
“Dat zal ik zeker doen, Simon,” zei Brenda, terwijl er een ontspannen blik over haar gezicht trok. “Het voelt gek genoeg alsof vanavond alles eindelijk een beetje op zijn plek valt.”
“Weet je, soms is het net als bij ons op het bureau, Je bent aan het zoeken en kunt het niet vinden, maar zodra je niet meer zoekt loop je er tegenaan” Brenda ziet hem aan en begint te lachen. Waarom lach je nu? op dat moment begint Brenda nog harder te lachen. “Ben jij nu al vergeten dat ik een paar dagen geleden tegen die agent die hier naast me zit aanliep?” Simon kreeg even een kleur op zijn wangen en het was maar goed dat hij niet in het volle licht zat, want door het gelach van Brenda had het stel wel aandacht.
Simon zette met een opgerekte glimlach zijn glas op de bar. “Ahum… tja, als je het zo bekijkt, heb je natuurlijk een punt,” gaf hij gewonnen toe, terwijl de blos op zijn wangen langzaam wegtrok.
Het café was rond dit uur op zijn gezelligst. Het gedempte licht, het geroezemoes op de achtergrond en de ontspannen sfeer vormden een wereld van verschil met de hectiek op het bureau van de afgelopen dagen.
Brenda nam nog een klein slokje van haar bier en keek Simon aan met een zachtere blik. “Maar zonder gekheid, Simon… bedankt. Niet alleen voor het gesprek vanavond, maar ook voor het werk dat jullie verzetten. Het geeft me echt rust te weten dat die gasten niet meer op straat rondlopen.”
“Dat is ons werk, Brenda. Maar ik ben blij dat het voor jou ook een positieve wending heeft genomen. Een eigen plekje boven de kledingzaak klinkt als een fantastische nieuwe start.”
Ze bleven nog een poosje kletsen over alledaagse dingen — de drukte in de stad, het werk in de dameskledingzaak en de kleine plezierige dingen van het leven — ver weg van strafrechtelijke dossiers en verdachten. Rond middernacht sloot het café langzaam.
“Tijd om op te stappen,” zei Simon terwijl hij de barman afrekende.
“Ga ik ook doen,” knikte Brenda. Ze liepen samen naar buiten, waar de kille nachtlucht hen tegemoet kwam. Brenda trok haar jas stevig dicht. “Ik ga lopend naar mijn nieuwe plekje, het is immers om de hoek.”
“Wacht, ik loop wel even met je mee,” zei Simon beslist, terwijl hij zijn fiets aan het stuur meenam. “Oude gewoontes verleer je niet zo snel.”
Samen wandelden ze door de stil geworden winkelstraat richting de dameskledingzaak van Van Olphen. Bij de privé-ingang aan de zijkant bleef Brenda staan en draaide zich om.
“Bedankt voor het meelopen, Simon. En voor de krentenbol-compensatie in het café,” zei ze met een knipoog.
“Geen dank,” lachte Simon. “Slaap lekker, Brenda. En hou me op de hoogte als je Cora gesproken hebt.”
“Beloofd. Goedenacht, Simon.”
Met een tevreden gevoel stapte Simon op zijn fiets voor het laatste stukje naar huis. De nacht was rustig, de verdachten zaten vast en voor het eerst in weken voelde het alsof de stad weer op adem kon komen.
Thuisgekomen zette Simon zijn fiets in de schuur. In de woonkamer, waar slechts een paar schemerlampjes brandden, zakte hij toch nog maar even op de bank. Het zachte, warme licht van de schemerlampen bracht een rust die hij na zo’n hectische werkweek hard nodig had. Hij staarde even naar het plafond en liet de gebeurtenissen van de avond door zijn hoofd gaan.
Wat een bizarre samenloop van omstandigheden. Nog geen paar uur geleden zat hij op het bureau met Sake te praten, filosoferend over waar Brenda gebleven zou zijn en hoe jammer het was dat ze haar uit het oog waren verloren. En nu, een poosje later, had hij gewoon een biertje met haar gedronken aan de bar.
Wat hem vooral bijblijf, was hoe adrem ze reageerde. Hij had het gesprek ingestoken met de intentie om meer te weten te komen over haar situatie, om de ontbrekende puzzelstukjes rond de stichting en Cora op te halen. Maar Brenda had de regie subtiel overgenomen door met die heerlijke dosis zelfspot terug te grijpen op hun eerste, harde ontmoeting op straat.
Ze was niet zomaar een slachtoffer dat hulpeloos afwachtte; ze was scherp, veerkrachtig en liet zich niet zomaar uit het veld slaan. Dat ze nu haar eigen plekje boven de kledingzaak van Van Olphen had, voelde als een gerechtigheid die de politie niet met een proces-verbaal kon regelen, maar die het leven haar zelf had gegeven.
Met een lichte glimlach om zijn lippen stond Simon op van de bank, klikte de schemerlampen uit en liep naar boven. Morgen zou de recherche het stokje overnemen met de verhoren in het ziekenhuis, maar voor vannacht was de zaak gesloten.
Boven de kledingzaak van Van Olphen brandde nog licht in de kamer van Brenda. Ook haar gedachten gingen terug naar Simon en de afgelopen avond. Het prettige gesprek, zijn oprechte belangstelling én die onhandige botsing op straat — die achteraf gezien eigenlijk haar redding was geweest. Er verscheen weer een kleine glimlach op haar gezicht. “Hij was, of is, echt mijn redder,” dacht ze bij zichzelf.
Ze hadden over van alles gesproken, ook uitgebreid over haar verbroken relatie, maar Simons eigen verleden was nauwelijks ter sprake gekomen. Iets waar ze achteraf toch wel benieuwd naar was geworden. Terwijl ze zich klaarmaakte om in bed te stappen, voelde ze een plotselinge warmte vanbinnen.
“Ho eens even, Brenda, rustig aan… of ben je nu al verliefd?” schoot het plagend door haar hoofd.
In het ziekenhuis was korte tijd later grote paniek ontstaan. Remco had door de crash met de auto niet alleen een zware hersenschudding opgelopen, maar ook een paar ribben gebroken. Een van de verpleegkundigen zag dat hij naar adem liep te happen en dat het zweet hem op het voorhoofd stond. Toen de monitor aangaf dat zijn vitale functies snel achteruitgingen, sloeg ze meteen alarm.
Binnen tien minuten lag Remco op de operatiekamer. Pas tijdens de ingreep ontdekten de chirurgen dat hij naast de breuken ook een schotwond had opgelopen, waarbij de kogel rakelings langs een van zijn vitale organen was gegaan.
Een uur later lag Remco stabiel op de Intensive Care. De politiebewaking verhuisde direct met hem mee en nam positie in voor de deur van de afdeling.
Op een andere zaal lag Zwarte Peer, zwaar onder de medicijnen nadat hij eerst een middel toegediend had gekregen waarvoor hij allergisch bleek te zijn. Door de klap van de crash was hij met zijn schouder tegen een hard metalen object geknald, met een gebroken schouderblad tot gevolg.
De verpleging had flink wat te stellen met Peer. Hij werkte op alle mogelijke manieren tegen, al had hij door zijn verwondingen en de politiebewaking weinig keus. Zijn pogingen om te vloeken en te tieren werden hem door de hevige pijn en zijn blessures nagenoeg onmogelijk gemaakt.
Karim leek er in eerste instantie het slechtst vanaf te zijn gekomen. Mede door zijn hoofdwond en zijn ingedrukte borstkas was hij, nadat hij aanvankelijk nog even helder was geweest, in een coma beland. Uit de gemaakte scan bleek hij ernstige hersenbeschadiging te hebben opgelopen, wat ook zijn spraakvermogen zwaar had aangetast. De volgende ochtend zou bovendien onderzocht moeten worden of er sprake was van een dwarslaesie. Dit betekende dat de verhoorplanning voor Karim, die voor de ochtend op het programma stond, definitief geschrapt kon worden.
De laatste van de vier, Sietse, was er het best vanaf gekomen. Hij was bij de klap weliswaar hard tegen de boarding gesmakt, maar daar stonden gelukkig geen obstakels in de weg. Hij hield er een gekneusde pols en een paar flinke bloeduitstortingen aan over. Sietse was dan ook de enige die goed aanspreekbaar was, al was hij niet meer dan een meeloper met nauwelijks inzicht in de duistere praktijken van zijn maten.
Het beloofde voor Bart en Anita de volgende ochtend dan ook verre van eenvoudig te worden om bruikbare verhoren af te nemen. Met een zwaargewonde verdachte op de IC, een opstandige patiënt vol medicatie, een coma-patiënt met mogelijk blijvend letsel en slechts één meeloper die van niks wist, zou het recherchewerk in het ziekenhuis een taaie klus worden.
Plaats een reactie