
Nadat de deur achter Erik in het slot viel, bleef het even stil in de kamer. De doffe klank van het slot leek het gesprek definitief te bezegelen.
Cora stak haar handen in haar zakken en staarde naar de plek waar Erik zojuist nog gestaan had. Een lichte zucht verliet haar lippen. Ze had ergens gehoopt dat deze ontmoeting met een goedgebeklede bankman haar misschien een discreet duwtje in de goede richting zou opleveren voor een geschikte huurwoning — een tip via-via, een naam van een pandeigenaar die wél deugde. Maar het gesprek was volledig opgeslokt door recherchewerk, dossiers en de FIOD. De woonsituatie in de stad bleef voor haar net zo’n ondoordringbaar moeras als voorheen.
Brenda keek Cora meelevend aan en ruimde zwijgend de lege koffiekopjes op. “Nou,” zei Brenda zacht, “dat was een heel zakelijk bezoekje.”
“Ja,” antwoordde Cora met een matige glimlach. “Geen huizentip, maar wel een hoop financiële taal. Het was het proberen waard.”
Simon stond bij het raam en keek hoe de achterlichten van Eriks auto in de donkere winkelstraat verdwenen. Er knaagde iets aan hem. De waarschuwing van Erik — verspil geen onnodige moeite — voelde niet als een goed advies, maar als een muur waar hij met gestrekt been tegenaan was gelopen. De recherche dacht het dossier over te dragen aan de FIOD en de zaak rustig te laten rijpen op een bureau in Den Haag, terwijl op straat de ontruimingen en vage huizenschuif gewoon doorgingen. Een illusie armer besefte Simon dat hun eigen onderzoek naar Bogaart B.V. en Makelaardij De Vries voorlopig ijskoud werd gezet.
“Ik ga er ook maar eens vandoor,” zei Simon, terwijl hij zijn jas van de kapstok pakte en de rits tot zijn kin optrok.
“Succes morgen, Simon,” zei Cora. “Laat je de moed niet ontnemen.”
“Komt goed,” knikte hij kort, al klonk zijn stem minder overtuigd dan normaal.
Brenda loopt met hem mee naar beneden en nemen bij de achteruitgang nog even innig afscheid. Voor het weekend had Simon verteld vrij te zijn en wilde wel iets met haar ondernemen “Het zou misschien wel leuk zijn om met z’n tweeën er een dagje uit te gaan, denk er maar eens over” Brenda hoorde hem verrast aan “morgen laat ik het je wel weten”
De volgende ochtend op het bureau hing de vertrouwde geur van goedkope koffie en natte regenjassen. Sake zat al achter zijn bureau, met twee dampende mokken voor zich en een notitieblok vol aantekeningen over de kentekens van de opruimploeg.
Simon liep binnen, trok zijn stoel achteruit en ging met een diepe zucht zitten. Hij keek naar het notitieblok van Sake en schudde langzaam zijn hoofd.
Sake keek op van zijn papieren, zijn wenkbrauwen opgetrokken. “Zo, jij kijkt vrolijk. Heb je slecht geslapen, of heeft De Vries vannacht weer een heel straatgenootje verkocht?”
“Sake… trek die notities maar door de shredder,” zei Simon op een lage, strakke toon.
Sake liet zijn pen op tafel vallen. “Wat zeg je me nu? We waren gisteren net op het spoor van die ontruimingswagens!”
“Het onderzoek stopt,” zei Simon eerlijk. “Ik heb gisteravond gesproken met Erik van der Meer, die buurman van Joris. De bank en de FIOD zitten er bovenop. Alles gaat via hun financiële kanalen. Het uitdrukkelijke verzoek — of nou ja, de boodschap — is dat wij ons er niet meer mee bemoeien. We schrikken de grote vissen af als we op straat rond blijven snuffelen.”
Sake staarde Simon stomverbaasd aan. “Dus De Vries en Bogaart gaan vrijuit op straat, terwijl een stel rekenmeesters in Den Haag de balansen zit te bestuderen? En wat doen wij dan?”
“Wat we altijd doen,” antwoordde Simon, terwijl hij de sleutels van hun dienstfietsen van het bord pakte en ze naar Sake toe schoof. “Helm op, de straat op. Gewoon met z’n tweeën de wijk in. Bekeuringen schrijven, jeugd aanspreken en de rust bewaren.”
Sake pakte de sleutels op en keek er hoofdschuddend naar. “Terug naar de dagelijkse surveillance alsof er niets aan de hand is…”
“Precies,” zei Simon, terwijl hij opstond. “Maar hou je ogen open op straat, Sake. De FIOD kijkt naar de cijfers op papier, maar wij lopen of rijden nog steeds door de stad.”
Net op het moment dat de twee op route zouden gaan komt Joris langs. “Simon, ik heb gisteren met mijn buurman Erik van der Meer gesproken en we hebben het over de kruiwagen gehad en over jouw obsessie met Boogaart en de Vries de makelaar. Hij heeft liever niet dat wij ons daarmee bezighouden omdat we hen dan voor de voeten gaan lopen” Simon knikte “Chef , uw buurman is gisteravond nog bij Cora geweest om zijn excuus aan te bieden en we hebben het inderdaad ook over die makelaar gehad. Hij heeft het me duidelijk uitgelegd en ik weet nu hoe de vork in de steel steekt
Joris keek verrast op en haalde hoorbaar adem. “Is hij gisteravond nog bij Cora langs geweest? Nou, dat siert hem. Erik is een man van de inhoud en hij wil gewoon niet dat goed bedoeld speurwerk een groter financieel onderzoek doorkruist. Ik ben blij dat het uit de lucht is, Simon.”
Simon hield zijn gezicht in de plooi en knikte rustig. “Helder, chef. Geen misverstanden meer. Wij richten ons vanaf nu gewoon weer volledig certified op de dagelijkse wijkreprise. Sake en ik stappen net op de fiets.”
“Mooi zo,” zei Joris met een zichtbaar opgeluchte blik. “Houd de straat rustig vandaag. En als er wat is met die normale wijkzaken, hoor ik het wel.” Hij gaf de twee een korte knik en liep tevreden terug richting zijn eigen kantoor.
Toen het spoor van de chef definitief achter de klappende deuren van de gang verdwenen was, keek Sake Simon met opgetrokken wenkbrauwen aan.
“Je weet het wel mooi te brengen,” zei Sake op lage toon, terwijl hij de fietssleutel in zijn hand ronddraaide. “‘Hoe de vork in de steel steekt’… Je liet hem fijntjes geloven dat je het hoofdstuk definitief hebt afgesloten.”
Simon pakte zijn gele veiligheidshesje van de kapstok en trok het aan. “Ik heb geen woord gelogen, Sake. Ik weet nu inderdaad hoe de vork in de steel steekt: de FIOD pakt het papierwerk aan, en wij mogen ons ‘officieel’ nergens meer mee bemoeien.” Hij keek zijn partner met een scherpe blik aan. “Maar dat betekent niet dat ik mijn ogen sluit als we zo meteen door de Spoorwijk fietsen. Kom, we gaan de wijk in.”
Met de dienstfietsen aan de hand liepen de twee agenten de binnenplaats van het bureau op, de frisse ochtendlucht in, klaar voor hun dagelijkse ronde door de stad. Een route die normaal altijd vast ligt, maar ook afhankelijk mis van de tijd van vertrek. Nu al vroeg in de morgen zijn het eerst een paar kleuterscholen waar ze de parkerende auto’s van de ouders in de gaten houden. Het is met kleine kinderen altijd oppassen met oversteken. Ook nu stonden er een paar auto’s waar ze niet hoorden te staan en al snel wanneer ze in zicht kwamen zagen ze de ouders al snel naar hun ouders rennen en wegreden. Eerder hadden de twee al eens een aantal waarschuwingen gegeven, met de mededeling dat het de volgende keer een bon zou zijn.
Sake zag het wat minder zwaar en had wel eens tegen Simon gezegd “Jonge, moet je nu eens zien hoeveel ruimte er bij die school is. Met zoveel van die kleuters is er toch veel te weinig parkeerruimte? Maar ja jij hebt geen kinderen, jij hoeft dus ook niet de vaderlijke taak op je te nemen. Jij ziet daar via de regeltjes tegen aan,maar je kunt best wat ruimer gaan denken” Simon had toen at gemord, maar uiteindelijk Sake wel gelijk gegeven.
Het was altijd dezelfde discussie op de vroege ochtend. Terwijl de rode en blauwe achterlichten van de gehaaste ouders snel om de hoek verdwenen, zette Simon zijn fiets even op de standaard voor het hek van basisschool De Springplank.
“Het gaat mij niet om die blikken blik op de stoep, Sake,” zei Simon terwijl hij zijn handschoenen wat strakker aantrok. “Het gaat om die kleintjes die nauwelijks boven een motorkap uitkomen. Eén ouder die op zijn horloge kijkt, een tikje te snel achteruit steekt, en je hebt de poppen aan het dansen.”
Sake leunde met één been op de trapper en glimlachte mild. “Ik weet het, Simon, ik weet het. Maar als je zelf ’s morgens twee van die apen op tijd aangekleed, gevoerd en op school moet zien te krijgen, begrijp je de paniek in hun ogen wat beter. Een beetje clementie op de vroege morgen houdt de sfeer in de buurt ook goed.”
Een uur later rijden ze op de toegangsweg naar de stad toe, een weg met fietspaden aan beide zijden en een weg met veel zijwegen en dus afslagen. Hier is het scoren van boetes doorsnee gebakken koek, altijd zijn er wel fietsers die bij het afslaan de richting niet aangeven, rijden met een mobiel in de hand en soms met z’n drieën naast elkaar rijden. Deze morgen horen ze een brommer aankomen waar waarschijnlijk de knalpot van afgehaald was. Sake was net op tijd om de jongeman tegen te houden. “Jongeman U heeft nog al wat db’s en u laat van veraf al weten dat u er aankomt. Ik ga er vanuit dat u weet dat dit niet mag?” De jonge stond daar met blossen op de wangen “meneer, onderweg is de uitlaat los geraakt en nu ben ik onderweg naar de fietsmaker”. Simon schoot in de lach, hij kende deze verontschuldigingen wel” Sake had de oplossing “Jongeman, naar welke fietsmaker gaat u naar toe?” “oh meneer twee straten verder om de hoek in de Valeriusstraat daar zit Fietsenmaker de Vries” Zonder dat Sake over de naam nadacht “Goed Jongeman, dan laat u hem maken, Lopend gaat u verder en wanneer hij gemaakt is komt u op het bureau uw brommer te laten controleren en u laat het reparatie bonnetjes daar zien” zo niet dan volgt er alsnog een boete het verzekeringskenteken hebben we opgenomen, dus het ligt verder aan u.”
De jongen knikte haastig, zichtbaar opgelucht dat hij er met een waarschuwing en een opdracht vanaf kwam. “Ja meneer, heel erg bedankt meneer! Ik ga meteen lopen,” stamelde hij, terwijl hij met een rood hoofd de motor afzette en zijn brommer aan het stuur meeneemde over de stoep.
Sake keek de jongen tevreden na en schreef het kenteken even snel op in zijn opschrijfboekje. “Zo, weer een goede daad verricht. Opvoeden is beter dan meteen schrijven op de vroege morgen, toch Simon?”
Simon reageerde niet direct. Hij staarde naar de hoek van de straat waar de jongen met zijn luidruchtige brommer wandelend verdween. De naam galmde nog steeds na in zijn hoofd.
De Vries.
“Sake…” zei Simon langzaam, terwijl hij zijn armen op zijn fietsstuur liet rusten. “Welke fietsenmaker zei hij net?”
Sake keek op van zijn boekje en knipte met zijn balpen. “Iets in de Valeriusstraat. De Vries, dacht ik?” Sake pauzeerde even en zijn ogen werden iets groter toen de naam nu pas echt bij hem binnenkwam. Hij schudde echter meteen zijn hoofd. “Kom op Simon, De Vries is een van de meest voorkomende achternamen van het land. Er zitten tientallen De Vriezen in de stad. Je gaat me toch niet vertellen dat je nu ook de lokale fietsenmaker wilt gaan schaduwen?”
Simon liet een korte, wrange glimlach zien. Hij wist dat Sake gelijk had; na het gesprek met Joris en Erik moest hij zijn obsessie laten rusten. Het was waarschijnlijk puur toeval. Een alledaagse fietsenmaker in een rustige zijstraat.
“Nee, je hebt gelijk,” zuchtte Simon, hoewel zijn speurdersinstinct voor een seconde toch weer even opspeelde. “Toeval bestaat, nietwaar? Kom, laten we het fietspad verder controleren voordat ze de mobieltjes massaal achter het stuur tevoorschijn toveren.”
Ze stapten weer op hun dienstfietsen en vervolgden hun weg langs de drukke toegangsweg, terwijl de stad om hen heen langzaam op gang kwam.
Plaats een reactie