
Het was een druilerige ochtend in De Lege Knip. De regen tikte ritmisch tegen het raam, alsof het dorp zelf iets wilde zeggen. Jannus zat aan de leestafel, zijn krant opgevouwen naast zich. De weduwe van Van Gils was bezig met haar breiwerk, al leek ze meer te luisteren dan te tellen. Marius staarde naar zijn koffie alsof die antwoorden kon geven. De jonge ambtenaar van de gemeente bladerde door een beleidsnotitie, en Toon van Gils kwam net binnen, zijn jas nog nat van buiten.
“Hebben jullie dat stuk gelezen over die boer uit de Peel?” vroeg Toon, terwijl hij zijn stoel aanschoof. “Een gezond bedrijf. Mooie stallen. Alles op orde. En nu… leeg.”
Jannus knikte. “Ik ken hem. Was een vooruitstrevende vent. Niet bang om te investeren.”
“Totdat de kinderen zeiden: ‘Wij doen het niet,’” zei Toon. “En toen kwam de opkoopregeling. Meer dan de vrije verkoopwaarde. Dus hij stopte. Slim, eigenlijk.”
De weduwe zuchtte. “Slim misschien. Maar ook verdrietig. Die stallen zijn nu onderweg naar Polen. Alles wat hier gebouwd is, gaat daar verder.”
De jonge ambtenaar keek op. “Maar dat is toch juist circulair? Hergebruik. Internationale samenwerking.”
Marius schudde zijn hoofd. “Het is ook een symptoom. Van een land dat zijn boeren wegstuurt. Terwijl de wereld meer voedsel nodig heeft.”
“Toon,” zei Jannus, “je zei net: ‘Slim.’ Maar is het slim als we onze kip met de gouden eieren slachten?”
Toon haalde zijn schouders op. “Als de trein komt, moet je springen. Anders mis je hem.”
De huisarts, die net was binnengekomen, schoof aan. “Maar wat als die trein ons naar een land brengt waar we straks geen voedselzekerheid meer hebben?”
De weduwe van Van Gils legde haar breiwerk neer. “En wat als we straks afhankelijk zijn van landen waar ze geen last hebben van onze stikstofregels? Waar ze wél blij zijn met extra koeien?”
De ambtenaar fronste. “We doen dit toch voor de natuur? Voor herstel?”
“Toch gek,” zei Marius, “dat we miljoenen uitgeven aan het opkopen van boerderijen, terwijl niemand zeker weet of de natuur er echt beter van wordt.”
Toon keek naar buiten, waar de regen nog steeds viel. “Er is een gezegde,” zei hij. “‘Rijk rekenen, maar arm vreten.’ En ik vrees dat we daar naartoe gaan.”
Er viel een stilte. Niet van instemming, maar van nadenken. De Lege Knip was even geen café, maar een dorpsraad. En het verhaal van de boer — van zijn lege stallen, zijn verdwenen toekomst — hing als een echo tussen de kopjes.
Plaats een reactie