luisterde geboeid. Zelfs de jongere generatie, die normaal gesproken met hun telefoon bezig was, keek op. Jannus merkte dat zijn verhalen over de ‘betonnen woningen’ en de stille armoede in het dorp indruk maakten. Het was geen zware kost voor de kerstavond, maar juist een verhaal van verbinding dat perfect paste bij de sfeer aan tafel.
Henk hief zijn glas. „Op Jannus dan, de man die van andermans rommel goud maakt voor de ziel!”
Er werd geproost. Jannus keek opzij naar Gerda, die hem met een glinstering in haar ogen aankeek. Ze hoefde niets te zeggen; haar trotse blik vertelde hem dat ze wist dat hij dit kon. Voor het eerst in jaren voelde Jannus zich niet langer een toeschouwer van het leven, maar een gewaardeerd onderdeel van een groter geheel.
Dat hij zich zo voelde, kwam juist doordat hij daar aan tafel zat et Gerda aan zijn zijde. De jaren van eenzaamheid, waarin hij kerst alleen voor de televisie doorbracht, waren eindelijk voorbij.
Hij nam een hap van de romige puree en merkte dat hij met plezier antwoord gaf op de vragen van Gerda’s neven. Hij vertelde over de keer dat er een doos vol met oude brieven uit de jaren ‘40 in De Lege Knip werd afgegeven, en hoe hij en Trees stad en land hadden afgezocht om de rechtmatige familie te vinden.
„Dat is het mooie,” zei Jannus, terwijl hij zijn glas neerzette. „In De Lege Knip zie je de geschiedenis van mensen voorbij komen. Je ziet wat ze achterlaten, maar ook wat ze weer nodig hebben om opnieuw te beginnen.”
Gerda legde haar hand op de zijne onder de tafel. Ze zag hoe hij opbloeide onder de aandacht van haar familie. De man die altijd in de schaduw van de oude school bleef, stond nu in het warme licht van de kerstkaarsen.
De koude nachtlucht was een schril contrast met de broeierige gezelligheid binnen, maar Jannus merkte het nauwelijks. Zijn wangen gloeiden nog na van de wijn en de hartelijkheid. Terwijl ze naar de auto liepen, hoorde hij achter zich het geluid van de zware voordeur die in het slot viel, maar het gevoel van de knuffel van Marie-Louise droeg hij nog met zich mee.
De koplampen van de auto verlichtten de lege weg terwijl ze de twintig kilometer in omgekeerde richting aflegden, maar ditmaal stopten ze niet bij het huis van Jannus. Zoals ze hadden afgesproken, reden ze door naar de woning van Gerda. Voor Jannus voelde het als een definitieve overwinning op de eenzaamheid; hij keerde niet terug naar zijn eigen stille gangen, maar naar de warmte die hij de komende dagen met haar mocht delen.
Toen ze bij haar huis aankwamen, was het dorp gehuld in de diepe rust van de vroege kerstochtend. Binnen brandden nog een paar kleine lampjes die een zacht, goudkleurig licht over de woonkamer wierpen.
“Zo,” zei Gerda, terwijl ze haar jas ophing en haar schoenen uitschopte. “Eindelijk even met z’n tweetjes. Wil je nog wat drinken, of ben je verzadigd van alle indrukken?”
Jannus zette zijn koffer, die hij voor de zekerheid al in de achterbak had gezet, in de gang. Hij keek om zich heen in haar huis. Het was hier anders dan in zijn eigen woning of in De Lege Knip. Het ademde haar sfeer uit: overal stonden kleine herinneringen, foto’s van de kinderen die hij net had ontmoet, en een kerstboom die met veel meer zorg was opgetuigd dan de zijne, maar wel in een sfeer die hem aansprak.
“Een kop thee zou lekker zijn,” antwoordde hij, terwijl hij op de bank neerplofte. De vermoeidheid was er wel, maar het was een goede vermoeidheid. “Marie-Louise… ze meende het echt, hè? Dat ik nu bij de familie hoor?”
Gerda kwam uit de keuken met twee mokken en ging naast hem zitten, haar benen over de zijne geslagen. “Natuurlijk meende ze dat. Wij zijn niet van de loze woorden, Jannus. Dat weet je inmiddels wel.”
Ze zaten daar nog een tijdje in de schemering, terwijl de kerstlichtjes zachtjes glinstereden in de reflectie van het raam. Voor Jannus voelde dit als de echte kerstgedachte: niet de overdaad aan eten of de drukte van de familie, maar het simpele feit dat er iemand naast hem zat die hem werkelijk kende.
“Morgen doen we rustig aan,” zei Gerda zacht. “Geen verplichtingen, alleen wij twee. Misschien een wandeling als het droog is, en daarna kijken we wat de dag brengt.”
Jannus knikte en voelde een diepe tevredenheid. De zaken in De Lege Knip een paar dagen dicht, zijn krant van gisteren was uitgelezen, en de toekomst zag er voor het eerst in jaren niet meer grijs uit. Hij was niet langer de beheerder van andermans verleden, maar de architect van zijn eigen nieuwe geluk.
Terwijl de laatste kaars in de kamer langzaam uitbrandde, wist Jannus dat deze kerst van 2025 de geschiedenis in zou gaan als het jaar waarin hij de weg terug naar het leven had gevonden.
De overgang van de rumoerige huiskamer naar de intimiteit van de bovenverdieping voelde voor Jannus als het betreden van een heiligdom. Terwijl ze de trap opliepen, hoorde hij het zachte kraken van de treden, een geluid dat in dit vreemde huis een heel andere klank had dan in zijn eigen stille woning.
Wanneer Gerda de deur van de ruime slaapkamer opende, hield Jannus onwillekeurig zijn adem in. De ruimte was sfeervol verlicht door een paar gedimde lampen die een warme, gouden gloed over het grote bed wierpen. Maar wat hem het meest trof, was de wand die volledig gespiegeld was. In de reflectie zag hij de kamer dubbel zo groot, een zee van licht en zachte stoffen, maar hij zag ook zichzelf: een man in een net pak, staand naast de vrouw die hem weer had leren dromen.
Het was een beeld dat hij niet kende. De spiegels lieten hem niet de eenzame beheerder van De Lege Knip zien, maar een man die onderdeel was van een liefdevol duo. De sfeer in de kamer was sereen en teder, ver verwijderd van de functionele eenvoud die hij jarenlang gewend was geweest.
“Het is hier… prachtig, Gerda,” fluisterde hij, terwijl hij voorzichtig zijn jasje uittrok en over de stoel bij het raam hing.
Gerda glimlachte naar zijn spiegelbeeld en kwam achter hem staan. Ze legde haar handen op zijn schouders. “Dit is ook jouw plek deze dagen, Jannus. Geen haast, geen drempels meer. Alleen maar rust.”
Jannus keek naar de weerspiegeling van hun beiden in de grote wand. De aarzeling die hij zijn hele leven met zich mee had gedragen, leek in dit sfeervolle licht eindelijk te vervagen. Het zachte bed, de geur van fris linnen en de aanwezigheid van Gerda maakten dat de onbekende kamer al snel niet meer vreemd voelde. Het voelde als een thuiskomst die hij nooit had durven plannen.
Gerda nam hem eerst mee naar de badkamer.” Jannus, voor jou heb ik een washandje en handdoek, tandpasta en borstel, als je die zelf niet meegenomen hebt”. Terwijl hij de knoopjes van zijn overhemd losmaakte, zag hij dat Gerda naast hem zich ontdeed van alles wat ze aan had. In de spiegel ontmoeten hun ogen elkaar en even later toen ze in het bed lagen ook hun lichamen. “je hoeft niet in de spiegel te kijken Jannus, want die spiegel gebruik ik voor het oefenen voor de passen in de linedance”. En deed ze de verlichting uit.

De nuchtere opmerking van Gerda over de linedance doorbrak de laatste restjes spanning die nog in de kamer hingen. Jannus moest in het donker glimlachen; zelfs op een intiem moment als dit bleef ze de praktische, energieke vrouw die hij in de loop der tijd zo was gaan waarderen. De spiegelwand, die hem eerst nog wat onwennig had gemaakt, was dus gewoon een hulpmiddel voor haar hobby – een plek voor passen en ritme, net zoals De Lege Knip een plek was voor tweede kansen.
In de totale duisternis van de kamer vielen de visuele indrukken weg en bleef alleen het gevoel over. Het ritselen van het frisse linnen, de warmte van hun lichamen die elkaar vonden en de vertrouwde geur van Gerda die hem nu volledig omringde. Voor Jannus was dit de ultieme vorm van ‘erbij horen’ waar hij en Trees het die ochtend nog over hadden gehad. Het was geen sociale isolatie meer, maar een diepe verbondenheid die geen woorden of krantenkoppen nodig had.
De nacht was stil. Buiten vroor het dat het kraakte en ergens in de verte luidde misschien een klok voor de late diensten, maar hier, in de geborgenheid van Gerda’s huis, telde alleen het nu. Jannus voelde hoe de rust die hij de hele dag al had ervaren, nu overging in een diepe, herstellende slaap. De muren van zijn eigen huis stonden verderop, maar hij had zich in jaren niet zo thuis gevoeld.
Geef een reactie op wzijlstra10 Reactie annuleren