
Het was bijna vier uur toen rechercheur Joris van Asperen de telefoon op zijn bureau zag oplichten. Normaal gesproken bestonden zijn inkomende oproepen voornamelijk uit interne lijntjes van collega’s binnen het hoofdbureau. Maar een telefoontje rechtstreeks uit de penitentiaire inrichting? Dat gebeurde hoogst zelden.
“Van Asperen,” nam hij zakelijk op.
“Meneer Van Asperen, u spreekt met Van der Heide, Hoofd Beveiliging van de PI. Kunt u alstublieft met spoed naar ons toe komen? We hebben hier een serieus probleem.”
Joris voelde meteen zijn rechercheursinstinct opspringen. Hij leunde achterover in zijn bureaustoel en antwoordde scherp: “Meneer Van der Heide, problemen zijn er in principe om opgelost te worden… maar gezien uw haast vermoed ik dat er wel wat meer aan de hand is dan een opstootje op de luchtplaats.”
“Dat ziet u helaas volkomen juist,” klonk de stem van Van der Heide aan de andere kant van de lijn, merkbaar aangeslagen. “Er is hier zojuist een moord, of hoogstwaarschijnlijk een in scène gezette zelfmoord gepleegd. Een kerngezonde man ligt hier niet zomaar ineens dood in zijn cel.”
Joris liet een korte stilte vallen terwijl hij snel de consequenties door zijn hoofd liet gaan. “En dat houdt dus in dat het hele Forensische Opsporingsteam én de tactische recherche direct moeten uitrukken om de hele afdeling te bevriezen en te onderzoeken.”
“Dat lijkt me meer dan noodzakelijk,” bevestigde Van der Heide. “Wij raken vanaf nu niks meer aan en laten de cel onaangeroerd. Alleen de dienstdoende inrichtingsarts is binnen geweest om officieel de dood te vaststellen. Vanaf nu is het uw terrein.”
“Zorg dat het celblok meteen hermetisch wordt afgesloten en laat niemand van het personeel of de gedetineerden de afdeling verwoesten of verlaten,” bevel Joris kordaat. “Ik ben er met het team binnen twintig minuten.”
Hij hing op, pakte zijn jas van de kapstok en liep met stevige pas het drukke rechercheparket op om zijn mensen te verzamelen. Onderweg belde hij direct het Forensisch Opsporingsteam en de afdeling Tactische Recherche om hen op te trommelen.
Op het moment dat ze bij de poort van de penitentiaire inrichting arriveerden, was het een drukte van jewelste. Alle hulptroepen kwamen vrijwel gelijktijdig aan: zwaailichten glommen tegen de stenen muren en rechercheurs liepen af en aan. Bij de ingang stond Van der Heide hen al op te wachten om de hele meute voor te gaan naar het plaats delict.
Bij het openen van de zware celdeur was Joris de eerste die een blik naar binnen wierp. Bij het zien van het lijk verstijfde hij.
“Neeee,” dacht hij, terwijl het koud over zijn rug liep. “Dat kan simpelweg niet waar zijn.”
Het forensisch team ging als eerste de cel in. Na een kort en strak overleg met de tactische recherche gingen beide teams gescheiden en uiterst nauwkeurig aan het werk. Anita, die direct achter de forensische liep, zag ook al snel wie daar roerloos op de vloer lag.
Bart, die over haar schouder meekeek, kreeg pas nu een goed zicht op het gezicht.
“Dat is Pieter Pieterse, verdomme!” riep Bart gechoqueerd uit. “De man zonder naam… Nou, daar zal die Cora ook wel vreemd van opkijken!”
Anita, die ondertussen met een pincet en handschoenen aan de rand van de cel bezig was om sporenonderzoek te verrichten, keek op over haar schouder. “Mooi of niet, Joris… als dit geen zelfmoord is, maar een afrekening, dan hebben we hier een heel ander soort probleem te pakken vlak voor die zitting begint.”
Joris knikte traag, zijn blik nog steeds gevestigd op het levenloze lichaam op de koude vloer. “Precies dat is wat mij zo dwarszit. Die man had volgende week moeten getuigen, of in ieder geval voor de rechter moeten verschijnen. Dat Petra Blauw haar verklaring zou afleggen, bracht hem al ernstig in het nauw.”
Hij liep naar het kleine raam van de cel en keek naar buiten, waar de grauwe lucht boven de inrichting hing. “Aan de ene kant is de angel er voor Cora en Brenda misschien een stukje uit nu hij er niet meer is, maar aan de andere kant… Dit stinkt aan alle kanten. Een gezonde vent pleegt niet zomaar zelfmoord op de drempel van een grote rechtszaak.”
Bart trok zijn wenkbrauwen op terwijl hij de papieren op zijn klembord controleerde. “Dus jij denkt dat iemand hem een duwtje in de rug heeft gegeven?”
“Dat is niet aan ons om nu al te roepen, dat is precies waarom het forensisch team hier tot op de bodem moet uitzoeken,” antwoordde Joris scherp. “Maar neem van mij aan: dit nieuws gaat als een lopend vuurtje. Zorg dat alles hier secuur wordt vastgelegd. Zodra we hier klaar zijn, moeten we dit zo snel mogelijk gaan melden — en ik wil er zelf bij zijn als we Cora en Brenda hierover inlichten.”
Een paar dagen later viel het officiële, voorlopige sectieverslag bij Joris op zijn bureau. Het algehele onderzoek was uiteraard nog in volle gang, maar één ding stond na de toxicologische testen rotsvast: Pieter Pieterse was vergiftigd.
Tijdens de daaropvolgende briefing deelde Joris deze cruciale bevindingen direct met de aanwezige korpsleden. Het werd muisstil in de vergaderruimte.
“Het is dus definitief geen natuurlijke dood,” begon Joris, terwijl hij het dossier op tafel legde. “Dan is nu de grote vraag: door wie, en op welke manier? Mocht hij er zelf voor hebben gekozen om er een einde aan te maken, hoe heeft hij dat spul in een zwaar beveiligde penitentiaire inrichting in handen kunnen krijgen?”
Joris leunde peinzend achterover in zijn stoel. Bart, die met een frons mee zat te lezen in het rapport, schudde bedenkelijk zijn hoofd.
“Als er inderdaad een dader in het spel is, Joris, is de vraag niet alleen wie, maar vooral hoe dat gif hem heeft kunnen bereiken,” bracht Bart in. “In zo’n inrichting wordt alles gecontroleerd: de maaltijden, de post, het bezoek. Welk gif is het precies, en wie van buitenaf — of binnenaf — had de toegang én het motief om hem dit toe te dienen vlak voor de zitting?”
Joris knikte strak. “Precies. Of iemand wilde voorkomen dat Pieterse zijn mond voor de rechter zou opentrekken, óf het was een meedogenloze afrekening. We gaan het hele bezoekersregister van de afgelopen twee weken uitpluizen, elk personeelslid doorlichten dat dienst had op die afdeling, en de voedingstransporten onder de loep nemen. Niemand verlaat dit onderzoek tot we weten hoe die dodelijke dosis in zijn cel is beland.”
Simon en Sake schrokken ook behoorlijk toen het nieuws hen ter ore kwam. In hun dagelijkse werkzaamheden hadden ze verder niets met de recherchezaak te maken, maar ze voelden zich toch betrokken; door hun eigen oplettendheid en een dosis toeval waren zij destijds immers degenen geweest die de oorspronkelijke aangifte hadden opgesteld.
Om het nieuws zorgvuldig over te brengen, had Joris de dames Slippens en De Graaf op een maandagmorgen op het hoofdbureau uitgenodigd om hen officieel te informeren over wat er in de penitentiaire inrichting was gebeurd. Van Simon en Sake werd uiteraard verwacht dat ze tot die tijd hun lippen stijf op elkaar zouden houden en er met geen woord over zouden reppen.
Dat er in de kranten en op het nieuws nog helemaal niets over het voorval te vinden was, was een bewust tactisch besluit van het rechercheteam. Het overlijden van Pieterse was stilgehouden voor de pers om het lopende toxisch-forensische onderzoek niet te verstoren en de eventuele dader niet wakker te schudden.
De ontvangstruimte op het recherchebureau was rustig toen Brenda Slippens en Cora de Graaf maandagmiddag op de afgesproken tijd binnenstapten. Joris van Asperen stond hen al op te wachten en wenkte hen mee naar een besloten gesprekskamer waar de gordijnen halfgesloten horen, weg van de drukte van de gangen.
Nadat ze plaats hadden genomen en een kop koffie hadden gekregen, hield Joris zich niet in. Met een serieuze, bedrukte blik nam hij het woord.
“Dames, bedankt dat jullie op zo’n korte termijn zijn gekomen,” begon Joris, terwijl hij zijn handen op tafel legde. “Wat ik jullie nu ga vertellen, mag voorlopig absoluut de muren van dit bureau niet verlaten. Het is in het belang van een heel groot lopend onderzoek dat dit buiten de pers blijft.”
Cora en Brenda keken elkaar even aan; de gespannen sfeer was meteen voelbaar.
“Waar het op neerkomt,” ging Joris verder, “is dat Pieter Pieterse vorige week dood in zijn cel in de penitentiaire inrichting is aangetroffen.”
Brenda sloeg geschokt haar hand voor haar mond. “Dood? In zijn cel? Maar… was hij niet kerngezond?”
“Dat dachten wij dus ook,” knikte Joris somber. “Eerst werd er gedacht aan een zelfmoord, maar uit het inmiddels binnengekomen toxicologisch verslag blijkt wel degelijk anders. Pieterse is vergiftigd.”
Het bleef even stil in de kleine ruimte. De woorden daalden langzaam in. De man die verantwoordelijk was geweest voor zoveel ellende, en die volgende week tijdens de rechtszaak — mede dankzij de getuigenis van Petra Blauw — flink aan de tand zou worden gevoeld, was er niet meer.
“Vergiftigd?” herhaalde Cora met een scherpe, ongelovige blik. “Maar hoe dan? In zo’n zwaaikogelveilige bajes komt toch niet zomaar iemand binnen met vergif?”
“Dat is precies de puzzel waar wij nu voor staan,” antwoordde Joris. “Of hij heeft het zelf op de een of andere manier weten te bemachtigen uit pure angst voor wat komen ging, of iemand heeft ervoor gezorgd dat hij zijn mond voorgoed moest houden voordat de rechtszaak kon beginnen. Een afrekening of sabotage binnen de muren wordt serieus onderzocht.”
Brenda leunde achterover en schudde langzaam haar hoofd. “Je meent het niet. Alles stond klaar voor volgende week. Alle bewijzen, de getuigen… En nu dit.”
“Het verandert de zaak inderdaad aanzienlijk,” concludeerde Joris. “De rechtszaak zal doorgaan, maar de angel is op een heel bizarre manier uit deze specifieke verdachte gehaald. Toch gaan we door met het onderzoek naar wie hier achter zit, want een moord binnen een inrichting laten we er niet zomaar bij aanzitten.”
Nadat Joris al hun vragen had beantwoord en hen nogmaals op het hart drukte om absolute geheimhouding te bewaren, namen de geschokte dames afscheid. Buiten op straat, in de kille middaglucht, keken Cora en Brenda elkaar diep in de ogen. Dit nieuws zou de hele gemeenschap op z’n kop zetten zodra het naar buiten zou komen.
Geef een reactie