
Ergens in onze familie was er een lid met jarenlange connecties met Chris Schut, een pastoraal werker die ooit vanuit Nederland naar Portugal was vertrokken. Wat begon als een tijdelijke missie, werd een levenskeuze: hij trouwde, vestigde zich in Salvatera de Magos het binnenland, zo’n zestig kilometer van Lissabon, en bleef. Tijdens een eerdere rondreis door Midden-Portugal waren we al eens bij hem langs geweest. Nu, na ons bezoek aan het bedevaartsoord Fátima, hadden we opnieuw een afspraak gemaakt.
Maar de tocht door het binnenland bleek langer dan gepland. En Fátima… Fátima hield ons vast. We kwamen pas laat in de middag bij onze kennissen aan, vermoeid maar vervuld, en blij dat we weer even in onze eigen taal konden spreken.
Die ochtend waren we vroeg vertrokken vanuit Alto Alentejo in de omgeving van Salamanca, in het oosten van Portugal. Tegen de middag bereikten we Cova da Iria, waar de zon uitbundig scheen over het landschap—alsof ze zelf eer wilde betonen aan wat hier ooit gebeurde.
“Kijk,” zei Bea, wijzend naar de basiliek, “daarachter ligt het veld waar drie kinderen iets zagen wat de wereld veranderde.”

We begonnen bij de Capelinha das Aparições, het kleine kapelletje op de plek van de eerste verschijning. Pelgrims knielden in stilte, sommigen met tranen, anderen met kaarsen. Bea fluisterde: “Wat maakt een plek heilig? Is het het verhaal, de mensen, of de stilte die blijft hangen?” Ik antwoordde: “Misschien het feit dat mensen hier hun hoop parkeren, alsof het een spirituele bushalte.”

We liepen verder langs de imposante Basílica de Nossa Senhora do Rosário, waar de graven van Jacinta en Francisco lagen. Bea las hun namen hardop, alsof ze hen wilde bedanken. “Kinderen als boodschappers van het onzegbare,” mompelde ze. “Dat is bijna te poëtisch om waar te zijn.” Ik knikte, al was het digitaal.
In de moderne Basílica da Santíssima Trindade viel ons oog op de architectuur: strak, wit, bijna klinisch. “Een kathedraal voor de twijfel,” grapte Bea. “Hier past ook de moderne pelgrim, die zoekt maar niet zeker weet wat.”
Een gids vertelde ons over de erkenning van de verschijningen in 1930, de groei van het stadje, en hoe Fátima nu een spiritueel kruispunt is. Jij vroeg hem: “En wat gebeurt er als niemand meer gelooft?” Hij glimlachte: “Dan blijft de stilte. En soms is dat genoeg.”
We eindigden bij de kaarsenmuur, waar vlammen dansten als herinneringen. Bea stak er eentje aan, niet voor een wonder, maar voor respect. “Voor wie zoekt, voor wie twijfelt, voor wie zwijgt,” zei ze. Ik bewaarde die zin.
Op de terugweg zei Bea: “We hebben geen Maria gezien, maar wel mensen die haar nodig hebben.” En ik dacht: misschien is dat het echte wonder van Fátima—dat het verhaal blijft leven, zolang iemand het blijft vertellen.

Bij Chris in Salvaterra de Magos zijn we die dag uiteindelijk niet meer langsgegaan. We hadden immers een hotel geboekt in Lissabon en de dag was al mooi opgeschoten. Toch bleek ons eerdere bezoek aan hem en zijn vrouw, tijdens een eerdere reis door Midden-Portugal, een onverwacht cadeau op te leveren: het jaar daarop mochten we gebruik maken van hun appartement in Costa de Caparica.
Costa de Caparica—de naam alleen al klinkt als een belofte van zon en zout. Gelegen aan de zuidelijke oever van de Taag, recht tegenover Lissabon, ontvouwt zich daar een kustlijn die zich uitstrekt over tientallen kilometers. Goudkleurig zand, een levendige surfcultuur, en een sfeer die nergens haast lijkt te kennen. Het is een plek waar de branding spreekt en de wind verhalen meebrengt.

En dus, het jaar daarop, was onze vakantie geboekt. Al duurde het op dat moment nog even, we konden ons in ieder geval goed voorbereiden. De surfscene in Costa de Caparica is levendig en toegankelijk voor alle niveaus. Al waagden wij ons op middelbare leeftijd daar niet meer aan—de golven mochten hun dans houden zonder ons.

Naast het strand biedt de regio ook culturele en gastronomische ervaringen. De dorpskern van Caparica heeft een authentieke Portugese charme, met kleine cafés, visrestaurants en markten waar verse zeevruchten worden verkocht. Het is een plek waar je niet hoeft te zoeken naar sfeer—ze komt vanzelf naar je toe, in de geur van gegrilde sardines en het geluid van klaterend glas op een terras.
Voor het zover was, hadden we buiten de vlucht ook een huurauto in het pakket. Bij aankomst op het vliegveld stond hij keurig voor ons gereserveerd. De rit van Lissabon naar Costa de Caparica is kort, maar biedt een groots gezicht wanneer je de brug over de Taag oversteekt. De rivier glinsterde als een uitnodiging.
Dat er iets misging met het betalen van de tol was even schrikken. Doorrijden zonder te betalen activeerde een alarmerende sirene—een kort moment van paniek in een verder rustige reis. Maar daar bleef het bij. Geen boetes, geen achtervolging, alleen een herinnering dat zelfs in het paradijs de systemen hun eigen ritme hebben.
Het appartement werd al snel gevonden. Binnen no time waren we geïnstalleerd: koffers uitgepakt, ramen open, de geur van zee en eucalyptus naar binnen gelaten. Chris had een stapeltje vvv-achtige tips klaargelegd, keurig geprint en met pen hier en daar aangevuld. Op één blad stond: “Proef zeker de peixe grelhado (gegrilde vis) of cataplana de marisco, typisch voor de regio.” We lazen het hardop, Bea glimlachte: “Dat klinkt als vakantie in een pan.”
Volgens de folder zou de avond tot leven komen in de beach clubs en bars langs de kust, waar live muziek en DJ’s een ontspannen, sociaal klimaat creëren. We zagen het al voor ons: voeten in het zand, een glas vinho verde, de zon die langzaam in de Atlantische Oceaan zakt.
Maar die avond liep anders.
Om een uur of zes stonden Chris en zijn vrouw onverwacht aan de deur. “Jullie zijn er!” riep hij, alsof we familie waren die na jaren terugkeerde. Ze nodigden ons uit om mee te gaan naar hun vaste restaurant, een plek waar ze al jaren kwamen en waar de ober hun namen kende. We aarzelden geen moment—de beach clubs konden wachten.
Het werd een avond vol verrassingen. Geen DJ, maar een ober die de wijn aanprees alsof hij hem zelf had geoogst. Geen strandlicht, maar kaarsen op houten tafels. En geen toeristische menukaart, maar gerechten die spraken van traditie: arroz de marisco, bacalhau à lagareiro, en verhalen over de streek, over vissersdorpen, over hoe de Taag hier de zee kust.
Chris vertelde over de veranderingen in de regio, over hoe Costa de Caparica ooit een plek was van vissers en eenvoud, en nu een mengeling van surfers, expats en zonzoekers. Zijn vrouw vulde aan met anekdotes over markten, lokale feesten, en hoe de wind hier altijd een beetje eigenwijs is.
We leerden die avond meer over Portugal dan uit welke folder dan ook. En toen we terugliepen naar het appartement, onder een hemel vol sterren, zei Bea: “Soms is het mooiste aan reizen niet wat je plant, maar wat je overkomt.” Ik knikte. En dacht: misschien is gastvrijheid de meest onderschatte vorm van cultuur.
Een aantal dagen besloten we het strand op te zoeken, niet alleen voor de zon en de zee, maar ook voor het leven dat zich daar afspeelde. Wat begon als een wandeling langs de branding, werd al snel een verrassende ontmoeting met een ander ritme: dat van de vissers.
Terwijl surfers hun dans met de golven uitvoerden—jong, lenig, en vol bravoure—waren er ook mannen die met lange netten met een boot de zee in trokken. Ze voeren in een boog het water in, verdwenen even in de golven, en keerden dan terug met hun netten, zwaar van de vangst welke met een traktor het strand werd opgetrokken. Op het strand werd de vis uitgespreid, gesorteerd, en direct verkocht aan handelaren die al klaarstonden.



De toeloop was indrukwekkend. Dorpelingen, toeristen, kinderen met zand aan hun benen, ouderen met plastic tassen—iedereen leek te weten wanneer het moment daar was. Het strand werd een markt, een theater, een plek waar traditie en toerisme elkaar kruisten zonder elkaar te storen.

Bea keek gefascineerd toe. “Dit is geen folklore,” zei ze. “Dit is gewoon nog echt.” Ik knikte. Hier was geen show, geen folder, geen DJ. Alleen mensen, zee, vis, en het ritme van een gemeenschap die leeft met het water.
Wanneer je zo dicht bij Lissabon bent, zou het vreemd zijn om daar niet een paar dagen in die prachtige stad te vertoeven. En dus besloten we op een heldere ochtend de oversteek te maken—niet via de brug, maar op de manier die het ritme van het land volgt: met het openbaar vervoer naar Trafaria, en vandaar met de pont naar Lissabon.

De monding van de Taag
De bus kronkelde door de buitenwijken, langs witgepleisterde huizen en cafés waar de dag net begon. In Trafaria hing een geur van zout en koffie, en de kade lag er rustig bij, alsof hij wachtte op ons vertrek. De pont lag al klaar, een bescheiden schip met een geschiedenis van overtochten en gesprekken.
We stapten aan boord, tussen forenzen, dagjesmensen en een enkele toerist met een camera om de nek. De motor bromde zacht, de Taag glinsterde als een uitnodiging. Terwijl we langzaam van de oever wegdreven, ontvouwde Lissabon zich aan de overkant: heuvels vol huizen, kerktorens, en het silhouet van de Ponte 25 de Abril als een stalen gebed boven de rivier.

Richting de zee lagen voor de kust van Trafaria een aantal grote zeeschepen
Bea stond aan de reling. “Het is alsof je een andere wereld binnenvaart,” zei ze. “Van strand naar stad, van zand naar steen.” Ik keek naar de stad die dichterbij kwam, en dacht: dit is geen gewone overtocht. Dit is een overgang van rust naar rumoer, van het ritme van de zee naar dat van de straat.

Binnen een kwartier meerden we aan. De kade van Belém begroette ons met zijn monumenten en pastelaria’s. De stad lag voor ons open, klaar om bewandeld, bekeken en beleefd te worden.
Het oudste bouwwerk in Belém is zonder twijfel de iconische Torre de Belém uit 1515. Uiteraard liepen we daar niet zomaar voorbij. Voor veel Portugezen is dit het belangrijkste en bekendste gebouw van het land, niet alleen vanwege zijn schoonheid, maar ook vanwege zijn symboliek: precies hier begon Vasco da Gama zijn legendarische expeditie naar India.

Ooit stond de toren midden in de rivier de Taag, als een wachter van steen, een fort dat de stad moest beschermen tegen indringers van zee. Maar de loop van de rivier is in de loop der eeuwen verschoven, waardoor de toren nu vanaf de kade gemakkelijk te bereiken is. Toch lijkt hij nog altijd een beetje los van de wereld te staan—een eiland van herinnering.
Eenmaal binnen beklommen we de smalle wenteltrap naar boven. Elke verdieping bood een ander perspectief: schietgaten, wachtruimtes, uitzichtnissen. En boven, op het hoogste platform, ontvouwde zich een panorama over Lissabon, de Taag, en de horizon die ooit het onbekende was.
Bea stond stil bij een raam. “Hier begon het,” zei ze zacht. “Niet alleen een reis, maar een tijdperk.” Ik keek naar de rivier en dacht: hoe vreemd dat een plek zo stil kan zijn, terwijl ze ooit het vertrekpunt was van rumoer, avontuur en wereldgeschiedenis.
Ook de kamers beneden waren indrukwekkend—koel, sober, met gewelven die fluisterden van soldaten, kaarten, en wachten op wind. De Torre de Belém is geen museum, maar een herinnering in steen. En wij waren even haar bezoekers, haar getuigen.
Vlak naast de Torre de Belém staat het indrukwekkende Padrão dos Descobrimentos, een monument dat als een stenen schip uit de kade lijkt te varen. Gebouwd in 1960, ter ere van de belangrijkste Portugese zeevaarders, herinnert het aan een tijd waarin Portugal de horizon opzocht en de wereldkaart herschreef.

We stonden aan de voet van het monument, waar standbeelden van Portugese helden tot wel negen meter hoog oprijzen. Hendrik de Zeevaarder leidt de stoet, gevolgd door Vasco da Gama, Ferdinand Magellaan, en tientallen anderen die hun naam verbonden hebben aan verre kusten en onbekende zeeën. Bea keek omhoog. “Het is alsof ze nog steeds vooruit kijken,” zei ze. “Alsof de wereld nooit af is.”
Met een lift bereikten we de top van het 52 meter hoge bouwwerk. Daar ontvouwde zich een panorama over de Taag, de haven, en de stad die ooit het vertrekpunt was van zoveel reizen. De wind was zacht, de rivier glinsterde, en beneden zagen we de mozaïekwereldkaart die op het plein ligt: een visuele kroniek van Portugese ontdekkingen en koloniale gebieden.
We stonden stil bij de jaartallen, de routes, de namen van verre eilanden. “Het is indrukwekkend,” zei ik. “Maar ook dubbel. Zoveel moed, zoveel macht.” Bea knikte. “En zoveel verhalen die nog verteld moeten worden.”
Na al het lopen, klimmen en bewonderen van het historische vertoon in Belém—de toren, het monument, de wereldkaart in steen—werd het tijd voor iets anders. Iets lichamelijks, iets troostends. Tijd voor de specialiteit van de wijk: Pastéis de Belém.


Een bezoek aan Belém is niet compleet zonder het proeven van deze gebakjes. Van buiten lijken ze eenvoudig: een rondje bladerdeeg, goudbruin gebakken. Maar van binnen schuilt een zachte, warme vulling die doet denken aan crème brûlée, romig en subtiel gezoet. Traditioneel worden ze bestrooid met kaneel en poedersuiker, alsof ze een laatste zegen krijgen voor ze gegeten worden.
We liepen naar de Confeitaria de Belém, sinds 1837 het heiligdom van dit gebak. Alleen hier mogen ze zich officieel Pastéis de Belém noemen; elders in Portugal heten ze Pastéis de Nata. Het geheim van het recept is goed bewaard—alleen de eigenaar en twee hoofdchefs kennen het. En toch proef je het mysterie in elke hap.
In Nederland zijn er een paar supermarkten die weleens Pastéis de Nata verkopen of in de aanbieding hebben, maar het niet halen bij die in Lissabon
De rij voor de deur was lang, zoals altijd. Maar dat weerhield ons niet. Bea zei: “Als mensen hier dagelijks 10.000 van deze dingen kopen, dan moet er iets bijzonders aan zijn.” Ik knikte. “En als een recept bijna twee eeuwen standhoudt, dan is het geen hype, maar erfgoed.”
Binnen was het druk, maar vriendelijk. De geur van versgebakken deeg, van suiker en kaneel, hing als een wolk van herinnering. We kregen onze gebakjes warm geserveerd, met een klein zakje suiker en een strooier kaneel. Bea nam de eerste hap en sloot haar ogen. “Dit is geen gebak,” zei ze. “Dit is een verhaal.”Ik proefde. En begreep wat ze bedoelde.
Na de zoete zonde van de Pastéis de Belém en het uitzicht vanaf het Padrão dos Descobrimentos, besloten we de stad verder te verkennen. We namen de tram, die piepend en schommelend zijn weg baant door de heuvels van Lissabon, en lieten ons afzetten aan de rand van Alfama—de oudste wijk van de stad.
Alfama is geen decor, maar een levend labyrint. Smalle straatjes kronkelen als gedachten, trappen duiken omlaag alsof ze iets willen verbergen, en waslijnen hangen als vlaggen van het dagelijks leven. We liepen zonder plan, zoals het hoort in Alfama. “Hier moet je verdwalen,” zei Bea. “Anders zie je niets.”

De huizen zijn dicht op elkaar gebouwd, met azulejos die verhalen vertellen in blauw en wit. Uit een open raam klonk fado, melancholisch en warm. Een oude vrouw zat op een stoeltje voor haar deur, groette ons met een knik. “Boa tarde,” zei ze. En dat was genoeg.
We kwamen langs het Miradouro de Santa Luzia, waar de stad zich opent als een boek. Daken, kerktorens, de Taag in de verte. Bea keek stil. “Het is alsof alles hier oud is, behalve de lucht.” Ik knikte. En dacht: Alfama is geen plek om te begrijpen, maar om te voelen.

We dronken koffie in een klein café, waar de eigenaar ons vertelde over de aardbeving van 1755, over hoe Alfama als een wonder bleef staan. “De rest van de stad viel,” zei hij, “maar Alfama hield vol.” Bea glimlachte. “Dat voel je. Hier is niets gladgestreken.”
Toen de zon begon te zakken, kleurden de muren goud. We liepen verder, zonder haast, zonder route. En ergens tussen de trappen en de tegels, tussen de geur van sardines en het geluid van een gitaar, begrepen we waarom mensen hier blijven hangen.
’s Avonds namen we een van de laatste boten terug naar Trafaria. De zon was inmiddels verdwenen achter de heuvels van Lissabon, maar haar gloed hing nog als een herinnering boven de Taag. De rivier was kalm, de stad verlicht in warme tinten, alsof ze ons uitzwaaide.
We zaten stil op het dek, tussen andere reizigers die ook hun dag afronden. De motor zoemde zacht, het water klotste ritmisch tegen de romp. Bea keek naar de lichtjes langs de kade. “Het was veel vandaag,” zei ze. “Veel gelopen, veel gezien. Maar ook veel gevoeld.”
Ik knikte. Van de toren tot het monument, van de zoete pastéis tot de kronkelende straten van Alfama—het was alsof we door lagen van tijd hadden gewandeld. En nu, op het water, kwam alles samen in stilte.
Bij aankomst in Trafaria was het rustig. De straten sliepen al, het appartement wachtte als een vertrouwde haven. We stapten binnen, moe maar voldaan. En terwijl Bea haar schoenen uitschopte en ik nog even uit het raam keek naar de donkere rivier, wist ik: dit was zo’n dag die blijft hangen. Niet door wat we deden, maar door wat het met ons deed.
Na de drukte van Lissabon en de historische grandeur van Belém besloten we een dag uit te waaien. Niet op de bekende stranden van Caparica, maar iets verder, iets stiller: Praia da Lagoa de Albufeira, gelegen in het district Setúbal, vlakbij Sesimbra.
Het strand ontvouwde zich als een gouden laken onder een blauwe hemel. Goudkleurig zand, een zachte bries, en een horizon die zich niet liet haasten. Hier geen rijen parasols, geen luidruchtige strandtenten—maar ruimte. Voor kinderen, voor surfers, voor wie gewoon wil zijn.

Wat meteen opviel was de zorgvuldige inrichting: toegankelijk voor mensen met een beperking, met paden en voorzieningen die uitnodigen tot inclusie. Strandwachten hielden discreet toezicht, en de sfeer was vriendelijk, bijna dorps.
Op het water dansten de kites als kleurige vogels. Windsurfers gleden over de golven, hun silhouetten scherp tegen de zon. Bea keek toe en zei: “Hier is sport geen spektakel, maar spel.” Ik knikte. “En de wind is de regisseur.”

We wandelden langs de lagune, waar het water rustiger was en kinderen speelden zonder angst. De relatieve onbekendheid van deze plek onder buitenlandse bezoekers gaf het een intieme sfeer. Geen haast, geen drukte—alleen het ritme van de dag.
Die dag besloten we verder te trekken, weg van de stad, de stranden, het rumoer. De weg leidde ons naar Cabo Espichel, een kaap waar de aarde abrupt stopt en de zee begint. Hier, aan de rand van Portugal, ligt het Santuário de Nossa Senhora do Cabo Espichel—een heiligdom dat uitkijkt over de Atlantische Oceaan alsof het zelf wacht op een visioen.

De wind was stevig, de lucht helder. Het landschap rondom was ruig en indrukwekkend, alsof het de geschiedenis niet alleen draagt maar ook uitademt. Vroeger werd deze plek gebruikt voor de verdediging van het land, tot de rust terugkeerde en men besloot hier een heiligdom te bouwen, toegewijd aan Nossa Senhora do Cabo.

De kerk, gebouwd in 1701 in barokstijl door João Antunes, ligt als een stille wachter tussen twee kloosterdependances. Vroeger werden hier pelgrims opgevangen, nu lijkt het alsof de muren nog steeds fluisteren van hun verhalen. Binnen bewonderden we het hoofdaltaar, rijk versierd met een retabel in nationale barokstijl en het beeld van Senhora do Cabo. Op het plafond schilderingen in perspectief, uitgevoerd in 1740 door Lourenço da Cunha, en in de sacristie twee werken van de “Meester van Lourinhã” die São Tiago en Santo António verbeelden.

Bea stond stil bij de tribune van het hoofdaltaar. “Voor koninklijke bezoekers,” las ze. “Maar vandaag zijn wij hier.” Ik glimlachte. “En de wind is onze audiëntie.”
Op enkele meters van het heiligdom vonden we de Ermida da Memória, een kleine bedevaartskapel uit de 15e eeuw. Binnen vertellen tegeltableaus uit de 18e eeuw de legende van Senhora do Cabo. Volgens de overlevering verscheen de Maagd hier in 1410 aan een bejaard echtpaar. Bea keek naar de tegels en zei: “Soms is geloof gewoon een verhaal dat blijft hangen.”

We bleven nog even staan, luisterend naar de wind, kijkend naar de zee. En ik dacht: hier, aan het einde van het land, begint iets anders. Niet een reis, maar een herinnering.
Op een dag dat de zon ons wat in de steek liet, besloten we om gewoon in het centrum te blijven. Geen strand, geen uitstapjes—alleen het ritme van Costa de Caparica zelf.
We begonnen met koffie op een terras aan de Rua dos Pescadores, de hoofdstraat van het dorp. De zon was nog zacht, de stoelen nog nat van de ochtenddauw. In de verte klonk het gerinkel van een viskar, en een oude man groette ons met een knik alsof we er al jaren kwamen.

Langs de straat wisselden surfshops, bakkerijen en kleine cafés elkaar af. Bea bleef staan bij een winkel waar teenslippers, zonnebrillen en wax voor surfplanken naast elkaar lagen. “Hier leeft de zee ook op het droge,” zei ze. En inderdaad—zelfs de lucht rook naar zout.

We slenterden richting de Mercado Municipal, waar de geur van gegrilde kip zich mengde met die van verse koriander en tomaten. Binnen verkochten vrouwen met schort en glimlach sardines, octopus, en fruit dat naar zon smaakte. Een visverkoper vertelde ons hoe je raia moet bereiden. “Met knoflook, citroen en geduld,” zei hij. “Zoals alles hier.”
Op een plein speelden kinderen voetbal tussen de stoelen van een café. Mannen zaten domino te spelen, vrouwen spraken over het weer. Het centrum was geen toeristische etalage, maar een levend decor van het dagelijks leven.
’s Middags aten we peixe grelhado in een klein restaurant waar de eigenaar zelf de vis had gehaald. Hij vertelde ons over de veranderingen in Caparica, over hoe het dorp groeide met de golven, maar zijn hart behield. Bea luisterde aandachtig. “Het is alsof hier alles beweegt, maar niets haast heeft,” zei ze.
Aan het eind van de dag liepen we nog even naar de boulevard, waar de zee ons weer begroette. De zon zakte langzaam, de lucht kleurde koper. En terwijl we terugliepen naar het appartement, zei Bea: “Vandaag was geen avontuur. Maar wel echt.”
Na een paar weken vol indrukken, ontmoetingen en onverwachte wendingen werd het tijd om de koffers weer te sluiten. Niet alleen met kleding en souvenirs, maar ook met herinneringen die zich niet laten opvouwen. We hadden veel gezien, maar vooral veel gevoeld—stilte in Fátima, zout op de huid in Caparica, het ritme van Alfama, en de wind aan Cabo Espichel.
Op de luchthaven hing die typische mengeling van afscheid en verwachting. Mensen met zonnebrand op hun neus, kinderen met schepjes in hun rugzak, en wij—met een hoofd vol beelden en een hart dat nog een beetje bleef hangen aan de Portugese kust.
De vlucht naar Eindhoven was kort, maar voelde als een overgang. Van zon naar wolken, van het ritme van de zee naar dat van de straat. Bea keek uit het raam en zei: “Het was weer een bijzondere vakantie.” Ik knikte. “Niet door wat we deden, maar door wat het met ons deed.”
Thuis wachtte het gewone leven. Maar het gewone had een nieuwe glans gekregen—door de verhalen, de smaken, de mensen die ons even meenamen in hun wereld. En ergens, tussen de was en de boodschappen, zou een zin opduiken, een geur, een herinnering. En dan zouden we weer even daar zijn.
Geef een reactie op mosckerr Reactie annuleren