De dag erna


Dan verschijnt haar grote baas in de deuropening van het magazijn. Hij loopt recht op haar af, zijn blik scherp maar niet onvriendelijk. “Waar heb je geslapen vannacht?

Ze blijft staan, haar hand nog op een kledinghanger. “Dat wilt u niet weten.

Hij fronst. “Maar toch niet weer op dat gevaarlijke adres van Dakloos?”

Ze kijkt hem aan. De glimlach die ze eerder droeg, verdwijnt volledig. Haar ogen zijn vermoeid, maar helder — alsof ze eindelijk besloten heeft niet meer te verbergen wat er gebeurd is.

Ze buigt iets naar hem toe, haar stem nauwelijks hoorbaar. “Ik heb de nacht doorgebracht in een politiecel,” fluistert ze. “Maar comfortabel was het niet.

De baas kijkt haar even zwijgend aan, zijn handen rustend op de rand van het bureau. De winkelgeluiden zijn gedempt — alleen het zachte tikken van de klok en het verre geritsel van kleding zijn hoorbaar.

 “Kom mee naar kantoor en vertel,” zegt hij uiteindelijk. Zijn stem is niet hard, maar wel doordringend. Ze knikt, loopt achter hem aan, en sluit de deur zachtjes.

Daar, in de kleine ruimte met stapels papieren en een geur van textiel, vertelt ze alles. Over de ruzie met haar vriendin, het niet meer mogen blijven slapen, de nachtelijke achtervolging, de botsing met de agent, en het verhoor op het politiebureau.

De baas luistert zonder haar te onderbreken. Zijn blik blijft strak, maar zijn ogen verraden bezorgdheid.

 “En wat ga je vanavond doen?” vraagt hij na een lange stilte. “Waar ga je overnachten? Heb je daar al een idee over?

Ze haalt haar schouders op, haar stem bijna fluisterend. “Ik denk dat ik maar naar een soort opvanghuis moet gaan zoeken. Maar naar Dakloos… daar wil ik nooit meer binnen.

De baas knikt langzaam. “Goed,” zegt hij. “Dan gaan we samen kijken wat er wél kan.”

Zijn toon is zakelijk, maar er zit iets in — een belofte, een vorm van bescherming die ze niet had verwacht. Ze kijkt hem aan, en voor het eerst die dag lijkt haar glimlach niet gespeeld.

Hij staat op en loopt naar de deur, zijn hand al op de klink. “Kom, er is weer werk aan de winkel.” zegt hij, met die mengeling van zakelijkheid en zorg die hij alleen bij haar lijkt te tonen. “Praat er niet over met je collega’s. Die hoeven het niet te weten, oké?

Ze knikt. Niet omdat ze het volledig begrijpt, maar omdat ze weet dat hij gelijk heeft. Sommige dingen zijn te zwaar, te vreemd, te persoonlijk om te delen met mensen die alleen maar roddelen.

Ze loopt de winkel in, tussen de rekken met rokken en jurken. De routine grijpt haar meteen weer vast: een klant die haar aanklampt, een vraag over maat, kleur, pasvorm. Ze schakelt moeiteloos — zoals ze dat al jaren doet.

Ze helpt de klant zo goed mogelijk, met dat natuurlijke talent voor modeadvies en kleurcombinaties dat haar altijd heeft onderscheiden. Ze weet precies wat past bij welke leeftijd, welke stijl, welke gelegenheid. Het is een gave die ze nooit heeft hoeven leren; het zat in haar.

En dat talent heeft haar iets opgeleverd: een eigen klantenkring die haar vertrouwt, haar zoekt, haar volgt. Maar ook iets anders: jaloezie bij collega’s — fluisteringen, blikken, kleine steken onder water.

Ze heeft het altijd genegeerd. Vandaag voelt het zwaarder dan anders, maar ze blijft glimlachen. Niet omdat ze zich goed voelt, maar omdat ze weet dat ze moet.

Terwijl ze een jurk aanreikt, denkt ze aan de nacht. Aan de cel. Aan de adjunct. Aan het gebouw waar ze nooit meer naar binnen wil.

Maar haar handen blijven rustig, haar stem vriendelijk, haar advies precies zoals de klant het nodig heeft.

Ze doet wat ze altijd doet: overleven door te functioneren.

Tussen de middag schuift ze haar lunch opzij en pakt haar telefoon. Het is het eerste moment van rust sinds de nacht, en ze voelt hoe haar gedachten eindelijk ruimte krijgen om iets praktisch te doen: onderdak zoeken.

Op internet vindt ze talloze verwijzingen naar Stichting Dakloos — telkens weer datzelfde adres, telkens weer diezelfde naam op de gevel. Ze scrolt er resoluut voorbij. Dat hoofdstuk is voor haar gesloten.

Ze zoekt verder, dieper, specifieker. Niet de grote, bekende adressen, maar de kleinere opvanghuizen die soms wél veilig zijn. Na een paar minuten vindt ze een plek die betrouwbaar lijkt: een kleinschalige noodopvang, met goede recensies en een duidelijke intakeprocedure.

Ze leest de voorwaarden. Ze leest de tijden. Ze leest de regels.

En dan ziet ze het: “Inschrijving mogelijk na 17:00 uur.”

Dat past precies.

Ze belt. Een rustige vrouwenstem neemt op. Er is misschien plek — niet gegarandeerd, maar wel waarschijnlijk. Ze kan langskomen na haar werk, zich inschrijven, en dan horen of ze diezelfde avond terecht kan.

Ze maakt de afspraak. Noteert het adres. Voelt een kleine, voorzichtige opluchting.

Daarna loopt ze weer de winkel in. De rekken met jurken, de kleuren, de stoffen — het is haar wereld, haar routine, haar veilige plek tussen alle chaos.

Een klant vraagt haar om hulp bij een maat. Ze glimlacht, geeft advies, pakt een passende rok uit het rek. Zoals ze dat al jaren doet. Zoals ze dat goed kan.

Vandaag voelt ze dat alles sterker. Maar ze werkt door. Want dat is wat ze altijd heeft gedaan: doorgaan, zelfs wanneer de grond onder haar voeten verschuift.

Tegen sluitingstijd, wanneer de laatste jurken worden recht gehangen en de toonbank wordt schoongeveegd, ziet ze haar (ex-)vriendin plotseling voor de etalage staan. Het is maar een glimp — een silhouet, een houding die ze meteen herkent — maar het is genoeg om haar adem even te laten haperen.

Haar baas ziet het ook. Hij legt de stapel kleding neer, kijkt haar aan, en gebaart dat ze met hem mee moet komen. Hij neemt haar mee naar een plek achter in de winkel waar ze niet gezien kunnen worden — tussen de dozen, de voorraad, de geur van nieuw textiel.

Ik denk dat ze je opwacht,” zegt hij zacht. “Maar ik zou voorzichtig met haar zijn. Ik zie haar niet direct als een goede vriendin voor jou.

Ze lacht kort, maar het is een lach zonder vrolijkheid. “Ik heb bij haar een streep onder onze vriendschap gezet. Dat zal ik haar ook wel vertellen.

Wanneer ze naar buiten loopt, staat Greet haar inderdaad op te wachten. Armen over elkaar. Onrust in haar ogen. Een houding die tegelijk smekend en uitdagend is. “Kunnen we praten?” vraagt Greet.

De vrouw gooit haar kin iets omhoog — niet arrogant, maar vastberaden. “Ik denk dat het niet nodig is, Greet. Jouw manier van met mensen omgaan past niet bij mij.

Greet opent haar mond, maar zij gaat verder, haar stem helder en ongewoon stevig:

Ik heb besloten dat ik mij nooit meer zo respectloos laat behandelen als jij hebt gedaan toen je mij de deur uit zette. Ik heb een streep onder onze relatie gezet. Excuus kun je maken, maar het is en blijft over.

Greet slikt. De woorden komen harder binnen dan ze had verwacht.

Er is nooit liefde geweest, Greet. Het was bij jou hebzucht.

Ze pakt haar tas steviger vast.

Nu moet ik weg, want ik heb ergens een afspraak en daar wil ik op tijd zijn.

Greet staat daar, midden op de stoep, alsof de grond onder haar voeten verschuift. Ze weet niet wat ze moet zeggen — haar mond opent, sluit, opent weer.

Sorry, Brenda… maar ik heb wel spijt. Als je dat maar weet.

Maar Brenda is al onderweg. Haar pas is vast. Haar besluit is genomen.

Onderweg naar het opvanghuis loopt Brenda stevig door, haar tas tegen haar zij gedrukt. De avondlucht is warm, maar haar gedachten zijn koud en scherp. Dan klinkt het piepje van haar mobiel. Ze kijkt stiekem — een snelle blik, alsof ze bang is dat iemand haar ziet.

Het is niet wie ze verwachtte. Het is haar baas.

Ze neemt op. “Met Brenda.

Even blijft het stil aan de andere kant van de lijn. Dan klinkt zijn stem, laag en bedachtzaam:

Brenda… als het niet lukt, kun je me bellen. Dan heb ik misschien een oplossing.

Ze blijft staan. Kijkt op, alsof de lucht haar antwoord moet geven. Hoezo? denkt ze. Wat voor oplossing zou hij kunnen hebben?

Wat had u voor oplossing, meneer Van Olphen?” Haar stem is beleefd, maar nooit direct enthousiast. Ze heeft altijd bedenkingen — en nu zeker.

Hij reageert meteen, maar zonder uitleg: “Brenda, ga nu eerst maar naar je afspraak. Bel me straks terug.

De lijn verbreekt. Ze blijft nog een seconde staan, het scherm in haar hand, haar hart iets sneller dan normaal.

Dan ademt ze diep in, stopt haar telefoon weg en loopt het gebouw van de opvang binnen — een plek die ze nog niet kent, maar die vanavond misschien haar enige veilige haven is.


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reacties op “De dag erna”

  1. Karel Avatar

    het wordt met steeds meer daklozen niet makkelijker om onderdak te vinden
    en ja wat heeft haar baas dan in de aanbieding ? ik heb zo m’n gedachten
    maar onder alle slechten is vast een goede

    Geliked door 1 persoon

    1. wzijlstra10 Avatar

      Karel, zover ben ik nog niet, dus kan nog wel wat bedenken. Het gaat er om dat de lijn naar het slot bekend is, en die is er wel, alleen wat er tussen door langs komt is maar net met welke inspiratie ik de dag begin.

      Geliked door 2 people

      1. Karel Avatar

        zo is dat
        ik loop op de zaken vooruit , zal de schuld van de bazen zijn
        suc6

        Geliked door 1 persoon

  2. bertjens Avatar

    Hm. Ben benieuwd naar die baas.

    Geliked door 1 persoon

    1. TaaltuinZuid Avatar

      Ik ook, klinkt wat verdacht

      Geliked door 2 people

  3. logbankje Avatar

    Nou haar grote baas hoeft toch niet alles van haar privé te weten. Maar hij denkt wel mee, dat is wel een voordeel. Haar werk geeft haar wel afleiding. En voor Greet is er ook geen plek meer bij haar. Het is te hopen dat er na de opvang een gewoon leven op haar weg komt. Hans

    Geliked door 1 persoon

  4. britt Avatar

    Ik vertrouw de baas ook niet helemaal.
    Ben benieuwd hoe het verder gaat

    Geliked door 1 persoon

  5. ymarleen Avatar

    Ik hoop dat het goed mag aflopen, maar vrees dat er eerst nog het een en het ander zal gebeuren.

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder