
In het hart van de oude school, waar de gangen nog steeds een echo leken te geven van het gedisciplineerde verleden, heerste een heel ander soort orde. In De Lege Knip gold niet de snelheid van het internet, maar de traagheid van het papier. Het was een ongeschreven wet: nieuws dat via een schermpje binnenkwam, was vluchtig en verdacht. Maar nieuws uit de krant — ook al was die steevast een dag te laat — had gewicht. Het had de tijd gehad om te bezinken, om waar te worden.
Terwijl de winterzon door de hoge ramen van het oude klaslokaal viel en stofjes liet dansen boven de vergeelde pagina’s, werd een bericht op pagina drie het middelpunt van de ochtend.
In De Lege Knip werd het nieuws niet via apps vernomen, maar via de krant die altijd een dag te laat was en daardoor betrouwbaarder leek.
Op pagina drie stond het:
Reclames voor vlees, alcohol en gokken verdwijnen uit het straatbeeld.
“Niet hier,” zei Jannus meteen. “Dat is voor de stad.”
“Maar het dorp volgt altijd,” zei Trees. “Alleen iets later.”
Ze zaten rond de grote tafel, met koffie die net iets te slap was en koekjes die niemand had gekocht maar toch altijd opdoken. Iedereen had een mening, al werd die niet meteen uitgesproken.
“Laat ik dit eerst even zeggen,” begon Peter, “wij zijn hier allemaal vleeseters.”
Er werd instemmend geknikt. Niemand deed alsof dat niet zo was.
“Al kunnen we het ons steeds minder veroorloven,” voegde hij eraan toe.
De keurslager kwam ter sprake. Natuurlijk.
“Die mag straks geen reclamebord meer buiten zetten,” zei iemand. “Geen karbonade-aanbieding, geen rookworst met kerst.”
“Terwijl dat nou net het eerlijke vlees is,” zei Trees. “Geen schreeuwerige keten, maar gewoon iemand die weet waar het vandaan komt.”
“En de Mac dan?” zei Jannus. “Die met z’n vegaburger.”
“Die mag ook niet,” zei Trees. “Want een burger heet zo omdat hij van vlees is. Blijkbaar.”
Dat viel slecht. Niet vanwege de Mac, maar vanwege de logica.
“Dan kun je net zo goed alles verbieden wat ergens ooit iets met vlees te maken heeft,” zei Peter. “Hondenvoer bijvoorbeeld. Daar zit ook van alles in wat ooit heeft geloeid.”
Er werd gelachen, maar niet hard. Het was het soort lachen dat weet dat het ergens wringt.
Alcohol lag anders.
Dat voelde iedereen.
Er waren er een paar in De Lege Knip die hun weg naar de fles te goed kenden. Niemand wees, niemand telde glazen, maar iedereen wist.
“Voor de verkeersveiligheid snap ik het wel,” zei Trees.
Daar werd niet tegenin gegaan. Sommige dingen hoef je niet te verdedigen.
En gokken?
“Ach,” zei Jannus, “de staatsloterij, de lotto… dat is hoop met een nummertje.”
Daar had niemand echt moeite mee. Zolang het klein bleef. Zolang het geen lichtgevende belofte werd op een billboard.
“Het gekke is,” zei zuster Justina, die tot dan toe had gezwegen,
“dat ze niet het gebruik verbieden, maar het kijken. Alsof verlangen pas ontstaat als je eraan herinnerd wordt.”
Buiten reed een auto voorbij.
Het dorp lag er rustig bij. Geen grote schermen, geen flitsende beloften. Alleen een leeg bord waar ooit iets had gehangen.
“Misschien,” zei Trees, “wordt het straatbeeld leger.”
“Of eerlijker,” zei Jannus.
“Of gewoon stiller,” zei Peter.
In De Lege Knip bleven ze zitten.
Met hun koffie.
Hun vleesgewoonten.
Hun twijfels.
En met het besef dat niet alles wat verdwijnt, ook echt weg is —
sommige dingen leven gewoon verder, aan tafel, in gesprekken, en in wat mensen elkaar nog durven zeggen zonder dat het ergens groot wordt aangeprezen.
Geef een reactie op bertjens Reactie annuleren