
Het landschap staat daar stil, gehuld in een kostuum van winterlicht, een glanzend wit gewaad dat zich als een zorgvuldig gedrapeerde sluier over velden, paden en verstilde bomen legt. Het lijkt alsof de aarde zelf, smetteloos en zorgvuldig gladgestreken, zich heeft voorbereid op een plechtigheid, een stille bruiloft waar niemand wordt verwacht en toch alles in gereedheid is gebracht.


De bomen, grillig van vorm en houding, heffen hun bleke armen naar de verte, alsof zij iets willen grijpen dat telkens net buiten bereik blijft. Hun takken, wit omrand door rijp, staan als verstilde gebaren in een toneelstuk zonder woorden. Aan één van die takken hangt een druppel, die zich eerder loom liet vallen, maar halverwege haar reis verstijfde en nu als een kleine glazen traan aan de ruwe bast blijft kleven.

Dan breekt de zon door, fel van kleur, en haar licht valt als een warme groet op het uitgestrekte witte land. Geen parel, hoe zorgvuldig ook geslepen, heeft ooit zo’n zuivere glans gedragen als dit landschap dat in stilte schittert. De vele zonnestralen, neerdaalend uit een helderblauwe lucht, leggen een sluier van glans over alles heen en laten het geheel stralen alsof het zichzelf wil tonen aan wie maar kijken wil.

De stilte, die al die tijd als een ademloze toeschouwer aanwezig was, laat een zachte, bijna onhoorbare zucht ontsnappen, alsof zij erkent dat dit moment te mooi is om vast te houden.

Maar langzaam verandert het licht. Het wordt warmer, zachter, vloeibaarder. Het witte kleed begint te wijken, te smelten tot heldere plassen die het landschap opnieuw vormgeven. En wanneer uiteindelijk het laatste vlokje zich gewonnen geeft, blijft er een wereld achter die niet langer sneeuwwit is, maar glanst van rijp — alsof de winter zelf het land met een nieuwe huid heeft bekleed.


Geef een reactie op willemswebstek Reactie annuleren