
In de nadagen van de winterse festiviteiten vond de harde kern van De Lege Knip dat het tijd was om spijkers met koppen te slaan. De plannen voor de verbouwing waren tot nu toe vooral dromen over grotere ruimtes en meer koffiekannen geweest, maar nu moest het fundament juridisch en bouwkundig worden gestut.
Harrie, de partner van Trees, schoof die middag zijn stoel aan tafel met een zekere daadkracht in zijn blik. Als lid van de Lions Club kende hij de klappen van de zweep. “Luister,” begon hij, terwijl hij een zware map op de houten tafel legde. “Binnen de Lions zitten mensen die bouwkundig onderlegd zijn en, laten we eerlijk zijn, de juiste ingangen hebben bij de gemeente. Jannus en Trees hebben een uitstekende band met de burgemeester, maar een vergunningstraject is een ander soort sport. Dat is geen kwestie van een kopje koffie en een warme handdruk; dat is een doolhof van regels.”
De afgelopen weken was Harrie op de achtergrond al druk geweest. Na een reeks discrete contacten, informele vergaderingen en de eerste bouwtechnische controles, lag er nu een solide dossier. De grote vraag bleef echter: hoe zou de gemeenteraad reageren?
Jannus keek bedenkelijk. “De politiek is grillig, Harrie. Je weet hoe dat gaat.”
“Precies,” knikte Harrie. “Maar vergeet niet: De Lege Knip is een begrip geworden. We springen er bij het overgrote deel van de bevolking positief uit. En hoewel de huidige coalitie in de raad overwegend rechts gekleurd is, zou dat geen onoverkomelijk obstakel moeten zijn. We draaien niet op subsidies, we draaien op burgerkracht en gemeenschapszin. Dat is een taal die zij ook spreken.”
Trees legde haar hand op de map. “En nu? Is het een kwestie van de hamer erin?”
Harrie schudde zijn hoofd. “Nog niet. Het besluit zal nog wel even op zich laten wachten. De ambtelijke molens draaien nu eenmaal langzamer dan onze koffiemolens. Maar regeren is vooruitzien, ook al vergeten ze dat in het gemeentehuis nog wel eens. We hebben ons huiswerk gedaan. Voor nu is het een kwestie van geduld.”
“Wachten dus,” mompelde Dilan, die net de tafel kwam afruimen. “Maar we wachten tenminste met de blauwdrukken in de hand.”
In de praathoek bleef het even stil. De rust was bedrieglijk; achter de schermen was het schaakspel met de gemeente begonnen. Terwijl Sietse’s verhalen over de kerstbomen van ’64 nog in de lucht hingen, bereidde De Lege Knip zich voor op een heel andere strijd: die van de stempels, de vergunningen en de lange adem.
De kristallen kroonluchters van het statige hotel-restaurant weerkaatsten in het blinkende zilverwerk. Harrie rechtte zijn rug en streek zijn colbert glad. Om hem heen gonsde het van de stemmen van de lokale Lions Club: ondernemers, directeuren en beleidsmakers. Het was de jaarlijkse nieuwjaarsbijeenkomst, maar Harrie was hier vanavond niet alleen voor de gezelligheid.
Aan de overkant van de ronde tafel zat wethouder Van der Molen, een man die bekendstond om zijn liefde voor strikte begrotingen en zijn wantrouwen jegens ‘vrijblijvende burgerinitiatieven’.
Terwijl de bediening de borden van het hoofdgerecht weghaalde, zag Harrie zijn kans schoon. Hij leunde iets naar voren, zijn stem laag maar zelfverzekerd.
“Zeg, Van der Molen,” begon Harrie, terwijl hij de wethouder met een glimlach aankeek. “Ik hoorde dat de gemeente de mond vol heeft van ‘sociale cohesie’ in de nieuwe nota. Een prachtig begrip, maar wist je dat we in De Lege Knip het fundament daarvoor al lang hebben gestort?”
Van der Molen snoeide een stukje wild van zijn vork en keek over zijn leesbril naar Harrie. “De Lege Knip… dat is die kringloopwinkel waar de burgemeester zo graag koffie drinkt, nietwaar? Een sympathiek project, Harrie, maar je weet dat we met de nieuwe ruimtelijke plannen heel andere prioriteiten hebben voor die zone.”
Harrie liet zich niet uit het veld slaan. “Dat is precies mijn punt. We hebben het hier niet over een stoffige winkel, maar over een spil in de wijk. We hebben bouwtechnische plannen klaarliggen – getoetst door de beste mensen uit onze eigen Lions-gelederen – om die sociale functie te verdubbelen. Zonder dat het de belastingbetaler een cent extra kost.”
Hij schoof een gevouwen blauwdruk, die hij discreet uit zijn binnenzak had gehaald, een klein stukje over het gesteven witte tafelkleed. “Kijk eens naar de looplijnen. We creëren een plek waar eenzame ouderen en jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt elkaar ontmoeten. Als de gemeenteraad hier dwars voor gaat liggen, schieten ze zichzelf in de voet bij de volgende verkiezingen. Mensen houden niet van koude cijfers, ze houden van warme plekken.”
Van der Molen bleef even stil, zijn blik rustend op de rode lijnen op de tekening. Net toen hij wilde reageren, werd het dessert uitgeserveerd: een parfait van witte chocolade met een bloedrode vruchtencoulis.
“Je bent een overtuigend man, Harrie,” zei de wethouder uiteindelijk, terwijl hij zijn lepel pakte. “Ik beloof je dit: ik zal de bouwtechnische commissie vragen om er met een ‘welwillende blik’ naar te kijken. Maar garanties geef ik niet, dat weet je.”
Harrie nam een slok van zijn wijn en knikte naar Van der Molen. Hij wist dat de eerste bres in de ambtelijke muur was geslagen. Tussen het hoofdgerecht en het dessert had hij de zaadjes geplant voor de toekomst van de winkel.
De keuken van De Lege Knip rook die ochtend naar laurier, knolselderij en urenlang getrokken hamschijf. Zuster Josephine stond met een houten lepel zo groot als een roeispaan in de enorme pan te roeren. “De liefde voor de medemens gaat door de maag, Justina,” zei ze vroom, “zeker als die medemens een burgemeester is die de hele dag door mannen in pakken wordt omringd.”
Zuster Justina knikte terwijl ze het vrolijk geruite kleedje over de tafel in de praathoek gladstreek. “Een vrouw op die positie heeft behoefte aan nuchterheid, niet aan meer rapporten.”
Precies om twaalf uur stapte de burgemeester binnen. Ze droeg een zakelijk donkerblauw mantelpak, maar haar blik verzachtte zodra ze de warme, kruidige damp van de erwtensoep rook. Ze legde haar aktetas op een lege stoel en haalde diep adem.
“Dames,” zei ze met een glimlach die haar vermoeidheid even deed vergeten. “Ik had een lunchafspraak met de Kamer van Koophandel over ‘economische groeicijfers’, maar toen ik jullie briefje kreeg over ‘warme soep en kille cijfers’, wist ik dat mijn prioriteit hier lag.”
“Heel verstandig, mevrouw de burgemeester,” zei Justina, terwijl ze een diep bord vol dampende snert voor haar neerzette. “Bij de Kamer van Koophandel praten ze over de waarde van het geld, maar hier praten we over de waarde van de mensen.”
Terwijl de burgemeester de eerste lepel nam en zichtbaar genoot, begonnen de zusters hun eigen ‘lobby’. Geen ingewikkelde termen over sociale cohesie, maar de rauwe verhalen van de vloer. Josephine vertelde over de eenzame jongen uit de flat die nu elke ochtend de tafels hielp afnemen, en over meneer Gijsberts die op nieuwjaarsdag eindelijk weer eens had gelachen.
“En nu,” zei Josephine, terwijl ze een dikke plak roggebrood met katenspek doorsneed, “willen we die muur daar achterin weghalen. Niet uit baldadigheid, maar omdat de gemeenschap die hier groeit de ruimte nodig heeft. Harrie is van de technische kant, maar wij wilden u laten zien waarom die rode lijn op zijn tekening eigenlijk een levenslijn is.”
De burgemeester keek naar de pan, naar de zusters en vervolgens naar de muur waar de bewuste lijn al getrokken was. Ze veegde een restje soep van haar lippen en keek de dames recht aan.
“De gemeenteraad kijkt vaak alleen naar de bestemmingsplannen en de rechtsgeoriënteerde coalitie wil vooral dat projecten zichzelf bedruipen,” zei ze zakelijk maar vastberaden. “Maar ik zal hen er bij de volgende vergadering aan herinneren dat een gezond dorp niet alleen op kantoren draait, maar op dit soort plekken. Een plek waar de maatschappij de gaten dicht die de overheid laat vallen.”
Ze stond op en pakte haar tas weer op. “Laat Harrie die plannen maar snel officieel indienen. Ik kan de raad niet dwingen, maar ik kan wel zorgen dat de urgentie van deze ‘snert-diplomatie’ gevoeld wordt in de raadszaal.”
Toen ze de winkel uitliep, keek Josephine haar na. “Kijk Justina, een vrouw met smaak. Die weet dat je met een goede soep meer bereikt dan met een dikke sigaar bij de Lions.”
Plaats een reactie