
De geur van verschraald frituurvet hing die donderdagavond zwaarder over de eikenhouten tafel dan de politieke beloftes van de week ervoor. Het dorp was in diepe rouw, maar niet om een persoon. Het was de frietboer, Berend van de ‘Gouden Pieper’, die de handdoek in de frituurpan had gegooid. Na veertig jaar trouwe dienst, waarin hij meer kroketten had overhandigd dan de burgemeester handjes had geschud, ging hij stoppen.
Geen opvolger. Geen overnamekandidaat. Alleen een dichtgetimmerd luik en een vette neerslag op het trottoir.
Piet zat met een somber gezicht een oud wafelijzer uit elkaar te halen, maar zijn gedachten waren bij de lege maag van het dorp. “Het is een schande,” bromde hij, terwijl hij een aangekoekt verwarmingselement inspecteerde. “Berend stopt niet omdat hij zijn vet niet meer warm krijgt, maar omdat de regels hem koud hebben gemaakt.”
Jannus knikte traag terwijl hij een stapel tweedehands borden sorteerde. “Geen opvolger, Piet. Dat is het tragische. Vroeger stonden de jongens in de rij om de zaak over te nemen. Nu durft niemand het meer aan.”
Dorus, die zoals altijd zijn krantenknipsels alweer op orde had, sloeg met zijn vlakke hand op tafel. “Het is het GWB, mannen! Het Grote Wereldwijde Bedrijfsleven, gesteund door de bureaucratische tentakels van het gemeentehuis!”
“Het wat?” vroeg Trees, die net een dienblad met koffie neerzette.
“Het GWB!” herhaalde Dorus vurig. “Kijk naar Berend. Om een frietje te mogen bakken, moest hij de laatste jaren voldoen aan meer eisen dan een kerncentrale. Een vet-afscheidings-installatie die duurder is dan een gemiddelde gezinsauto, drie verschillende vergunningen voor zijn luifel, en een inspectie van de Voedsel- en Warenautoriteit die zelfs checkt of de zoutkorrels wel allemaal dezelfde diameter hebben.”
Piet lachte schor. “En vergeet de ‘geur-neutralisatie-belasting’ niet! De gemeente vond dat de geur van gebakken uien een ‘visuele vervuiling van de reukzin’ was. Berend moest een afzuigkap installeren die zo hard zoog dat de pruik van mevrouw Van der Berg bijna van haar hoofd vloog toen ze erlangs liep.”
“Maar dat is het punt,” vulde Jannus aan, terwijl hij een chipje uit een denkbeeldige zak at. “Een kleine middenstander als Berend kan die investeringen niet terugverdienen met een frietje met. Maar die grote ketens, die ‘Mc-Giganten’, die lachen daarom. Die hebben een hele afdeling met advocaten die die regeltjes als ontbijt eten. De kleine man wordt gewoon weggefilterd, alsof hij een verbrand restje frituur is onderin de pan.”
Piet keek naar de stapel defecte apparaten voor hem. “Weet je wat het is? Straks hebben we een prachtig autovrij centrum, dankzij mevrouw Diepenbrock, maar is er niks meer te vreten. Dan lopen we daar met onze ‘intelligente logistiek’ door een lege straat, starend naar een dichtgetimmerde frituur. We worden opgevoed door het GWB: alles moet hetzelfde smaken, overal ter wereld. Een frietje van Berend had karakter. Dat was soms een beetje te zout, soms een beetje te slap, maar het was ons frietje.”
Trees zuchtte. “Misschien moeten we in de Lege Knip een ‘Friet-Museum’ inrichten. Met de oude vetpan van Berend als topstuk.”
“Of,” zei Dorus met een gevaarlijk glinstertje in zijn ogen, “we maken van de volgende discussieavond een ‘Frituur-Inspraak-Uur’. We nodigen de wethouder Economische Zaken uit en laten hem de hele avond kijken naar een lege zak patat.”
Het plein voor het gemeentehuis vormde het decor voor een confrontatie die nog lang besproken zou worden in de wandelgangen van de lokale politiek. De lucht was grijs, maar de vastberadenheid van de groep dorpsbewoners, aangevoerd door de vertrouwde gezichten van De Lege Knip, was zonneklaar.
Daar stonden ze dan: Jannus in zijn vertrouwde stofjas, Dorus met een stapel dikke dossiers onder zijn arm, en Piet, die voor de gelegenheid een enorme lege frietzak aan een stok had gebonden als een soort culinaire vlag in halfstok. Achter hen een bonte verzameling dorpsgenoten — van de jonge Dylan tot de oudgedienden die al decennia hun frietje bij Berend haalden.
Mevrouw de Burgemeester, een vrouw die doorgaans de voorkeur gaf aan lintjes doorknippen boven lastige vragen, verscheen op het bordes. Ze keek met een mengeling van verbazing en lichte vrees naar de menigte die zich voor de zware eiken deuren had verzameld.
Dorus stapte naar voren, de petitie stevig in zijn handen geklemd. “Mevrouw de Burgemeester,” begon hij, zijn stem galmend over het plein. “Wij bieden u vandaag niet zomaar een lijst met handtekeningen aan. Wij bieden u de laatste ademtocht van onze kleine middenstand aan. De sluiting van ‘De Gouden Pieper’ is geen incident, het is een symptoom van een zieke regeldrift die onze ondernemers verstikt!”
De burgemeester nam het document met de vingertoppen aan, alsof ze bang was dat er nog wat frituurvet aan zou kleven. “Ik begrijp uw bezorgdheid,” sprak ze met haar professionele ‘burgemeesterstem’. “Maar wij moeten ons houden aan de landelijke richtlijnen en het vestigingsbeleid…”
“Richtlijnen vullen geen magen!” riep Piet vanuit de menigte. Hij hief zijn symbolische lege frietzak omhoog. “Als u zo doorgaat met uw GWB-vriendjes en uw regeltjes, dan is dit het enige wat er overblijft van dit dorp: een lege zak. En geloof me, dat vreet een stuk minder lekker dan de satékruiden van Berend!”
Er klonk een luid gejuich en her en der werd er ritmisch op lege metalen bakjes geslagen. De burgemeester besefte dat ze hier niet met een simpel ‘dank-u-wel’ wegkwam. De ogen van het dorp waren op haar gericht, en Jannus keek haar aan met een blik die zei dat de volgende donderdagavond in De Lege Knip wel eens heel erg ongezellig voor haar kon worden als er geen actie werd ondernomen.
Geef een reactie op Jacobus Reactie annuleren