
De maandagochtend in de Lege Knip begon zoals altijd met het gerinkel van de bel boven de deur en de geur van versgemalen koffie die door de winkel trok. Maar voor Jannus voelde de lucht zwaarder dan normaal. Terwijl hij mechanisch de schappen met antiek serviesgoed afstofte, dwaalden zijn gedachten voortdurend af naar het afgelopen weekend. Het was een weekend van onrust geweest, een zintuiglijke storm die maar niet wilde gaan liggen.
Het knaagde aan hem. Het zat hem letterlijk dwars in de maag: het verhaal van die bewuste avond in de Jazzclub.
Jannus zag steeds weer de uitdrukking op het gezicht van Max voor zich. Die ene blik, die korte flits van verstandhouding en misschien wel lichte paniek, was voor Jannus de doorslaggevende factor geweest. Er was daar iets gebeurd, iets dat het daglicht — of in ieder geval het tl-licht van de Lege Knip — niet kon verdragen. Hij had het hele weekend overwogen om Max simpelweg op te zoeken, maar de nuchtere kant van zijn karakter had hem tegengehouden. Je zomaar op iemands privéterrein begeven voor een nieuwsgierig wiswasje? Nee, dat ging zelfs Jannus te ver. Dat riekte naar wanhoop, en Jannus behield graag zijn waardigheid.
Bij Meneer van Aalst hoefde hij niet aan te kloppen; dat wist hij zeker. Deze heer was een meester in het bewaren van decorum. Eén indringende vraag over de Jazzclub en Van Aalst zou zijn spreekwoordelijke schild optrekken, zijn rug rechten en met een ijzige beleefdheid overgaan op de orde van de dag. Nee, die bron was voorgoed opgedroogd. Van Aalst had besloten dat die avond tot de annalen van de geschiedenis behoorde, en daar viel niet aan te tornen.
En dus bleven zijn gedachten cirkelen rond Dylan. Jannus hield zijn stofdoek even stil bij een zilveren kandelaar en tuurde door het etalageglas naar de straat. Dylan was van een ander kaliber. Zij was jonger, impulsiever en misschien — heel misschien — gevoelig voor een slimme omtrekkende beweging.
“Zou er met een linke smoes iets bij haar los te peuteren zijn?” vroeg Jannus zich af.
Hij begon scenario’s in zijn hoofd te schetsen. Een nonchalante opmerking over een verloren voorwerp? Een vraag over de muziek die avond? Hij moest voorzichtig te werk gaan. Als hij te direct was, zou Dylan nattigheid voelen. Maar als hij het speelde alsof hij allang de helft wist, zou ze misschien de rest wel invullen.
Jannus zuchtte diep en borg zijn stofdoek op. De Lege Knip was normaal gesproken een plek van transparantie en eerlijkheid, maar dit geheim uit de Jazzclub hing als een donkere sluier tussen de houten balken. Hij wist dat hij het niet kon laten rusten. De waarheid had de eigenschap om altijd boven te komen drijven, zeker als Jannus bereid was om een klein beetje te helpen met het roeren in het water.
Terwijl hij hoorde hoe de achterdeur openging en de eerste collega’s binnendruppelden, rechtte Jannus zijn rug. Maar hoe?
Een paar uur later krijgt Jannus een lumineus idee. Als hij zijn vriendin Gerda eens vraagt om langs te komen en die tracht als vriendinnen, want ze kennen elkaar redelijk goed, haar levens verhaal te vertellen. Van Dylan is verder weinig bekend denkt Jannus en gaat er dan ook van uit dat stille wateren diepe gronden hebben
Jannus wrijft in zijn handen terwijl hij het scenario in zijn hoofd uitwerkt. Hij ziet het al voor zich: Gerda die nonchalant binnenwandelt, een kop thee drinkt met Dylan, en het gesprek heel natuurlijk laat afdwalen naar muziek, passie en die bewuste avond met Willy.
Jannus gaat uit van een klassiek principe ‘ stille wateren hebben diepe gronden’. Dylan is voor hem een onbeschreven blad, een mysterie dat tot nu toe alleen haar emoties liet zien in die trance in de Jazzclub. Juist omdat er zo weinig over haar bekend is, is Jannus ervan overtuigd dat er een wereld aan verhalen achter haar stille buitenkant schuilt.
Jannus pakt zijn telefoon en zoekt het nummer van Gerda. Hij moet haar wel even goed instrueren, want
Als Gerda gewoon “toevallig” langs komt om naar de oude Gymzaal te komen kijken voor haar te houden Line-dance avonden, zal ze Dylan vragen om met haar de Gymzaal te bekijken, waar het podium komt te staan, waar de de DJ zijn plaatjes draait en lopende het gesprek eens informeren hoe Dylan ooit in de Lege Knip terecht is gekomen, maar ook over haar jeugd, haar ouders en natuurlijk haar opleidingen. En wanneer dat een beetje soepel loopt voorzichtig en subtiel naar de genres binnen de muziek en dan te hopen dat ze ongehinderd haar verhaal over de Jazzclub doet.
Terwijl Jannus wacht tot Gerda opneemt, kijkt hij even schuin naar Dylan, die geconcentreerd bezig is met het prijzen van een partij oud zilver. Hij voelt een mengeling van schuldgevoel en opwinding. Hij wil haar niet kwetsen, maar die “diepe gronden” trekken hem aan als een magneet.
Jannus kijkt vanaf een afstandje naar Dylan. Ze werkt met een precisie die hem altijd al is opgevallen. Elk zilveren lepeltje krijgt haar volledige aandacht. Het is die concentratie, die bijna meditatieve rust, die hem nu vertelt dat hij gelijk heeft: dit meisje draagt een wereld in zich waar niemand nog van weet.
Hij voelt een steekje van schuldgevoel. Is het fair om Gerda als een soort emotionele spion in te zetten? Maar de opwinding wint het. De drang om te begrijpen wat haar in die trance bracht — was het een herinnering aan haar ouders? Een verloren droom uit haar opleiding? — is te groot om te negeren.
“Stille wateren,” prevelt Jannus zachtjes tegen zichzelf terwijl hij eindelijk Gerda’s stem aan de andere kant van de lijn hoort. “Nu maar hopen dat Gerda de juiste snaar weet te raken zonder de boel te laten overstromen.”
Gerda luistert aan de andere kant aandachtig naar Jannus’ enthousiaste relaas. Ze lacht kort. “Je bent een oude nieuwsgierige aagje, Jannus, maar vooruit… die gymzaal is inderdaad een prima smoes.”
De samenzwering tussen Jannus en Gerda werd in de ochtenduren met gedempte stem beklonken. Het moest natuurlijk lijken: Gerda zou precies op het moment dat Jannus ‘toevallig’ weg was de drempel van de Lege Knip overstappen. Een afwezigheid die Jannus met militaire precisie had gepland.
Rond het middaguur, wanneer de zon door de hoge ramen van de Lege Knip viel en stofjes liet dansen op de eikenhouten kasten, glipte Jannus naar buiten. Hij had zijn pet net iets dieper over zijn ogen getrokken dan normaal en was met een ongebruikelijke haast op zijn oude transportfiets gestapt.
Nog geen kwartier later klonk de vertrouwde bel van de voordeur. Gerda stapte binnen, haar handtas over haar arm, met de blik van iemand die louter voor een gezellig praatje kwam.
“Goedemiddag allemaal!” riep ze vrolijk de ruimte in. Ze liet haar ogen door de zaak glijden, alsof ze zocht naar het bekende gezicht van de eigenaar. “Zeg, waar is die eigenwijze Jannus van jullie eigenlijk gebleven? Ik dacht hem hier wel aan te treffen voor een kop koffie.”
Trees keek op van een stapel oud linnen die ze aan het vouwen was. Ze schudde haar hoofd en glimlachte verontschuldigend. “Nou Gerda, je gelooft het niet, maar we zijn hem zomaar kwijt. Hij is met de noorderzon vertrokken.”
“Ik vermoed dat hij naar de fietsenmaker is,” vulde Trees aan, terwijl ze een laken gladstreek. “Hij riep vanmorgen al iets over versleten lagers en een paar onderdelen die hij nodig had voor de reparaties van die oude rijtuiglampen. Je kent hem, als hij eenmaal een technisch mankement in zijn hoofd heeft, moet het direct opgelost worden.”
Dylan, die tot dan toe zwijgend achter de toonbank bezig was geweest met het sorteren van munten, keek nu ook op. Haar stem was zacht, maar beslist. “Dat klopt, Gerda. Ik zag hem een kwartiertje geleden het pad afrijden op zijn fiets. Hij had behoorlijk de vaart erin, dus hij zal inderdaad wel een missie hebben bij de smid of de fietsenmaker.”
Gerda speelde haar rol voortreffelijk. Ze zuchtte gespeeld teleurgesteld en leunde tegen de toonbank, precies naast Dylan. “Wat een pech. En ik wilde hem nog wel even meevragen naar de oude gymzaal. Ik ben namelijk serieus aan het kijken of ik daar mijn line-dance avonden kan gaan houden, maar ik heb geen idee van de indeling en de akoestiek daar.”
Ze keek Dylan met een vragende, vriendelijke blik aan. “Zeg Dylan, jij bent hier toch goed bekend? Heb jij niet even tijd om met me mee te lopen? Het is maar een klein stukje. Ik heb iemand nodig met een fris oog die even met me meekijkt waar het podium moet komen voor de DJ. Tussen die stoffige kerels hier word ik ook niet veel wijzer.”
Dylan aarzelde een seconde, maar de open uitstraling van Gerda werkte ontwapenend. Bovendien was de rust in de Lege Knip, nu Jannus er niet was om overal bovenop te zitten, een uitgelezen kans om even de benen te strekken.
“Natuurlijk,” zei Dylan met een voorzichtige glimlach. “Ik loop wel even met je mee. De gymzaal staat momenteel toch leeg, dus we kunnen ongestoord kijken.”
Terwijl de twee vrouwen de deur uitliepen en richting de oude gymzaal wandelden, keek Trees hen hoofdschuddend na. Ze had geen flauw vermoeden dat ze zojuist onbewust had meegeholpen aan de grootste spionage-operatie die de Lege Knip in tijden had gezien.
De galm van hun voetstappen op de houten sportvloer van de oude gymzaal klonk hol en eenzaam. Gerda liep voorop, wijzend naar de plek waar de DJ-tafel zou moeten komen, maar ze hield Dylan nauwlettend in haar ooghoek. Het meisje was stilgevallen zodra ze de drempel overstaken. De geur van boenwas en oud zweet, die onvermijdelijk aan zulke ruimtes kleeft, leek iets bij haar te triggeren.
“Het is een flinke oppervlakte, hè?” verbrak Gerda de stilte. “Je voelt je hier bijna nietig als er geen muziek draait.”
Dylan knikte langzaam, haar ogen dwalend langs de klimrekken die als skeletten tegen de muren stonden. “Het doet me denken aan de balletschool,” zei ze zacht, bijna onverstaanbaar. “Mijn ouders wilden dat ik daarheen ging. Alles was daar ook zo… groot en streng. En stil, totdat de piano begon te spelen.”
Gerda voelde dat de ‘stille wateren’ begonnen te rimpelen. Ze zette haar tas op een bankje en kwam dichterbij staan. “Ballet? Dat is nogal een contrast met de Lege Knip en de kringloophandel. Hoe is dat zo gekomen? Waren je ouders ook van de oude stempel?”
Dylan zuchtte, en voor het eerst zag Gerda een glimp van het meisje achter het masker van de professionele muntenprijzer. “Mijn vader was conservatoriumleraar. Alles moest volgens de regels, volgens de partituur. Er was geen ruimte voor improvisatie. Geen ruimte voor… trance.”
Bij dat laatste woord veerde Gerda intern op. Ze had het haakje gevonden. “Geen ruimte voor gevoel, bedoel je?”
“Geen ruimte voor de ziel,” corrigeerde Dylan haar, terwijl ze naar het provisorische podium staarde. “Daarom was die avond in de Jazzclub zo… bevrijdend. Willy speelde niet wat er op papier stond. Hij speelde wat er in hem leefde. Dat is iets wat ik van huis uit nooit heb meegekregen. Ik mocht alleen de noten spelen, nooit de muziek voelen.”
Gerda hield haar adem in. De linke smoes over de line-dance was al lang vergeten. Hier stond een jong meisje dat jarenlang was opgesloten in een keurslijf van verwachtingen en klassieke opleidingen, en die nu pas, in de beslotenheid van het dorp en de chaos van de Jazzclub, haar eigen ritme leek te vinden.
“Is dat waarom je bij Jannus bent beland?” vroeg Gerda voorzichtig. “Om te ontsnappen aan die partituren?”
Dylan keek Gerda nu recht in de ogen, haar blik een mengeling van kwetsbaarheid en herwonnen kracht. “In de Lege Knip zijn de dingen oud en stoffig; ze hebben een verhaal dat al lang is geschreven, een geschiedenis die vaststaat. Dat geeft me een soort veilige rust,” legde ze uit, terwijl ze haar handen even langs de kille muren van de gymzaal liet glijden.
“Maar die muziek van Willy… die veranderde alles. Kijk, hier in het dorp draait hij muziek met ritme, muziek die bedoeld is om simpelweg naar te luisteren of op te dansen. Maar toen hij me vorige week meenam naar die Jazzclub, was het anders. De livemuziek was zo rauw en puur; het drong niet alleen door in mijn oren, maar tot diep in mijn hart.”
Ze hield even in, alsof ze de emotie van dat moment opnieuw beleefde. “Ik was op dat moment zo intens gelukkig dat ik de grip op de werkelijkheid verloor. Ik wist even niet meer of wat ik voelde nu echt was, of dat de muziek een soort trucage met mijn geest uithaalde. Ik raakte de draad volledig kwijt en zonk weg in die trance.”
Dylan glimlachte zwakjes bij de gedachte aan hoe het afliep. “Gelukkig was Meneer van Aalst daar. Ondanks zijn stijve houding wist hij me precies op het juiste moment op te vangen en me weer terug naar de aarde te brengen. Hij begreep blijkbaar meer van die emotionele overstroom dan ik had verwacht.”
Gerda knikte zwijgend. De ‘stille wateren’ van Dylan waren inderdaad diep, gevoed door een verlangen naar echtheid dat ze in haar strikte opvoeding nooit had mogen ervaren. De Jazzclub was niet zomaar een uitje geweest; het was een ontwaken.
Met deze bekentenis was de muur rondom Dylan definitief afgebroken. Gerda had nu het hele verhaal: de strikte achtergrond, de bevrijding door Willy’s muziek en de vaderlijke rol die de gereserveerde Van Aalst die avond had gespeeld.
Gerda voelde dat het moment van de waarheid was aangebroken. De holle galm van de gymzaal vormde een vreemd soort biechtstoel. Ze leunde tegen een van de oude houten banken en keek Dylan met een warme, moederlijke blik aan.
“Maar Dylan,” begon Gerda zacht, haar stem lager nu ze de kern van Jannus’ nieuwsgierigheid naderde. “Vertel me eens… hoe zit het met je jeugd? Je school, je opleiding? Je bent een jonge vrouw van net in de twintig, de wereld ligt aan je voeten. Hoe leuk en gezellig we het hier in de Lege Knip ook hebben — en je weet dat we je niet graag kwijt willen — je hebt toch veel meer mogelijkheden dan alleen het prijzen van oud zilver en munten?”
Dylan staarde naar haar eigen handen, die ze stevig in elkaar had gevouwen. Het was even stil, een stilte waarin alleen het verre ritselen van de wind tegen de hoge ramen van de zaal te horen was.
“Mijn jeugd bestond uit muren van geluid,” begon Dylan, haar stem nu een tikkeltje scherper. “Mijn vader was niet zomaar een muziekleraar; hij was een perfectionist. Thuis was alles een partituur. Ik heb het gymnasium gedaan en daarna moest en zou ik naar het conservatorium. Piano, natuurlijk. Klassiek. Geen noot mocht afwijken, geen emotie mocht de techniek in de weg staan.”
Ze keek op naar de klimrekken, maar leek er dwars doorheen te kijken naar een verleden dat haar nog steeds benauwde. “Ik was goed, technisch gezien zelfs briljant, zeiden ze. Maar ik was dood vanbinnen. Ik was een machine die Bach en Beethoven uitvoerde zonder te weten waarom. Tijdens mijn tweede jaar van de vakopleiding knapte er iets. Ik kon geen toets meer aanraken zonder te trillen. De verwachtingen van mijn ouders, de druk van de muziekwereld… het was een keurslijf dat me verstikte.”
Gerda luisterde ademloos. “En toen ben je vertrokken?”
“Ik ben wegggelopen,” knikte Dylan dapper. “Zonder diploma, zonder plan. Ik wilde ergens zijn waar niemand wist wie mijn vader was en waar muziek niet ‘moest’. De Lege Knip was mijn redding. De voorwerpen daar eisen niets van me; ze zijn al klaar, ze zijn al oud. Jannus gaf me een plek waar ik onzichtbaar kon zijn. Tenminste, dat dacht ik.”
Ze slikte even en keek Gerda dankbaar aan. “Totdat Willy me die muziek liet hóren in plaats van alleen maar spelen. Voor het eerst voelde ik dat mijn opleiding niet voor niets was geweest, maar dat ik het nu op mijn eigen manier mocht doen. Daarom raakte ik de draad kwijt in de Jazzclub. Het was niet alleen de muziek, het was het besef dat ik eindelijk vrij was van die oude partituren.”
Gerda wist genoeg. De “diepe gronden” van Dylan waren geen duistere geheimen, maar de resten van een afgebroken droom die nu langzaam weer tot leven kwam in een nieuwe vorm.
Gerda voelde een brok in haar keel. De “stille wateren” van Dylan waren niet gevuld met geheimen van opzet, maar met de echo’s van een strijd die veel te zwaar was geweest voor zo’n jong hart. Zonder een woord te zeggen, stapte ze op het meisje af en sloeg haar armen stevig om haar heen.
Het was een knuffel die alle onuitgesproken woorden verving: een erkenning van haar moed om de partituur van haar vader dicht te slaan en haar eigen weg te zoeken tussen de scherven van het verleden. Dylan liet haar schouders zakken en leunde heel even tegen de warmte van Gerda aan, een zucht van verlichting ontsnapte aan haar lippen. De kille, galmende gymzaal voelde ineens een stuk minder eenzaam.
“Je bent een dapper mens, Dylan,” fluisterde Gerda terwijl ze haar weer losliet en haar bemoedigend aankeek. “Laten we maar gauw teruggaan naar de winkel. De thee zal inmiddels wel klaarstaan, en Trees vraagt zich vast af of we hier bevroren zijn.”
Terwijl ze de zware deuren van de gymzaal achter zich dichttrokken en de frisse buitenlucht inliepen, had Dylan een blos op haar wangen die er eerder niet was. Gerda wist dat haar missie voor Jannus geslaagd was, maar ze voelde ook een nieuwe verantwoordelijkheid.
Toen ze de straat van de Lege Knip inliepen, zagen ze in de verte de transportfiets van Jannus alweer tegen de muur staan. Hij was terug. En aan zijn onrustige manier van bewegen bij de etalage te zien, kon hij nauwelijks wachten op het verslag.
Binnen in de zaak hing de vertrouwde geur van boenwas en de sfeer van alledag, maar voor Gerda en Dylan was alles anders. Jannus keek direct op toen de bel rinkelde. Hij zag de rode blossen op Dylan’s wangen. Het knipoogje van Gerda maakte hem rustig , maar hij moest toch echt tot de avond wachten voor hij een verhaal hoorde die net even bezijden de waarheid was.
Plaats een reactie