
De achterdeur van De Lege Knip zwaaide open en de vrieskou glipte even mee naar binnen, maar werd direct overmeesterd door de warmte van de kachel. Twee agenten ondersteunden Sally, die lijkbleek was en wiens kleding nog de geur van vochtig stro en bevroren aarde verspreidde.
Zuster Josephine en Zuster Justina stonden al klaar. Geen witte jassen of strenge blikken, maar hun vertrouwde, zachte schorten. Zonder een woord te zeggen, nam Josephine de ene arm van de vrouw over van de agent. “Kom maar, kind,” zei Josephine zacht. “Je bent nu bij ons. De kou is buiten gebleven.”
Er werd eerst overlegt om ze eerst bij de kachel bij zou moeten komen of meteen naar de bovenkamer. Dilan had daar de verwarming al hoger gezet. “Breng ze meteen maar naar boven, dan kan ze even proberen te wennen , je weet niet wat ze de laatste tijd heeft meegemaakt. En hier beneden voelt ze zich misschien eerst helemaal niet thuis met al die vreemde mensen hier in de Knip”
Ze brachten haar naar het kamertje boven de winkel. Het was er klein, maar de verwarming loeide behaaglijk en op de bedbank lag een dik, wollen dekbed dat Trees nog die ochtend uit de ‘speciale voorraad’ had gehaald.
Terwijl Justina een teiltje warm water met een drupje lavendelolie klaarmaakte om Sally’s bevroren voeten te wassen, begon Josephine met de eerste echte maaltijd. Geen zware kost nog, want haar maag moest wennen. Een kop heldere bouillon, met zorg getrokken, en een sneetje licht geroosterd brood.
Sally zat op de rand van het bed, haar handen trillend om de warme mok. Ze keek van Justina naar Josephine, haar ogen groot en waterig. “Waarom?” fluisterde ze, haar stem nog steeds schor van de kou. “Ik ben niks meer waard. Ik ben alles kwijt.”
Justina keek op vanuit haar knielende positie bij het voetenbad en legde een warme hand op Sally’s knie. “In de ogen van de wereld ben je misschien een dossier of een ‘geval’, mevrouw. Maar hier ben je een mens. En een mens heeft recht op warmte, een dak en een beetje liefde. De rest… dat komt later wel.”
Na de bouillon en het wassen hielp Josephine haar in een dikke, flanellen pyjama die naar zonneschijn rook. Toen Sally eindelijk onder het dekbed gleed, slaakte ze een diepe zucht die klonk als het wegvallen van een jarenlange last. De angst in haar ogen maakte langzaam plaats voor een diepe, broodnodige uitputting. Het enigste wat ze uit kon brengen was “Dank, Dank, voor jullie hulp” en even later “wat ben ik moe, zuster. Ik wil graag gaan slapen” Zuster Josephine knikte naar haar en lag een hand op haar hoofd. “wij komen regelmatig bij u langs en nemen dan wel een kop met suikerwater en of Kippenbouillon voor u mee. Rust maar lekker uit”
De trap kraakte zachtjes onder de voeten van de zusters terwijl ze behoedzaam naar beneden liepen. Hun gezichten stonden ernstig, maar in hun ogen glimpte de voldoening van het kunnen helpen.
“Ze slaapt als een roos,” zei Zuster Justina, terwijl ze haar handen droogde aan haar schort. “De warme bouillon heeft haar goed gedaan, maar het is de rust die haar het meeste redt. Ze was tot de draad versleten, niet alleen door de kou, maar door het vechten tegen de wereld.”
Zuster Josephine schoof bij Jannus aan tafel. “We hebben haar kleren in de wasmachine gedaan, al is het meeste eigenlijk alleen nog goed voor de poetslap. Maar we hebben in de winkel al een mooie wollen trui en een stevige broek klaargelegd voor als ze wakker wordt. Een mens voelt zich pas echt anders als ze de oude ellende van zich af kan wassen.”
Piet de Vries, die normaal gesproken altijd een kwinkslag paraat had, bleef ongewoon stil. Hij staarde naar de zware hamer die naast hem op de bank lag. “Ik dacht dat ik met deze hamer muren moest slopen,” mompelde hij, “maar de echte muren zitten blijkbaar bij de mensen thuis. Hoe kan het dat we in een dorp als dit niet weten dat er iemand in een kippenhok ligt te bevriezen?”
Jannus legde een hand op Piets schouder. “Omdat mensen zoals Sally zichzelf onzichtbaar maken uit schaamte, Piet. Maar vandaag is ze gezien. En dat is het begin.”
Op dat moment stapte Harrie de winkel binnen, nog nagenietend van zijn ‘succesje’ bij de Lions, maar hij voelde direct de veranderde sfeer. Toen Trees hem in een paar woorden bijpraatte over de gebeurtenissen van die ochtend, zag je de zakelijke blik in zijn ogen veranderen in iets diepers.
Hij keek naar zijn map met vergunningsaanvragen. “Ik zat gisteren nog te filosoferen over ‘sociale cohesie’ tegenover de wethouder,” zei hij zacht. “Maar dit verhaal… dit is de praktijk. Dit is geen dossier meer. Als de gemeenteraad volgende week bijeenkomt, ga ik niet praten over vierkante meters uitbreiding. Ik ga ze vragen of ze willen dat de volgende Sally wél een plek heeft om naartoe te gaan vóórdat ze in een kippenhok belandt.”
Trees knikte vastberaden. “Regeren is vooruitzien, zei je toch, Harrie? Nou, laten we dan maar eens zorgen dat ze in het gemeentehuis gaan zien wat wij hier elke dag voor onze neus krijgen.”
Buiten vroor het inmiddels -5°C, maar in De Lege Knip brandde een vuur dat niet alleen de muren, maar ook een gebroken hart begon te ontdooien.
Terwijl de duisternis inviel en de vrieskou de ramen van de winkel voorzag van prachtige maar verraderlijke ijsbloemen, werd de wacht verdeeld. Jannus had de kachel in de praathoek nog eens flink opgestookt voordat hij naar huis ging, zodat de warmte als een deken door het pand zou blijven hangen.
Trees nam de eerste shift op zich. Ze zat in de luie stoel naast het bed van Sally, met alleen een klein schemerlampje aan. Sally sliep onrustig; haar ademhaling was zwaar en af en toe schrok ze wakker met een zachte snik, nog steeds gevangen in de droom van de ijzige wind op haar wangen. Op die momenten legde Trees even haar hand op Sally’s arm. “Sst, het is goed,” fluisterde ze dan. “Je bent binnen. Je bent veilig.”
Om drie uur ’s nachts kraakte de trap. Dilan kwam zachtjes naar boven, gehuld in een dikke trui en met een thermoskan thee. Ze wisselden slechts een blik en een knikje uit; woorden waren in deze stilte niet nodig.
In de diepste uren nam Dilan de plek van Trees in. Ze keek naar de vrouw in het bed. Voor Dilan, die zelf wist wat het betekende om ergens ‘nieuw’ te zijn en te moeten vechten voor je plek, voelde deze nacht extra beladen. Terwijl de wereld buiten bevroor, hield zij de wacht over iemand die alles was kwijtgeraakt behalve haar waardigheid.
Rond een uur of vijf werd Sally wakker. Ze keek verward om zich heen en haar ogen ontmoetten die van Dilan. “Ben je er nog?” vroeg Sally met een breekbare stem. “Ik ga nergens heen,” antwoordde Dilan rustig. “Drink een beetje thee. De zon komt bijna op, en vandaag begint een dag waarop je niet hoeft te vluchten.”
Toen de eerste grijze lichtstralen de kamer binnenvielen, hoorden ze beneden de sleutel in het slot. Jannus was er vroeg, samen met de Zusters die alweer verse broodjes bij zich hadden.
De nachtwacht was voorbij, maar de verbinding die in die donkere uren was ontstaan, was onverwoestbaar. In de keuken beneden keken Dilan en Trees elkaar aan. Ze waren moe, maar hun ogen glommen. Ze hadden niet alleen over een gast gewaakt; ze hadden laten zien dat in De Lege Knip de lichten nooit echt uitgaan als er iemand in het donker zit.
(wordt vervolgd)
Geef een reactie op ymarleen Reactie annuleren