
Mijn gedachten gaan vaak terug naar de periode in Leeuwarden. Op de foto zie je het uitzicht vanaf de Voorstreek, met aan de rechterkant het hoge gebouw waarin al generaties lang de van oorsprong Italiaanse familie Talamini de ijssalon “La Venezia” runt.
Aan de overkant zat mevrouw Poppinga met haar sigarettenwinkel. Zij was weduwe en had een dochter en een zoon genaamd Tjeerd, waar ik toen vaak mee speelde. Zijn oudere zus zat in de klas bij mijn zus, Mieke, maar hadden verder niets met elkaar.

Eerder hadden ze mij al eens naar de bewaarschool gebracht, maar dat was geen succes geweest denk ik achteraf. Het kwam wel eens voor dat ik er tussen uit kneep en dan meteen griffel en een lei terug thuis kwam, of net zoals velen met mij kralen in de neus stopten om daarna doorgestuurd te worden naar een huisarts die de kralen er weer uit moest peuteren.

| Op de gevel van de school staat “Gemeenteschool 7,” iets wat in Leeuwarden destijds gebruikelijk was. Mijn zus zat op gemeenteschool 12. Tjeerd Poppinga zat ook op de Arendstuinschool. Omdat Tjeerd in de tweede klas bleef zitten, kwam hij in de derde klas bij mij in de klas zitten en zo deelden we dezelfde schoolbank. Tjeerd vertelde dat hij was blijven zitten om bij mij in de klas te komen, maar dat was waarschijnlijk niet helemaal de waarheid. Het jaar daarop bleef hij weer zitten en ging toen naar het speciaal onderwijs. |

Na de oorlog, toen het leven weer opgepakt werd, kwamen steeds minder mensen naar de Nieuweburen en de Breedstraat. Hierdoor sloten een aantal winkels in dit voorheen zo sfeervolle gebied. Behalve op zaterdag, dan was er de zaterdagsmarkt op de Nieuweburen, wat altijd veel leven in de straat bracht. Ik herinner me de markt nog goed, vlak voor de deur, met schreeuwende marktkooplui die hun goederen aan de man probeerden te brengen.
Met Tjeerd heb ik veel van de omgeving van de Nieuweburen, de Breedstraat en de Put verkend. Doordat onze ouders niet altijd veel tijd aan ons konden besteden, hadden we een bepaalde vrijheid, maar het was niet zo dat we straatschoffies waren. Ik weet nog goed dat er aan het eind van de Nieuweburen bij frou Van der Henne daar kocht je eerst voor een cent en later voor een stuiver of dubbeltje allerlei heerlijkheden. Op de hoek van de Nieuweburen en de Vijzelstraat zat een boekwinkel van Kees Balt met in de etalage boekjes die afgeplakt waren, iets waar ik toen totaal geen idee van had wat dat te betekenen had.

Op de andere hoek van de Nieuweburen en de Breedstraat zat Paardenslagerij De Bruin, waar een totaal andere vleesgeur hing dan bij mijn ouders in de slagerij, iets wat achteraf heel normaal bleek te zijn.

| De Winkel van Kees Balt eigenaar van De Elfsteden op de hoek van de Nieuweburen en de Vijzelstraat. |
Op een stralende zomerdag, midden in de langverwachte vakantie, besloot ik samen met Tjeerd Poppinga op ontdekkingstocht te gaan in een van de oudste stadswijken van Leeuwarden. Tjeerd, met zijn pretoogjes en eeuwige glimlach, en ik, beiden met een onstilbare honger naar avontuur, hadden onze plannen thuis angstvallig geheim gehouden. Tjeerd had zijn moeder wijsgemaakt dat hij bij mij ging spelen, en ik zou hetzelfde tegen mijn ouders zeggen over Tjeerd.
We ontmoetten elkaar op de hoek van de Breedstraat, klaar om een avontuur tegemoet te gaan. Maar wat voor avontuur eigenlijk? Dat hadden we nog niet bedacht. Geïnspireerd door de vele kinderboeken die we hadden gelezen, hoopten we dat ons avontuur zich vanzelf zou aandienen. Zo niet, dan zouden we simpelweg zonder doel door de stad dwalen. Bij de Put aangekomen, stonden we voor de keuze om vier verschillende richtingen in te slaan. We kozen voor de Slotmakerstraat en kwamen uit bij de hoek van de Wortelhaven en de Eewal. Dit was een bekend stukje voor mij, aangezien ik vaak langs deze route liep naar de bewaarschool aan het Gouvernementsplein en de Sint Jacobstraat

Op de hoek van de Eewal en de Kleine Hoogstraat bevond zich Jasper’s ochtendvoedsel, een winkel gespecialiseerd in voer voor kleine dieren. De etalage was altijd een bron van fascinatie, met konijntjes, marmotten en in het voorjaar zelfs schattige kuikentjes. In de winkel zelf stonden papegaaien op standaards, die regelmatig hun kleurrijke veren lieten zien en van zich lieten horen.
Terwijl we naar al dat leven achter de etalageruiten stonden te kijken, opende Tjeerd plotseling de winkeldeur en liep naar binnen. Verrast en aarzelend bleef ik buiten staan, twijfelend of ik zijn voorbeeld zou volgen. Maar toen Tjeerd met een van de winkelbedienden naar de deur kwam om mij op te halen, besloot ik mijn angst opzij te zetten en volgde ik hem.
Binnen in de winkel werden we omringd door een wonderland van dieren en dierenbenodigdheden. Helemaal achterin was een wand vol aquariums met exotische tropische vissen. Dit was totaal nieuw voor mij, want in mijn familie had niemand aquariums.
De papegaaien schreeuwden om aandacht, terwijl de vriendelijke winkelbediende ons een kleine rondleiding gaf en ons alles vertelde over de vissen, parkieten en kanaries. Hij moedigde ons aan om thuis te vertellen hoe leuk het bij Jasper’s was en dat we graag een aquarium zouden willen hebben. Hoewel we beloofden dit te doen, wisten we dat het onmogelijk was, aangezien niemand mocht weten dat we de stad in waren geweest.
Bij het verlaten van de winkel keek ik nog eens achterom, de specifieke geur van de winkel in mijn neus. Terwijl we de Kleine Hoogstraat inliepen, hoorde ik opeens iemand mijn naam roepen: “Willem, wat doe jij hier?” Geschrokken keek ik op en zag mijn oom Berend. Met een rode blos op mijn wangen moest ik bekennen dat we bij Jasper’s waren geweest, enkel om te kijken.
Thuisgekomen, biechtten Tjeerd en ik eerlijk op dat we niet hadden gespeeld, maar de stad in waren geweest, inclusief ons bezoek aan Jasper’s. We kregen natuurlijk een standje voor het jokken, maar ik zag ook een glimlach op mijn moeders gezicht. Jaren later vertelde ze zelfs dat ze trots op ons was geweest voor onze nieuwsgierigheid op die jonge leeftijd.
Deze ervaring leerde me dat leugens vaak uitkomen en dat sommige avonturen je je hele leven bijblijven. Enkele jaren later, toen we in Heerenveen woonden, stond er daadwerkelijk een groot aquarium vol kleurrijke tropische vissen in onze woonkamer.
Na onze verhuizing naar Heerenveen zijn we de contacten verloren, maar met de mogelijke zoekmethoden vond ik van Tjeerd nog een artikel in de Leeuwarder courant over een verslaving, maar die ging nog verder dan de deurkrukken. Op “Youtube” zag een reportage met hem over het verzamelen van oude naaimachines en oude boormachines
Leeuwarder trekt op beurs aandacht met deurkrukken DRACHTEN – Wij Hollanders verzamelen zowat alles wat los en vast zit. Dat bleek zaterdag weer eens op een tentoonstelling van ‘De Verzamelingkring’ in Drachten. Naast krantentitels uit alle delen van de wereld, blikken bussen en trommels waren er de bekende sigarenbandjes en sigarettenmerken. Ouderwetse kleerhangers, lucifermerken, spaarpotten en missiebusjes, speldjes, ze ontbraken deze middag niet. Het meest in het oog sprong een verzameling deurkrukken, bij elkaar gebracht door Tjeerd Poppinga uit Leeuwarden. deurkrukken. Hij kocht een aantal jaren geleden een emmervol deurkrukken. Het begin van een verzameling die nu uil meer dan 200 deurgrepen bestaat. „Noem hel maar een tik of een verslaving “, aldus Poppinga. Hij stroopt nu rommelmarkt na rommelmarkt af en brengt ook weleens een bezoekje aan een antiekzaak. Meer dan twintig tot vijfentwintig gulden wil hij niet betalen. Er moet niet te veel geld in de verzameling gaan zitten, zo vindt de Leeuwarder, die erin is geslaagd krukken uit 1795 in de wacht te slepen. Op de foto Tjeerd Poppinga met zijn verzameling


Sinds ik met het onderzoek naar mijn voorouders ben begonnen, ontdekte ik dat het pand waar Dirk de Bruin toen zat, ruim een eeuw daarvoor de slagerij van een van mijn voorouders was geweest en toen ook al als slagerij diende. Dit bracht aanvankelijk enige verwarring bij mij, mede door de toenmalige wijknummers waar ik eerder verslag van heb gedaan.
In 1954 werd de Elfstedentocht gereden, en het was zo’n bijzondere dag dat onze slagerij gedeeltelijk of helemaal gesloten was. Samen met mijn ouders ging ik naar de Prinsentuin om naar de finish te kijken. Het was het jaar dat Jeen van den Berg de Elfstedentocht won. Dat ik later nog schaatsles van hem zou krijgen op de oude Thialf ijsbaan in Heerenveen, daar was ik op dat moment nog niet van doordrongen. Jeen van den Berg is voor Heerenveen natuurlijk heel belangrijk in de schaatshistorie geweest. Vele jongens en meisjes hebben mede dankzij hem de status van topatleet bereikt.
Zelf heb ik de Elfstedentocht nooit gereden, maar ik was wel bij de finish in 1985 en 1986. Dat waren dagen waarop de slagerij op slot werd gedaan om de rijders op diverse plaatsen te volgen. Overal heerste een groot feest en nergens hoorde je een onvertogen woord. Bovendien was het op zulke dagen niet interessant om een winkel open te hebben in Friesland; iedereen was onderweg of zat voor de buis te kijken.


Mijn eerste vriendinnetje leerde ik ook in deze klas kennen. Marrietje de Vries woonde in de Bleekerstraat, waar aan het eind van de straat de ingang van de Leeuwarder IJsbaan was. Ik zal 7 0f 8 jaar zijn geweest en had toen natuurlijk ook geen idee wat een vorm van verkering of zoiets was in die leeftijd kwamen er in de familie geen neven of nichten die daar al mee te maken zouden hebben.
Op de Leeuwarder ijsbaan heb ik mijn eerste schreden op het ijs gezet. In 1954 was er een strenge winter en met mijn beperkte schaatservaring werden er in de tweede klas school schaatswedstrijden gehouden. Ik zal niet de enige zijn geweest die praktisch voor het eerst op de “houtjes” stond, maar tot ieders verrassing eindigde ik toen op de tweede plaats. Thuisgekomen en niet eens onder de indruk van die tweede prijs, werd ik door mijn ouders als een held binnengehaald. Al waren zij er zelf niet bij geweest, zij waren door klanten die wel aanwezig waren geweest volledig op de hoogte gebracht van deze schaatspartij. En aangezien zij geen idee hadden hoe mijn eerste schaatsavontuur zou verlopen en mij zelf ook nog nooit eerder op de schaats hadden gezien, was het voor hen dus waarschijnlijk een hele verrassing
Herinneringen aan de Treintjeswinkel

Was je niet zo technisch ingesteld, maar vond je het wel mooi om treintjes door Alpenlandschappen te zien rijden, dan had je aan deze winkel een goede. De ingangskant was niet de interessantste plek; daar had je een toen heel gewone inloop-etalage, met fraaie opstellingen van aangeboden waren.Maar in de Uniabuurt en later zelfs ook in de Ossekop, stonden treinlandschapjes voor het raam opgesteld, waarin je treintjes kon laten rijden door je hand tegen een op het raam geplakt contactje te houden of op een knopje aan het kozijn te drukken. Dan gingen de lichtjes aan en begon het treintje te rijden. Geen wonder dat er vaak meerdere jongens bij stonden, wachtend tot zij aan de beurt waren. Maar je kwam vanzelf een keer aan de beurt, want het laten rijden was leuk, maar ook weer niet zo leuk dat je er een half uur mee door wilde gaan.
Natuurlijk zit zelfs in verder goudeerlijke Leeuwarder jongens ook wel iets van slechtheid. Als de trein de bocht nam, bespeurden we al snel een kleine onregelmatige beweging, die mogelijkheden bood tot ontsporing. En zo gebeurde het dat wij, het liefst na zessen of op zondag als de winkel gesloten was, de trein in beweging zetten en hem precies in de bocht plots weer stil lieten staan door de hand van het contact te halen. De achterliggende wagonnetjes hadden dat natuurlijk niet verwacht en duwden nog even door.
Dat is gewoon technisch inzicht, wat de winkel in technisch speelgoed natuurlijk van de jonkies in de stad had kunnen verwachten. Vaak gebeurde er niets, maar soms ontspoorde dan het locomotiefje. Gejuich was er niet, je zou het eerder triomfantelijk zwijgen kunnen noemen. En dan waren er natuurlijk altijd jongetjes die het gingen vertellen aan hun moeder die even verderop stond. “Moeke, must es kieke, die jonges hewwe de trein út’e bocht fliege laten.” En dan schudde moeder het hoofd en trok haar zoontje mee. Slechte invloed moest je nooit op z’n beloop laten. Natuurlijk was het ook niet mooi van ons, vooral niet toen de hele trein van de tafel flikkerde. Meneer Van der Wal, ik heb er alsnog spijt van.
Typerend in dit verhaal is het Luwarder dialect of wel het stads Fries. De keren dat ik nog in Leeuwarden kom, of op de Friese Omroep Leeuwarders hoor praten, komt steeds die herkenning terug.
Herinneringen aan Leeuwarden: Spannende Momenten op School en bij Brinio
Wat me vooral is bijgebleven, is de uitvoering die er eens per jaar werd gegeven en waarvoor we moesten oefenen. Ik denk nog steeds dat we alleen maar hoefden te koprollen en over een evenwichtsbalk te lopen. Van mijn ouders heb ik toen te horen gekregen dat ik heel erg serieus of gespannen op het podium stond. Met mijn tong uit mijn mond had ik mijn oefeningen gedaan en dat was blijkbaar bij het publiek opgevallen. Ik heb daar uiteraard geen enkele notie van gehad.

| Toen ik in de eerste klas van de lagere school zat, spraken ze nog niet over groep 1, 2 of 3. Ik had, zoals eerder beschreven, op de bewaarschool “het Houten Gebouwtje” gezeten en kan me niet heugen dat ik op een kleuterschool heb gezeten. Het moet dus in 1952 zijn geweest dat ik voor het eerst naar de Arendstuinschool ging. In die periode ging ik met mijn zus Mieke naar de gymnastiekvereniging “Brinio,” een van de toen bekendste gymnastiek- en turnverenigingen in Leeuwarden. |
In de tegenwoordige tijd zitten kinderen op allerlei sporten, maar dat was in die periode helemaal niet zo gebruikelijk. Zeker de eerste jaren na de oorlog moesten mijn ouders hard werken en hadden ze zodoende niet altijd tijd voor ons. Het was dus gemakkelijk als ik onder leiding van mijn oudere zus werd meegenomen naar de sportvereniging, in dit geval dus gymnastiek.
Tot 1955 zijn wij bij “Brinio” blijven gymmen. De jaarlijkse uitvoeringen mochten we toen in de Grote Harmonie doen. Wat was dat een imposant gebouw met een geweldig groot podium en al die mensen in de zaal. Dat maakte toen wel indruk. In de Harmonie werden tevens de Sinterklaassprookjes gespeeld. Alle scholen kwamen naar het Sinterklaassprookje kijken, dat werd opgevoerd door het toenmalige onderwijzend personeel. Het meest verrassende vond ik altijd wie er in de pauze bij Sinterklaas moest komen. Toch altijd een beetje bang geweest, denk ik. Toen ik acht jaar was, geloofde ik nog steeds dat hij echt was. Ook van klasgenoten heb ik nooit iets vernomen dat zij anders dachten of wisten.
Herinneringen aan Leeuwarden: Nostalgische Momenten en Nieuwe Geboorten
Langs de Potmarge waren in die jaren allemaal tuinderijen en in het voorjaar van 1954 ging ik daarheen om fruit te plukken. Of dat geld heeft opgebracht, weet ik echt niet meer. Nu denk ik dat het voor een jongetje van acht jaar wel heel ver was om te lopen vanaf de Nieuweburen. Misschien dat ik dat met mijn zus heb gedaan. Mijn zus, Harmina, beter bekend als Mieke, is zes jaar ouder en zou toen dus al 14 zijn geweest.
Naar mijn weten is de zwangerschap van mijn moeder toen nooit tot me doorgedrongen en als er wel over gesproken was, zou me dat dan ook best ontschoten kunnen zijn. Het was de wens van mijn vader om na zoveel jaren er toch nog een kind bij te willen hebben om zo het gezin compleet te maken.
Klaas werd mijn broertje, vernoemd naar mijn grootvader van moeders kant. Een broertje die zeven jaar jonger was, was toen misschien best wel leuk. Maar meer dan het moment van zijn geboorte is in de Leeuwarder periode niet blijven hangen. Overdag ging ik naar school en bij thuiskomst was een klein broertje in een wieg of kinderwagen voor een kind van zeven waarschijnlijk niet zo interessant. Anderzijds ging er toen natuurlijk meer aandacht naar “baby Klaas” uit. Ik heb dat nooit als een aanslag op mijn doen en laten ervaren, al zal ik minder aandacht hebben gekregen dan daarvoor. Voor Mieke was het als meisje van bijna 13 jaar wel bijzonder
om een broertje te krijgen.

| Op 18 mei 1953 kreeg ik er plotseling een broertje bij. Iets wat niet vaak gebeurde, was dat mijn moeder er een paar dagen niet was. Pas toen er een kindje geboren was, mochten wij bij haar op bezoek. In Leeuwarden hadden ze een soort ziekenhuis waar alleen kinderen ter wereld werden gebracht. “Het Schapedijkje” heette het toen.Ik herinner me echter nog wel de keren dat we op zondag met Klaas in de kinderwagen gingen wandelen in de Prinsentuin en soms ook naar het Rengerspark. Mijn broer Klaas heeft maar twee jaar in Leeuwarden gewoond en heeft aan die periode totaal geen herinnering. Nieuw Deel: Herinneringen aan de Slagersvakschool In het “kleine Krantsje” heb ik een foto gevonden van een aantal Leeuwarder slagers die op de Slagersvakschool zaten. Veel van deze slagers heb ik wel gekend omdat mijn beide ooms ook slagers waren. Mijn vader vertelde ooit dat slagers door een wetswijziging een vakdiploma moesten halen, iets wat daarvoor nooit verplicht was geweest. Slagers die een bepaalde leeftijd hadden bereikt, kregen toen vrijstelling. Dit zal waarschijnlijk rond 1937 zijn geweest toen de Vestigingswet Kleinbedrijf werd ingevoerd. Het doel van de oorspronkelijke vestigingswetgeving was het beperken van het aantal onbekwame bedrijven. Later, in 1954, is deze vestigingswet aangepast met als doel het waarborgen van de kwaliteit van ondernemers. Daartoe werd het voor ondernemers nodig om een vergunning te hebben om een bedrijf te mogen starten. |
Herinneringen aan Levertraan, Hoestdrank, de Veemarkt en de Kalveren
In de beginjaren vijftig was het heel normaal dat je in de winterperiode dagelijks een eetlepel levertraan moest innemen.

Levertraan is een dierlijke olie gewonnen uit de lever van kabeljauw, schelvis en andere vissen uit de familie van kabeljauwen. Het was een wijdverbreid misverstand dat levertraan van walvissen afkomstig was.Omdat levertraan rijk is aan vitamine D, werd en wordt het vaak gegeven aan kinderen ter preventie van rachitis of de Engelse ziekte. De smaak liet echter te wensen over, en het was voor veel kinderen een dagelijks moment van afzien. Later is men overgegaan op de productie van levertraancapsules, wat de inname iets draaglijker maakte. Tegenwoordig wordt vitamine D toegevoegd aan margarine, en is levertraan bijna niet meer op de markt te vinden.
Daarnaast werd er in die jaren tijdens de wintermaanden hoestdrank met het merk “Famel” opgelepeld. Blijkbaar ben ik daar ooit een keer aan verslaafd geraakt. Ik moet een jaar of vier zijn geweest en op een bepaald moment waren mijn ouders mij kwijt. Ze konden mij nergens vinden, totdat zij een lichtelijk gebrom of gesnurk in een dressoirkastje hoorden. En ja hoor, daar lag ik, volkomen verdoofd met naast mij een leeggedronken fles “Famel”. Waarschijnlijk ben ik daar zo beneveld van geweest dat ik er geen enkele herinnering meer aan heb. De verslaving is daarna ook meteen gestopt, want het drankje heb ik na die tijd nog maar weinig aangeraakt.

| Verder herinner ik me dat ik in de vakantieperiodes vaak met mijn vader mee mocht naar het abattoir. Op vrijdagen ging ik vaak mee naar de veemarkt aan de Langemarktstraat, waar mijn vader de koeien kocht. Hij kocht die vaak samen met collega-slager Jan Hoekstra uit Wijtgaard, omdat in die jaren een hele koe soms te veel of te weinig was en er dan gedeeld werd.Op de markt mocht ik soms ook wel eens snoep kopen bij “Roosje Cohen,” die op vrijdag met haar kinderwagen haar goederen probeerde te slijten. Roosje Cohen te midden van ‘haar mannen,’ de marktkooplui op de veemarkt in Leeuwarden. Op de dag dat de foto werd genomen, stond ze al 65 jaar op de markt, vanaf haar tiende jaar. Foto: Sjoerd Andringa. |

| In de beginjaren werden er ook nog wel nuchtere kalveren bij de boer gekocht en die werden dan op de transportfiets opgehaald. Mijn vader heeft vaak verteld dat hij veel bestellingen wegbracht en tot Quatrebras aan toe kwam. Met een mand vol bestellingen soms door weer en wind, was dat meer dan 30 km. Hij vertelde vaak over die barre tochten en hoe hij altijd bij zijn klanten met koffie werd ontvangen. |

Het was toen nog vroeg in de ochtend toen ik samen met mijn vader de deuren van ons huis zachtjes achter ons dichttrokken. De koele lucht en de stille straten van Leeuwarden markeerden het begin van onze wekelijkse traditie: de veemarkt bezoeken voor onze slagerij. Mijn vader, een ervaren slager met een passie voor zijn ambacht, had altijd een scherp oog voor de beste kwaliteit vlees.
We reden in op zijn al oude transportfiets, die al jaren trouw onze ladingen vervoerde. Nu mocht ik in de korf voorop mee en legde mijn vader uit welke aankopen op het programma stonden. “We hebben mooi vlees nodig voor biefstuk en lekker gehakt voor de stamppot”, vertelde hij enthousiast.
Aangekomen op de veemarkt troffen we een levendige aanblik: boeren, handelaren en slagers druk in de weer rondom stalletjes en kramen. De geur van vers gras mengde zich met die van vers vlees, en mijn vader leidde me door de drukte. Hij leerde me de kneepjes van het slagersvak, van het inspecteren van de marmering tot het ruiken aan de kwaliteit. “Je moet altijd op je gevoel afgaan”, zei hij.
Na enkele uren zorgvuldig selecteren en onderhandelen hadden we runderen bijeen. Mijn vader sprak met respect en waardering met de boeren, iets wat zijn sterke karakter als slager benadrukte. Nadat de vrachtrijder verwittigd was van de runderen die naar het slachthuis moesten kon hij weer verder Dit was een belangrijke stap; mijn vader gaf me een inkijkje in het proces en benadrukte het belang van respect voor de dieren.
Na het afhandelen van de vracht gingen we naar het marktcafé in de Langemarktstraat. Dit was niet enkel een plek om af te rekenen, maar ook een gelegenheid om verhalen uit te wisselen met andere slagers en boeren. Terwijl mijn vader zijn bakkie koffie bestelde, kreeg ik vaak een glas limonade voor mijn neus. We spraken over de bestellingen en klanten die ons volgende week weer zouden bezoeken, het was een gezellig samenzijn dat de band tussen ons versterkte.

Terug op de fiets, de lucht werd warmer en de stad begon te bruisen, voelde ik me trots. Samen met mijn vader werkte ik aan meer dan alleen het verkopen van vlees; we waren een schakel in een eeuwenoud ambacht dat generaties verbond. Die dag op de veemarkt was niet alleen een deel van ons werk, maar ook van onze levens. Het was een dag van leren, tradities en samen zijn, iets dat ik nooit zou vergeten.
In de volgende jaren veranderde er veel; het gemeentelijk slachthuis ging over in particuliere handen en de loonslagers voor de Leeuwarder slagers verdwenen. Maar de herinneringen aan die vrijdagochtenden op de veemarkt en de betekenis van ons werk bleven altijd bij me. Zo groeide mijn passie voor het slagersvak, net als de band met mijn vader. Het was deze ervaring die me leerde dat vlees verkopen veel meer is dan fysieke handel; het is een erfenis, een verbinding met het verleden, een passie die van generatie op generatie wordt doorgegeven.
Plaats een reactie