
De kerstdagen op het slot begonnen niet met een koninklijk saluut, maar met het vrolijke gepruttel van een pan stoofperen en het nerveuze gekraak van een haperende kurkentrekker. Het soort geluiden dat meteen duidelijk maakte dat hier geen protocol gold, maar huiselijkheid.
Na de indrukwekkende rondleiding door het grote slot — waarbij Trees zich heel even de hoofdrolspeelster in een romantisch drama had gevoeld, compleet met echoënde gangen en denkbeeldige hofintriges — was het tijd voor de nuchtere werkelijkheid: de keuken van het bijgebouw. Geen kroonluchters hier, maar een te kleine koelkast en messen die je eerst moest zoeken.
Trees, die in De Lege Knip gewend was dat iedereen automatisch in beweging kwam zodra er weer een vracht gebruikte meubels binnenrolde, merkte dat ze hier een stapje terug moest doen. Harrie had al het initiatief genomen. Hij stond midden in de keuken met een schort waarop in sierlijke letters stond: The King of the Castle.
Trees schoot meteen in de lach.
“Nou, keizer Harrie,” zei ze terwijl ze hem een kus gaf op zijn gladgeschoren wang, “laat je kookkunsten maar eens zien.”
Het voorgerecht was het gezamenlijke terrein van Liza en Trees. Zij stonden zij aan zij garnalencocktails te maken, waarbij de ene hand automatisch deed wat de andere vergat.
“Liza,” vroeg Trees voorzichtig terwijl ze naar het schaaltje keek, “moet daar niet wat meer dille bij?”
Liza lachte en gaf haar een knipoog.
“Trees, in dit huis geldt met kerst maar één regel: we doen maar wat — zolang het gezellig is.”
“Maar bij je grootouders was dat vast anders, hè?” vroeg Trees nieuwsgierig, terwijl ze een servet gladstreek dat toch meteen weer eigenwijs terugkrulde.
Harrie knikte.
“Ja, daar ging alles strikt volgens de etiquette. Al het zilver moest gepoetst worden, de borden en het bestek lagen precies zoals het hoorde — en vooral niet anders. Dat was geen gezelligheid, dat was traditie.”
Hij glimlachte even bij de herinnering.
“Bij mijn moeder thuis was dat gelukkig heel anders. Daar mocht kerst gewoon rommelig zijn. Alleen als mijn vader zijn ouders uitnodigde om te komen eten, dan moest het weer zoals de familie De Groot het al generaties gewend was.”
Hij keek om zich heen, naar de keuken van het bijgebouw, waar niets glom maar alles klopte.
“Nee,” zei hij zacht, “sinds wij hier wonen is dat echt gebeurd. Geen etiquette meer. Alleen samen.”
Even later stonden Liza en Trees schaterlachend te discussiëren over de vraag of een avocado nu rijp was of gewoon koppig. De stoofperen pruttelden onverstoorbaar door, alsof ze het allemaal al eens hadden meegemaakt.
Harrie was in een verhit gevecht gewikkeld met de oven. “Hij wil niet op de juiste temperatuur, de techniek laat me in de steek!” riep hij uit, terwijl hij met een rood hoofd aan de knoppen draaide. Trees liep naar hem toe, legde haar hand op zijn schouder en zei droog: “Harrie, je hebt de stekker er waarschijnlijk niet goed in zitten.” Na een korte inspectie bleek ze gelijk te hebben. De herkenbare blik van Harrie — een mix van schaamte en bewondering — was voor Trees het meest romantische moment van de middag.
Toen ze uiteindelijk aan tafel zaten, was het eten misschien niet op de graad nauwkeurig bereid, maar de sfeer was onbetaalbaar. Dit was geen gestileerde Instagram-tafel waar alles in perfecte symmetrie lag te wachten op een foto. Dit was een tafel vol dampende pannen, scheve servetten en handen die elkaar net iets te vaak kruisten bij het opscheppen.
Er werd gegeten, geproefd, opnieuw opgeschept. En zoals dat gaat wanneer mensen samen eten en de tijd even vergeten, kwamen de verhalen vanzelf.
Onder het eten kwam de familie De Groot weer ter sprake. De adellijke kant, met haar lange lijnen, vaste gebruiken en voorouders die in portretten hadden gekeken alsof ze het heden al hadden zien aankomen. Namen werden genoemd, titels, verhalen over kersttafels waar niets verschoven mocht worden en stilte meer zei dan woorden.
Daarna schoof het gesprek langzaam op, naar de andere kant.
De familie Boogaert, van moederszijde. Minder statig, meer aarde onder de nagels. Verhalen over kleine huizen, grote pannen en kersten waarin iedereen mee moest helpen. Geen etiquette, maar regels die vanzelf ontstonden omdat het anders niet werkte.
Trees luisterde aandachtig. Ze zag hoe beide families, hoe verschillend ook, hun sporen hadden achtergelaten. Niet in het zilver of de portretten, maar in de manier waarop hier nu werd gezeten. Vrijer. Lichter.
Iemand tikte per ongeluk een glas om. Er werd gelachen. Een servet schoof nog schever.
En niemand dacht eraan dat het anders had moeten zijn.
Ondanks de kou maakten ze die middag een wandeling over het landgoed. Dikke jassen met capuchons hoog opgetrokken, gebreide handschoenen aan. Ze liepen niet snel. Dat hoefde ook niet. Voor Harrie en Liza lag hier achter elke bocht een herinnering.
Daar was de holle boom, waar je als kind in kon verdwijnen. Het prieeltje bij de vijver, waar in de zomer altijd even werd stilgestaan. En de wankele brug, waar Harries vader ooit was uitgegleden en pardoes in het water was beland — een verhaal dat nog steeds werd verteld met een lach, alsof het elk jaar opnieuw gebeurde.
Trees stelde vragen. Over de oppervlakte van het landgoed, over het onderhout, over hoe het hier moest zijn wanneer de lente alles weer kleur gaf. Ze kon zich voorstellen hoe het er dan zou ruiken, hoe de vogels hun nesten bouwden en hoe hun gefluit het landschap zou vullen.
Dit was bijna een andere wereld. Een wereld die je je vanuit het dorp nauwelijks kon voorstellen.
Achterin het landgoed lagen nog een paar weilanden. Vroeger had er vee gelopen. Later had Liza daar haar paard laten grazen, een lange tijd. Ze vertelde het terloops, alsof het vanzelfsprekend was. Maar Trees hoorde in haar stem dat het meer was geweest dan zomaar een hobby. Door haar studie was ze ermee gestopt. Niet omdat ze het wilde, maar omdat sommige dingen nu eenmaal wijken voor andere plichten.
Ze bleven even staan en keken uit over het lege land.
De kou beet in hun wangen, maar niemand stelde voor om terug te gaan.
Wanneer Harrie zijn arm om de schouder van Liza legt en haar iets in het oor fluistert, doet Trees alsof ze niets heeft gezien. Sommige momenten vragen geen aandacht.
Even later trekt Harrie ook haar naar zich toe. Zonder woorden staan ze daar, met z’n drieën, dicht bij elkaar. De kou lijkt zich terug te trekken, alsof die begrijpt dat hij hier even niet nodig is.
“Trees, Liza,” zegt Harrie zacht, “ik wil hier, op een voor mij bijzondere plek, twee minuten stil zijn. Ter nagedachtenis aan Eliza. En ik vind het belangrijk dat jij daar ook getuige van bent.”
Ze zeggen niets. De minuten verstrijken langzaam, bijna hoorbaar. Het landschap ligt stil, de vijver onbeweeglijk, alsof ook hij meeluistert.
Wanneer Harrie zijn hoofd weer optilt, staan er twee mensen met waterige ogen tegenover elkaar. Er wordt niets uitgelegd. Dat hoeft niet. Harrie trekt Trees stevig tegen zich aan. De omhelzing is warm, onverwacht dichtbij.
Trees voelt hoe dit moment haar raakt — niet als toeschouwer, maar als iemand die erbij mag horen. Ze begrijpt de ernst, de oprechtheid. Dit is geen groot gebaar, geen plechtigheid. Dit is herinneren zoals herinneren bedoeld is.
En even later lopen ze verder, zonder iets te zeggen, maar niet meer helemaal hetzelfde als daarvoor.
Op Tweede Kerstdag werd de sfeer onmiskenbaar chiquer, maar niet minder komisch.
Nog voordat ze naar het kerstconcert in de stad vertrokken, vond in de hal van het bijgebouw een laatste inspectie plaats — alsof er een onzichtbare ceremoniemeester was aangesteld. Trees stond met haar pincet in de hand bij het raam. “Harrie, kom eens hier in het licht,” beval ze. Harrie zuchtte gespeeld, maar liet zich gewillig keuren. Trees controleerde zijn kin op verdwaalde stekeltjes. “Ja, goedgekeurd. We willen geen schuurpapier-momenten tijdens het concert, toch?” Liza, die al klaarstond in een prachtige donkerblauwe jurk, rolde met haar ogen. “Jullie lijken wel een stel pubers op hun eerste bal.”
Harrie had kaarten besteld voor een klassiek kerstconcert in de grote stad. Een avond met pianist Jan Vayne en het Bach Choir & Orchestra of the Netherlands. Alleen al de namen riepen bij Trees een mengeling van ontzag en lichte zenuwen op. Dit was geen dorpszaal met klapstoelen en koffie uit een thermoskan; dit was fluweel, galm en mensen die hoestjes strategisch timen.
Liza stond voor de spiegel haar sjaal nog eens anders te draperen. “Te veel?” vroeg ze.
“Precies genoeg,” zei Harrie, die ondertussen worstelde met een vlinderdas die een eigen wil leek te hebben.
Trees keek het tafereel geamuseerd aan. Haar jas was netjes, haar schoenen gepoetst, maar ze had bewust gekozen voor een klein eigen accent — iets dat niet schreeuwde, maar fluisterde: ik hoor hier, maar ik blijf mezelf.
“Als iemand struikelt,” zei ze droog, “doen we alsof het bij de compositie hoort.”
Er werd gelachen. De spanning brak. En zo verlieten ze het bijgebouw: iets te netjes, iets te verwachtingsvol, maar met dezelfde vanzelfsprekende verbondenheid die ook in De Lege Knip altijd voelbaar was.
Buiten wachtte de winterlucht. Binnen hen klonk al muziek.
De concertzaal ontvouwde zich als een wereld op zichzelf. Hoog, warm verlicht, met roodfluwelen stoelen die zacht kraakten toen het publiek plaatsnam. Er hing die typische stilte vóór muziek: een mengeling van verwachting, keurig ingehouden hoestjes en het geritsel van programmaboekjes.
Trees liet haar blik langs de zaal glijden. Dit was geen plek waar je zomaar binnenliep. De kroonluchters, het houtwerk, de akoestiek die al iets beloofde nog vóór de eerste noot klonk — alles ademde ernst. En toch voelde ze zich niet misplaatst. Eerder: welkom, op een stille manier.
Toen Jan Vayne het podium betrad, was het applaus beleefd maar warm. Hij boog licht, nam plaats achter de vleugel, legde even zijn handen stil op de toetsen. Die seconde voelde langer dan hij was.
De eerste klanken vulden de zaal voorzichtig, bijna aftastend. Bach — helder, gelaagd, zonder franjes. De piano klonk niet luid, maar precies. Elke noot had ruimte, alsof hij even mocht blijven hangen voordat de volgende zich meldde.
Het koor zette in. Geen overweldigende kracht, maar een gedragenheid die langzaam onder de huid kroop. Stemmen die niet boven elkaar wilden uitkomen, maar samen iets bouwden. Het orkest volgde, terughoudend, ademend met de zangers mee.
Trees merkte hoe haar schouders ontspanden. Gedachten die zich normaal ongevraagd meldden, bleven weg. Ze dacht aan niets concreets, en juist daardoor aan veel. Aan mensen die er niet meer waren. Aan momenten die onverwacht hadden blijven hangen. Aan hoe stilte soms net zo belangrijk is als geluid.
Naast haar zat Harrie rechtop, handen gevouwen, ogen gesloten. Alsof hij luisterde met meer dan zijn oren. Liza volgde de muziek met haar blik, soms even glimlachend, soms bijna ernstig — geraakt, maar niet overweldigd.
Bij een van de langzame delen voelde Trees iets warms achter haar ogen branden. Geen verdriet, geen vreugde, maar iets daartussenin. Een besef van verbondenheid. Met hen. Met de muziek. Met alles wat even niet benoemd hoefde te worden.
Toen de laatste noot wegstierf, bleef het een paar tellen stil. Die stilte was misschien wel het mooiste moment van de avond. Pas daarna barstte het applaus los, oprecht en langdurig.
Buiten, in de koude nacht, zei niemand meteen iets. Ze liepen zwijgend naast elkaar. Alsof woorden te luid zouden zijn.
Pas toen Trees zacht zei:
“Dit neem je mee, hè.”
En Harrie knikte.
“Ja,” zei hij. “Dit blijft.”
Later die nacht is het slot stil. Geen stemmen meer, geen voetstappen, alleen het zachte tikken van de verwarming en ergens in de verte het kraken van oud hout dat zich schikt naar de kou.
Trees ligt wakker in het brede bed naast harrie. Het raam staat op een kier. De nacht ademt naar binnen: winterlucht, vochtig gras, iets van mos en steen. Ze hoort de wind langs de gevel strijken, alsof hij het gebouw voorzichtig aftast.
Ze denkt niet actief na. Beelden komen en gaan. De piano, het koor, de wandeling over het landgoed. Harries hand op Liza’s schouder. De stilte bij de vijver. Het gevoel erbij te mogen zijn, zonder rol, zonder verwachting.
Trees draait zich om, trekt het dekbed iets hoger op. In de verte slaat een klok. Eén keer. Nog een keer. Ze telt niet mee. Dit is geen tijd die bijgehouden hoeft te worden.
Langzaam zakt ze weg. Niet abrupt, maar alsof ze wordt meegenomen. Door de dag. Door de muziek. Door alles wat niet hardop gezegd is, maar wel is gedeeld.
De kerstdagen op het slot sluiten zich als een boek dat je niet dichtslaat, maar voorzichtig neerlegt.
Niet uitgelezen — maar vol.
Geef een reactie op Bert Reactie annuleren