De Bierlaars

Het avondleven in Staphorst was misschien niet wereldberoemd, maar voor wie goed keek, speelde het zich elke avond weer af. Niet in grote discotheken of op stampvolle pleinen, maar gewoon, in het café van Luuk Dijkstra. Daar gebeurde het. De jeugd hing op straat, maar uiteindelijk belandden ze toch steevast bij Luuk binnen. Iedere avond was het er gezellig druk, en soms zelfs zó druk dat ik werd opgetrommeld om bij te springen achter de bar.
Een pilsje tappen had ik al snel in de vingers. En dus werkte ik vaak dubbele dagen: overdag in de keuken bij Waanders, ’s avonds achter de tap. Maar ach, op die leeftijd kon je alles aan. Je werd niet moe, of in elk geval dacht je van niet. Luuk had wel één duidelijke regel: geen bier tijdens het werk. Dat was eigenlijk best verstandig. Je bleef er helder door en hield het lang vol. Dat was vooral handig als de nachten iets langer duurden dan gepland.
Op een doordeweekse avond, toen het café het moest doen met een handvol vaste klanten, zat ik thuis op mijn kamer. Mijn dienst zat erop, ik had gedoucht en wilde even ontspannen. Maar ja, de gezelligheid riep toch weer. Dus voor ik het wist zat ik aan de bar, pratend met een paar jongens van het dorp.
“Heb jij ooit uit een bierlaars gedronken?” vroeg er eentje ineens. Hij keek me aan alsof ik een soort rite moest ondergaan.
Ik kende de verhalen wel. Er waren bierlaarzen in allerlei formaten, maar ik had er nog nooit zelf uit gedronken. En ik wist dat het drinken uit zo’n laars een bepaalde techniek vereiste. Dronk je verkeerd, dan klotste het bier plotseling naar voren door het voetstuk en kreeg je een flinke slok onverwacht binnen. Niet bevorderlijk voor de helderheid, zullen we maar zeggen.
Maar ja, als ik word uitgedaagd, laat ik me niet kennen.
De weddenschap was simpel: wie als eerste een grote bierlaars leeg had, won. Tijdslimiet? Binnen twee uur. Klinkt overzichtelijk, dacht ik nog. Nou, ik heb het geweten.
Ik ben nooit een echte bierdrinker geweest. Dus ik begon rustig, slok voor slok. Maar al snel voelde ik m’n blaas protesteren. Het toilet werd m’n beste vriend die avond. En om de alcohol wat te omzeilen—ik geef het eerlijk toe—heb ik een paar keer de klassieke truc toegepast: vingers in de keel. Niet chic, wel doeltreffend. Zo kreeg de alcohol niet de kans om me onderuit te halen.
Mijn tegenstander, een doorgewinterde drinker, ging gestaag door. Hij zat daar alsof het niks was, terwijl ik onderhand bezig was met een halve triatlon tussen de bar en het toilet. Of hij ook gebruikmaakte van de keeltechniek? Geen idee. We hebben het er eigenlijk nooit meer over gehad. Maar uiteindelijk, met nog tijd over, was het mijn laars die als eerste leeg was. Twee slokken eerder, en het was klaar.
Die overwinning voelde goed… maar kort. Nog diezelfde avond dook ik m’n bed in. Alsof iemand de uitknop had ingedrukt. En ik wist meteen: dit was één keer, en nooit weer.
De volgende ochtend had ik gelukkig vrij, maar helder kon je me niet noemen. Toch is het een ervaring die blijft hangen. Niet vanwege de kater, maar omdat sommige avonden gewoon verhalen worden. En sommige verhalen worden herinneringen die je liever niet aan je kinderen vertelt, maar stiekem wel koestert.
De bierlaars. Eén keer, nooit weer. Maar wel mooi geweest.
Geef een reactie op bertjens Reactie annuleren