De Reis van de Verloren Zoon


De ruitenwissers maakten een ritmisch, bijna hypnotiserend geluid terwijl de auto van Piet en Dirkje over de A27 richting het noorden gleed. Piet zat ontspannen, maar alert achter het stuur. De jaren bij de landmacht hadden een onuitwisbaar stempel op zijn houding gedrukt; zijn rug was recht, zijn handen hielden het stuur stevig vast op ‘tien over twee’. Toch was er een wezenlijk verschil met een jaar geleden. De constante alertheid, die scherpe rand van het ‘altijd aan staan’, was verzacht. Het afgelopen jaar bij De Lege Knip had hem de landing gegeven die hij na zijn vervroegd pensioen zo hard nodig had. Hij was niet langer een officier buiten dienst; hij was de meester-hersteller van de regio geworden.

Terwijl het vertrouwde Brabantse populierenlandschap langzaam plaatsmaakte voor de geometrische weidse polders van de Flevopolder, dwaalden Piets gedachten af naar de winkel. In zijn hoofd liep hij door zijn nieuwe ‘koninkrijk’ achterin het oude schoolgebouw. Het elektronica-reparatiecentrum was een baken van orde in de heerlijke chaos van de kringloop. Elke schroevendraaier, van de kleinste precisie-instrumenten tot de zware tangen, hing op zijn schaduwbord. De soldeerstations waren perfect geaard en de gloednieuwe testbanken glommen in het tl-licht, klaar voor het nieuwe seizoen. Het was zijn trots: een plek waar kapotte herinneringen van klanten weer tot leven werden gewekt door zijn engelengeduld.

“Het is fijn dat je er dit keer bij bent, Dirk,” zei Piet, terwijl hij even kort opzij keek naar zijn vrouw. Het had hem de afgelopen keren dwarsgezeten dat hij alleen de oversteek naar Friesland had gemaakt. Dirkje knikte en legde haar hand op zijn arm. Ze wist hoe zwaar het hem was gevallen om vorig jaar de zorg voor haar eigen ouders en die verplichte reünie voorrang te moeten geven. “Heit en mem kijken naar ons uit,” zei ze glimlachend. “Ik wed dat de suikerbroden al op het aanrecht staan te wachten.”

Hoe noordelijker ze kwamen, hoe meer Piet de Brabantse zachte ‘g’ en de gemoedelijke tongval van de afgelopen maanden liet varen. In zijn hoofd schakelde hij moeiteloos over op het Fries, de taal van zijn jeugd, van de wind en het water. Het was een bijzonder contrast: in de winkel in het zuiden was hij de gerespecteerde ‘Meneer Piet’, de deskundige die oude radio’s en hifi-sets tot op de transistor kende. Maar zodra hij de grens van Friesland passeerde, was hij weer gewoon de zoon die ‘thuis’ kwam.

De nuchtere rust van het noorden viel als een warme, zware deken over de auto heen zodra ze de Lemmer passeerden. Dirkje zat grinnikend naast hem en scrolde door haar telefoon. “Piet, moet je dit horen,” lachte ze, terwijl ze een berichtje van de pagina van ‘Heit & Mem’ voorlas. “Dit is letterlijk jouw familie tijdens deze kenientjedagen (konijntjedagen).”

Piet glimlachte terwijl hij luisterde naar de beschrijving van de Friese gezelligheid: de kerstboom die al begint te ‘ruigelen’ (naalden verliezen), de warme poeiermelk en Beppe die de glaasjes net iets te enthousiast inschenkt. De herinnering aan zijn moeder, die na anderhalf wijntje begon te ‘halvewijzen’ (vrolijke wartaal uitslaan), was een bron van diepe pret voor hem. Ondanks zijn militaire achtergrond kon Piet zich altijd enorm ‘vernuiveren’ (verwonderen en genieten) over deze ongecompliceerde vrolijkheid.

Toen ze Akkrum binnenreden, werden ze verwelkomd door de vertrouwde kerstverlichting die boven de straten bungelde. Het dorp ademde de sfeer van een oude prentkaart. Piet parkeerde de auto voor de woning met het trotse bordje “Us Hiem” op de gevel. De gordijnen bewogen direct; de Friese gastvrijheid wachtte niet op een belletje.

Binnen was het een drukte van jewelste. Het was niet alleen Heit en Mem; de broers en zussen van Piet waren uit alle windstreken van de provincie gekomen. De geur van verse koffie vulde de kamer, maar werd al snel verdrongen door de kruidige walm van Beerenburg en jonge jenever voor de mannen. De dames hielden vast aan hun eigen traditie: bessenjenever en de dikke, goudgele advocaat.

Het ritueel van het advocaatje werd met bijna sacrale precisie uitgevoerd. Beppe haalde de kleine, zilveren lepeltjes tevoorschijn—antiek tafelzilver dat alleen tijdens de feestdagen het daglicht zag. De toef slagroom op de advocaat was dit jaar zo hoog dat het glas bijna topzwaar werd. Beppe, die inmiddels al flink aan het ‘halvewijzen’ was door de eerdere ‘te volle’ glaasjes, begon met een triomfantelijke blik aan haar traktatie.

Maar zoals zo vaak was het oog groter dan de maag, of in dit geval: de lust groter dan de capaciteit van het schepje. Omdat het zilveren lepeltje veel te klein was voor de gulzige hoeveelheid die ze probeerde te pakken, gebeurde het onvermijdelijke. Een dikke, goudgele druppel advocaat gleed traag naar beneden en belandde precies op haar broek die ze speciaal ‘in de pronk’ had aangetrokken.

“Och heden, Beppe toch!” schoot Dirkje in de lach terwijl ze te hulp schoot met een servet. Piet keek vanaf de bank toe, een glas Beerenburg in zijn hand. Hij dacht aan de strakke protocollen van de landmacht en de ordelijke manier waarop hij zijn gereedschap in de winkel beheerde. Hier, in de schaduw van de ruigelende kerstboom, mocht alles even misgaan. Hier werd niet geoordeeld, hier werd gelachen tot men zich de zakken uitscheurde.

De ochtendmist hing nog laag over de Friese weilanden toen de kofferbak van de auto met een doffe klap werd gesloten. Piet stond klaar voor vertrek, zijn blik alweer gericht op de weg, maar zijn moeder hield hem nog even tegen.

Beppe kwam het tuinpad van “Us Hiem” af lopen met een tred die verraadde dat ze, ondanks de gezelligheid van de vorige avond, alweer uren uit de veren was. In haar armen klemde ze een flinke doos, zorgvuldig ingepakt in dik bruin papier, waar de warmte en de geur nog bijna doorheen kwamen.

“Hjir, Piet,” zei ze met een trotse glimlach terwijl ze de doos stevig in zijn handen drukte. “Foar de ploeg yn Brabân. Fiif ferske sûkerbroaden. De sûker sit der dik yn, krekt sa’t it heart.”.

Piet keek naar de doos en dan naar zijn moeder. Hij wist dat dit niet zomaar brood was; dit was de brandstof voor de grote plannen van De Lege Knip. In die vijf broden zat precies genoeg Friese nuchterheid en energie om een heel team van Brabantse vrijwilligers door de eerste zware sloopweek heen te helpen.

“Dank je, mem,” zei Piet, terwijl de geur van gesmolten suiker en kaneel al door de kieren van de doos ontsnapte. Hij zette de kostbare lading voorzichtig op de achterbank, als was het een krat vol kwetsbare elektronica uit zijn eigen reparatiecentrum.

Met een laatste zwaai naar Heit en Mem liet Piet Akkrum achter zich. De auto was nu niet alleen gevuld met herinneringen aan advocaatjes en sterke verhalen, maar ook met het ‘Goud van het Noorden’, klaar om gedeeld te worden met Jannus, Trees en de rest van de ploeg.

Terwijl de auto Friesland verliet en de polders weer breed en open voor hen lagen, voelde Piet een enorme rijkdom. De geur van het verse suikerbrood in de auto was overweldigend. Het was de perfecte brug tussen zijn afkomst en zijn toekomst.

“Zou Jannus weten wat hem overkomt als we maandag met dit ontbijt binnenstappen?” vroeg Dirkje lachend. Piet lachte mee en trapte het gas iets dieper in. “Ik denk dat Trees en de zusters wel raad weten met een flink stuk suikerbrood. Het is de beste brandstof voor een team dat muren gaat afbreken.”

Piet keek vooruit. De mist trok op. Hij was niet meer alleen de zoon uit het noorden of de militair van weleer. Hij was Piet de Vries, de man die met Friese nuchterheid en Brabantse gezelligheid het nieuwe jaar in De Lege Knip tot een legende zou maken.


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reacties op “De Reis van de Verloren Zoon”

  1. Walt's Avatar

    Ohh reed deze suikerbrood auto maar via Amsterdam… mijn Va ook een Fries. Dus ik begrijp het heel goed. Van dat plof dik en tassen vol mee terug

    Geliked door 1 persoon

    1. wzijlstra10 Avatar

      Wat zijn er toch veel mensen waarvan een van de voorouders uit Friesland komen en daar de roots hebben. Zij weten hoe sukerbolle smaakt.

      Geliked door 1 persoon

      1. Walt's Avatar

        Met Kandij klontjes en geen gesmolten suiker

        Geliked door 1 persoon

  2. Karel Avatar

    mogge Willem
    las als thuiskomen , al reed ik dan naar Makkum , lang geleden alweer
    al ben ik dan een Amsterdammer , kwam heel veel daar , het land van m’n mem

    fijn weekend groet

    Geliked door 1 persoon

  3. Suskeblogt Avatar

    Een suikerbrood kan smaken. Stuur er maar ene op. 🙂

    Geliked door 1 persoon

  4. ymarleen Avatar

    Vandaag nog geen suikerbrood, maar leg morgenvroeg maar eentje op mijn stoep.

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie op Suskeblogt Reactie annuleren

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder