

Mijn verjaardagen werden altijd met zorg gevierd, zelfs in de drukte van de slagerij waar mijn ouders dag in dag uit hun handen vol hadden. Toch wist mijn moeder telkens iets bijzonders te maken van die ene dag in het jaar. Ze had een gave: ze schonk niet alleen cadeaus, maar ook aandacht. Een trui, een broek, sokken — praktische geschenken, maar altijd met een vleugje verrassing. Mijn vader liet dat deel van het feest aan haar over, alsof hij wist dat zij de juiste balans kon vinden tussen wat nodig was en wat blij maakte.
Op een van die verjaardagen, ik moet een jaar of acht zijn geweest, kreeg ik van mijn vriendjes een klapperpistool. Zo’n zilverkleurig ding met rolletjes vol kleine explosies. In het park speelden we Old Shatterhand en Winnetou, of we waren boefjes die elkaar achterna zaten tussen de struiken. Die dag liep ik trots rond met het pistool in mijn hand, alsof ik een held was in een film die zich afspeelde tussen de bomen en het gras. De klapperrolletjes bleven ongebruikt in hun verpakking — misschien uit eerbied, misschien uit onwetendheid.
’s Avonds, toen de taart op was en de vriendjes naar huis, spraken mijn ouders hun bezorgdheid uit. Ze hadden een hekel aan schiettuig, zeiden ze. Zelfs als het speelgoed was. Ik voelde teleurstelling, maar begreep later dat hun afkeer dieper ging dan het klapperen van een rolletje. Mijn vader had de oorlog meegemaakt, niet als soldaat, maar als jongen in een tijd van dwangarbeid, angst en verlies. Voor hem was het geluid van een schot geen spel, maar herinnering.
Ze wilden me beschermen, denk ik nu. Niet alleen tegen het idee van geweld, maar tegen het normaliseren ervan. Tegen het spel dat ongemerkt overgaat in houding. Sommige ouders geloven dat soldaatje spelen een kind iets leert over moed. Mijn ouders geloofden dat het iets afnam: onschuld, nuance, rust.
Toen ik jaren later werd opgeroepen voor militaire dienst, had ik daar aanvankelijk geen bezwaar tegen. De Marine leek me wel wat — discipline, avontuur, water. Maar na de keuring bleek ik ingedeeld bij het Korps Mariniers, een keuze die ik niet zelf had gemaakt. Samen met mijn vader probeerde ik vrijstelling te krijgen, maar het mocht niet baten. Toch kreeg ik na vier weken groot verlof, door een samenloop van omstandigheden die ik nooit helemaal heb doorgrond.
En dat klapperpistool? Ik heb het nog een paar keer stiekem meegenomen, maar het plezier was eruit. Het voelde niet meer als spel, eerder als iets dat niet paste. Ik weet niet meer waar het gebleven is. Misschien ligt het ergens in een doos, tussen sokken en oude foto’s.
Nu, in een tijd waarin Europa opnieuw de adem inhoudt bij het woord oorlog, hoor ik grootouders fluisteren over hun zorgen. Over kleinkinderen die misschien ooit moeten vechten. Over een wereld die opnieuw kantelt. En ik vraag me af: hoeveel Nederlanders zouden zich vandaag nog melden om hun land te verdedigen? Niet uit plicht, maar uit overtuiging.
Soms denk ik dat het klapperpistool niet zomaar een cadeau was. Het was een spiegel. En mijn ouders, met hun verleden en hun zorgen, hielden hem voor — zachtjes, maar beslist.
Geef een reactie op ymarleen Reactie annuleren