
De volgende ochtend was de lucht grijs en drukkend, passend bij de gemoedstoestand van Mr. Berendsen. Terwijl hij over de parkeerplaats van de Penitentiaire Inrichting liep, voelde de aktetas in zijn hand zwaarder dan ooit. In de binnenzak van zijn overjas brandde de versleutelde telefoon van de boodschapper van De Jager—een tikkende tijdbom die hem eraan herinnerde dat zijn leven niet meer alleen om wetboeken draaide.
Bij de beveiligingssluis moest Berendsen alles afgeven: zijn eigen telefoon, zijn sleutels en zijn horloge. Maar wat de bewakers niet zagen, was de onzichtbare druk die op zijn schouders rustte. Hij wist dat hij door de FIOD scherp in de gaten werd gehouden; Van Dooren was niet gek en zou de bewegingen van de advocaat van een hoofdverdachte altijd monitoren.
Aan de andere kant was er de ijzige dreiging uit de parkeergarage. “Een ja of een nee. Geen excuses.” De woorden echoden door zijn hoofd terwijl de zware stalen deuren met een luide mechanische klik achter hem in het slot vielen.
Robert van der Velde werd binnengebracht. Hij zag er slecht uit. Zijn eens zo onberispelijke overhemd zat vol kreukels en de bluf die hij normaal gesproken overal mee naartoe nam, was volledig verdampt. Hij zakte tegenover Berendsen in de stoel, gescheiden door een houten tafel die in deze context aanvoelde als een barrière tussen leven en dood.
“Ze laten me niet met rust, Berendsen,” fluisterde Robert schor, terwijl hij schichtig naar de camera in de hoek van de kamer keek. “De rechercheurs, die Van Dooren… ze blijven maar vragen naar zaken waar ik niets van weet. En ze zeggen dat mijn gezin gevaar loopt door mijn ‘vrienden’.”
Berendsen boog zich naar voren. Hij moest zijn woorden uiterst zorgvuldig kiezen. Hij wist dat de kamer waarschijnlijk was voorzien van afluisterapparatuur, maar hij wist ook dat hij een antwoord nodig had voor de man in de schaduw.
“Robert,” begon Berendsen op gedempte toon, “we hebben een groot probleem. Er gaan geruchten over een zwart kasboekje. De FIOD denkt dat het jouw ‘levensverzekering’ is. Maar belangrijker: bepaalde… zakelijke relaties van je denken dat ook. En zij willen heel graag weten of dat boekje echt bestaat.”
Robert verstijfde. Zijn pupillen werden groot. “Een boekje? Ik heb geen boekje, dat weet je toch? Ik heb alles digitaal gedaan, alles is gewist!”
Berendsen keek hem strak aan, zoekend naar een splinter van waarheid of een verborgen aanwijzing. “Denk heel goed na, Robert. Als dat boekje een verzinsel is van de FIOD om mensen nerveus te maken, dan zit je in het midden van een wespennest. Je vrienden accepteren geen ‘nee’. Als het boekje wél bestaat, is dat je enige ruilmiddel voor veiligheid. Dus zeg het me nu: Is er iets? Een kluis? Een locatie? Iets dat je naam zuivert of hen de das omdoet?”
De stilte die volgde was verstikkend. Robert opende zijn mond om te spreken, maar aarzelde. Hij wist dat elk woord dat hij nu uitsprak zijn vonnis kon zijn, of zijn redding.
Robert keek schichtig om zich heen, zijn handen trilden op het tafelblad. Hij boog zich zo ver mogelijk over de tafel, waardoor hij bijna de neus van Berendsen raakte. Zijn stem was niet meer dan een hees gefluister, nauwelijks hoorbaar voor de microfoons in de kamer.
“Het is geen boekje, Berendsen,” fluisterde Robert koortsachtig. “Dat is ouderwets. De FIOD zit ernaast met hun papieren fantasieën. Maar er is… er is een bestand. Ik noem het ‘Het Archief’. Het is een versleutelde back-up van alle communicatie van de afgelopen vijf jaar. Elke opdracht van De Jager, elke betaling van Linden Vastgoed, en de echte namen achter de stromannen van Holding de Kroon.”
Berendsen voelde een rilling over zijn rug. Dit was geen levensverzekering; dit was een nucleaire optie. “Waar is het, Robert? Op een server? Een cloud?”
Robert schudde zijn hoofd. “Te riskant. De Jager heeft mensen die overal in kunnen hacken. Het staat op een fysieke schijf, een militaire graad versleutelde USB-stick. Ik heb hem verstopt op een plek waar niemand zoekt, zelfs Sally niet. Het zit in de dubbele bodem van een oude antieke klok die ik ooit heb gekregen van een zakenrelatie. Die klok staat… of stond… in mijn privékantoor in de villa.”
Robert greep de mouw van Berendsens colbert vast. “Je moet begrijpen, als De Jager erachter komt dat ik dit bewaard heb, ben ik een dood man. Maar als de FIOD het vindt zonder dat ik een deal heb over de veiligheid van Sally en Lotte, hebben we niets meer om mee te onderhandelen. Je moet die schijf veiligstellen voordat de FIOD de villa volledig heeft leeggehaald of voordat De Jager zijn ‘schoonmakers’ stuurt.”
Wat Robert en Berendsen niet wisten, was dat een paar kilometer verderop, in een onopvallende bestelwagen, Van Dooren en Sophie met koptelefoons op ademloos meeluisterden. De ruisonderdrukking van de FIOD-apparatuur was zo geavanceerd dat elk fluisterwoord van Robert kristalhelder binnenkwam.
Van Dooren trok zijn koptelefoon af en keek Sophie aan. “De villa,” zei hij kortaf. “We hebben de villa al doorzocht, maar we hebben niet naar een dubbele bodem in een klok gekeken. We dachten dat het een erfstuk was.”
Hij greep zijn porto. “Team A, hier Van Dooren. Directe opdracht: Keer terug naar de villa van Van der Velde. Ik wil die antieke klok in het privékantoor. Nu. En wees voorzichtig, we zijn waarschijnlijk niet de enigen die dit spoor volgen.”
Berendsen liep de zware deuren van de gevangenis uit en voelde de frisse buitenlucht, maar het bracht hem geen verkoeling. Zijn hart bonsde in zijn keel. Hij liep met versnelde pas naar zijn auto, zijn aktetas strak tegen zijn borst geklemd alsof hij een schild droeg.
Eenmaal in de relatieve veiligheid van zijn Volvo blokkeerde hij de deuren. Hij bleef even roerloos zitten, starend naar het stuur. Toen reikte hij met een trillende hand naar zijn binnenzak en haalde de zwarte, anonieme telefoon tevoorschijn die de boodschapper de avond ervoor op zijn dak had achtergelaten.
Het toestel was koud en zwaar. Berendsen wist dat hij op het punt stond een grens over te steken waar geen weg terug van was. Hij was niet langer alleen een advocaat; hij werd een medeplichtige.
Hij toetste de enige geprogrammeerde knop in. Het duurde niet lang. Er ging geen kiestoon vooraf aan het gesprek; de verbinding was onmiddellijk en kraakhelder.
“Spreek,” zei een stem aan de andere kant. Het was niet de boodschapper van de parkeergarage, maar een stem die nog killer klonk, autoritair en gewend aan gehoorzaamheid.
“Ik… ik heb hem gesproken,” begon Berendsen, zijn stem overslaand. Hij schraapte zijn keel. “Het antwoord is ja. Het bestaat. Maar het is geen boekje. Het is een schijf, een ‘Archief’ zoals hij het noemde.”
Er viel een korte stilte aan de andere kant van de lijn, een stilte die Berendsen angstiger maakte dan welk dreigement dan ook. Hij kon de raderen aan de andere kant bijna horen draaien.
“Waar?” vroeg de stem kortaf.
Berendsen aarzelde een fractie van een seconde. Hij dacht aan zijn carrière, zijn eed, en de cel waarin Robert wegkwijnde. Maar toen hij in de achteruitkijkspiegel keek en een zwarte sedan de parkeerplaats op zag draaien, won de angst het van zijn moraal.
“In de villa,” fluisterde hij. “In zijn privékantoor staat een antieke klok. Het zit in een dubbele bodem. Hij noemde het een militaire USB-stick.”
“Goed zo, meester,” zei de stem, en er klonk bijna een spottende toon in door. “U heeft de juiste keuze gemaakt voor uw eigen toekomst. Houd de telefoon bij u. We zijn nog niet klaar met u.”
De verbinding werd verbroken.
Berendsen liet de telefoon op de bijrijdersstoel vallen alsof het ding gloeiend heet was. Hij wist dat hij zojuist de locatie van het ‘Archief’ had weggegeven aan de verkeerde partij. Terwijl hij de motor startte en trillend wegreed, realiseerde hij zich niet dat Van Dooren’s team zijn auto waarschijnlijk al op de korrel had en dat hij zojuist de startschot heeft gegeven voor een levensgevaarlijke confrontatie bij de villa.
De villa van Robert van de Velde lag er verlaten bij, omringd door het weelderige groen dat nu dienstdeed als perfecte dekking voor het team van Van Dooren. De FIOD-agenten, gehuld in donkere tactische vesten, waren via de achterzijde het terrein opgekomen. Ze bewogen zich geluidloos door de rododendrons, hun ogen gericht op de thermische kijkers.
“Target in zicht,” fluisterde een van de agenten in zijn headset. Van Dooren zat in de commandowagen een paar honderd meter verderop. “Blijf laag. Laat ze de eerste zet doen. We moeten ze op heterdaad betrappen met de schijf in hun handen.”
De agenten zagen hoe een onopvallende grijze bestelwagen de oprit opdraaide. Er stapten drie mannen uit. Geen bivakmutsen of wapens in de aanslag; deze mannen zagen eruit als professionele verhuizers of schoonmakers, precies zoals hun reputatie luidde. Maar hun bewegingen waren te gecoördineerd, hun blikken te alert voor gewone werklieden.
Zonder aarzelen liep de voorste man naar de zijdeur. Met een behendigheid die wees op jarenlange ervaring met beveiligingssystemen, was de deur binnen dertig seconden open. Ze wisten precies waar ze moesten zijn. De camera’s in de hal van de villa waren door de FIOD al ‘gehijackt’, waardoor Van Dooren op zijn schermen kon zien hoe de mannen rechtstreeks naar het privékantoor van Robert liepen.
“Ze zijn binnen,” rapporteerde Sophie vanuit de wagen. “Ze staan voor de antieke klok.”
Binnen in het kantoor werkte de leider van de ‘schoonmakers’ met chirurgische precisie. Hij kantelde de zware klok en zocht naar de verborgen naad in de dubbele bodem. Met een zachte klik sprong een paneeltje open. Daar lag hij: de kleine, metalen USB-stick die het lot van de hele vastgoedmaffia bezegelde.
De man pakte de schijf op en hield hem tegen het licht. Op dat moment gaf Van Dooren het bevel.
“Nu! Go, go, go!”
De stilte rond de villa werd verscheurd door het geluid van brekend glas en de dwingende kreten van het arrestatieteam. “Politie! Handen omhoog! Laat vallen wat je in je handen hebt!”
De actie in het kantoor van Robert veranderde in een fractie van een seconde van een tactische omsingeling in een gewelddadige confrontatie. De leider van de ‘schoonmakers’ was razendsnel; zijn hand schoot naar de binnenzak van zijn jasje en hij trok een klein, glazen flaconnetje tevoorschijn gevuld met een troebele, bijtende vloeistof.
Net toen hij zijn duim tegen de dop zette om de USB-stick in het zuur te laten glijden, klonk er een droge knal die door de muren van de villa galmde. Een scherpschutter van het arrestatieteam, die zich buiten op een strategisch punt had opgesteld, had door het raam de dreiging feilloos ingeschat.
De kogel raakte de hand van de man met chirurgische precisie. Het flaconnetje spatte uiteen voordat de dop eraf was, en de USB-stick kletterde onbeschadigd op het dikke Perzische tapijt. De man slaakte een schreeuw van pijn en zakte ineen, terwijl de andere twee schoonmakers direct hun handen in de nek legden, wetende dat ze tegenover een overmacht stonden die bereid was te vuren.
“Handen zichtbaar! Blijf liggen!” brulde de commandant van het team terwijl de agenten door de ramen en deuren naar binnen stormden.
Van Dooren, die alles via de bodycam van de voorste man had gevolgd, hield zijn adem in. “Is de schijf veilig? Ik herhaal: is de data veilig?”
Een agent met latex handschoenen boog zich over de gewonde man heen en raapte de kleine metalen stick op. Hij hield hem voor zijn camera. “De buit is binnen, chef. Geen spoor van corrosie. De stick is intact.”
Terwijl de gewonde schoonmaker werd verbonden door een medisch team van de politie, begon de FIOD direct met de inventarisatie. De aanwezigheid van dit type ‘vernietigingszuur’ bewees voor Van Dooren één ding: de data op deze schijf was zo belastend dat De Jager bereid was om zijn eigen mensen op te offeren om het te vernietigen.
“Sophie, bereid de sandbox-omgeving voor,” commandeerde Van Dooren terwijl hij naar de commandowagen liep. “Ik wil weten wat er op die stick staat voordat de advocaten van deze jongens überhaupt hun bed uit zijn. Dit is het einde van de Adviesgroep West en hopelijk het begin van het einde voor De Jager.”
In de diepe stilte van de avond op het Slot kleurde het scherm van Harrie’s laptop blauw op. Hij zat in zijn werkkamer, de gordijnen gesloten. Een beveiligd chatvenster opende zich met een korte, krachtige melding van Van Dooren.
STATUS: VILLA SECURE. ARCHIEF IN BESLAG GENOMEN. DRIE ARRESTATIES. SCHOT GELOST, GEEN DODELIJKE SLACHTOFFERS BIJ DOELWIT.
Harrie slaakte een diepe zucht en leunde achterover in zijn stoel. De fysieke dreiging bij de villa was geweken, maar zijn ervaring zei hem dat dit de gevaarlijkste fase van de strijd was. De Jager was nu geen schaduw meer die vanuit de luwte opereerde; hij was een aangeschoten roofdier.
In de steriele omgeving van het FIOD-laboratorium slaagde Sophie er die nacht in de laatste beveiligingslaag van ‘Het Archief’ te kraken. Wat daar tevoorschijn kwam, overtrof de stoutste verwachtingen van Van Dooren. Het was geen simpel kasboekje, maar een digitaal dossier met sluitend bewijs: bankafschriften van belastingparadijzen, versleutelde chats over omkooppraktijken en, het belangrijkste, de werkelijke identiteit en het privéadres van M. de Jager.
Nog voordat de zon opging, gaf de hoofdofficier van justitie groen licht voor Operatie Schoon Schip. In een gecoördineerde actie op meer dan twintig locaties door het hele land vielen arrestatieteams gelijktijdig binnen.
De Jager werd in zijn pyjama overmeesterd in zijn zwaar beveiligde penthouse in Rotterdam, nog voordat hij zijn vluchtplan naar Zuid-Amerika kon activeren. De USB-stick bevatte genoeg bewijs om hem voor decennia achter de tralies te krijgen voor witwassen, afpersing en grootschalige fraude.
Ook de directeuren van Linden Vastgoed en de schaduwbestuurders van Holding de Kroon werden van hun bed gelicht. De mazen in het net waar ze jarenlang doorheen waren geglipt, waren door Roberts archief definitief gedicht.
De volgende ochtend domineerde de zaak het landelijke nieuws. De media spraken van de “Grootste vastgoedfraude in de Nederlandse geschiedenis”. Krantenkoppen stonden vol met de ondergang van de onschendbaar geachte ‘vastgoedmagnaten’.
Terwijl de grote vissen in beperkingen werden geplaatst en de eerste bekentenissen volgden, bleef het stil rondom de bron van de informatie. In de officiële rapporten werd gesproken over “geavanceerd digitaal recherchewerk” en “anonieme tips”. De initialen van Robert van der Velde werd slechts zijdelings genoemd als een van de verdachten, terwijl de verblijfplaats van zijn gezin en de rol van een zekere ‘Harrie’ volledig buiten de publiciteit bleven.
De rust keerde terug in de vastgoedwereld, al was het een gezuiverde rust. De angst die De Jager zaaide was vervangen door een golf van faillissementen van corrupte BV’s. Op het Slot werd de televisie uitgezet nadat het journaal was afgelopen. Harrie keek naar Sally en Lotte, die voor het eerst sinds weken weer kleur op hun wangen hadden. De dreiging was opgelost door het systeem dat ze probeerden te bedriegen.
Geef een reactie op Karel Reactie annuleren