
De ontknoping
De drukte in de winkel was inmiddels verstomd. Beneden in de grote zaal van De Lege Knip brandde alleen nog een klein nachtlampje bij de elektronicahoek van Piet, maar boven, in het privédomein van Sally, brandde volop licht. Het was een bescheiden maar sfeervolle ruimte, gevuld met spullen die Jannus en de anderen met zorg hadden uitgezocht om haar een echt thuisgevoel te geven.
Lotte liet haar ogen over de kamer glijden. “Het is… het is echt van jou, hè mama? Geen marmeren vloeren, geen camera’s, geen kille perfectie.”
“Het is mijn veilige haven, Lotte,” antwoordde Sally, terwijl ze een kan thee op de kleine tafel zette. “Hier mag ik zijn wie ik ben, zonder dat iemand me vertelt dat ik ziek ben of dat ik me moet schamen.”
Ze bleven urenlang praten. De eerste onwennigheid maakte plaats voor een stroom aan herinneringen en pijnlijke inzichten. Ze wisselden telefoonnummers uit, sloegen elkaars contactgegevens op onder schuilnamen, en begonnen de puzzel van hun gezamenlijke verleden te leggen.
“Weet je nog die keer dat je plotseling weg was?” vroeg Lotte zacht, terwijl ze haar handen om haar mok klemde. “Die maand dat ik zestien werd? Ik kwam uit school en je spullen waren weg. Papa zei dat je een inzinking had gehad en naar een kliniek was gebracht voor je eigen bestwil.”
Sally zuchtte diep en keek uit het raam naar de donkere dorpsstraat. “Ik was niet in een kliniek, lieverd. Ik was die middag weggevlucht omdat ik dacht dat ik nergens anders heen kon. Ik dacht dat als ik weg was, hij zijn woede niet meer op jou zou koelen. Maar ik was ook naïef; ik dacht dat ik sterk genoeg was om alleen te overleven zonder geld of steun. Na drie dagen vond hij me en dreigde hij je studie en je toekomst kapot te maken als ik niet terugkwam.”
“Ik was ook naïef,” gaf Lotte toe, terwijl de tranen weer in haar ogen sprongen. “Ik geloofde hem. Ik dacht echt dat je ons in de steek had gelaten. Omdat ik nergens anders terechtkon, trok ik nog nauwer naar hem toe. Ik dacht dat hij de enige was die de boel nog bij elkaar hield.”
Ze kwamen er samen achter dat de verwijdering tussen hen al veel eerder had moeten plaatsvinden. De manipulatie van Robert was zo geraffineerd geweest dat hij moeder en dochter als twee magneten met dezelfde pool uit elkaar had gedreven.
“Dat ik uiteindelijk bij hem ben gaan wonen toen ik ging studeren, was de grootste fout,” vervolgde Lotte. “Maar het werkte gewoon niet. Zijn regels, zijn constante controle… ik stikte erin. Daarom ben ik die kamer in het dorp gaan huren. Ik dacht dat ik ontsnapte aan zijn strengheid, maar ik besef nu pas dat ik alleen maar van de woonkamer naar de gang was verhuisd. Ik zat nog steeds in zijn systeem.”
Sally pakte de hand van haar dochter vast. “Maar nu niet meer. Dat we elkaar vandaag bij die roeimachine zagen… dat was geen toeval, Lotte. Dat was het leven dat ons een tweede kans gaf.”
“Mama,” zei Lotte plotseling heel beslist, “hoe gaat het nu verder? Harrie heeft me gewaarschuwd voor de financiën, maar dat boeit me niet. Ik wil weten hoe we hem stoppen.”
“Stap voor stap,” antwoordde Sally. “We houden contact via dit nieuwe nummer. Je gedraagt je normaal tegenover hem. En als je iets hoort over die meneer de Bruin, of als je merkt dat hij zenuwachtig wordt, dan laat je het me weten. We laten ons nooit meer tegen elkaar uitspelen.”
Toen Lotte die nacht laat vertrok, via de achteruitgang van De Lege Knip, voelde ze zich voor het eerst in jaren geen slachtoffer meer van haar vaders grillen. Ze had haar moeder terug, en daarmee had ze haar eigen identiteit herwonnen. De schaduwen uit het verleden waren er nog steeds, maar het licht in de nacht van De Lege Knip had hen de weg gewezen.
Een paar dagen na de emotionele ontmoeting in De Lege Knip zweefde Lotte nog steeds op een wolk. De hereniging met haar moeder had haar een innerlijke rust gegeven die ze jaren niet had gekend. Ze zat aan haar kleine keukentafel met een kop koffie en staarde naar haar nieuwe telefoon, waar net een appje van Sally op was binnengekomen: “Denk aan je, lieverd. Wees voorzichtig.”
Net toen ze een glimlach wilde terugsturen, trilde haar andere telefoon op het tafelblad. Het scherm lichtte op met de naam die haar hart nog steeds even deed stilstaan: Vader.
“Lotte,” klonk de stem van Robert. Hij klonk anders dan normaal; de autoritaire, zelfverzekerde toon had plaatsgemaakt voor een gejaagde ondertoon. “Ik moet je spreken. Vandaag nog. Maar niet in het dorp, niet in een restaurant. Ik kom naar jouw kamer. Zorg dat je er bent om acht uur.”
Voordat Lotte kon protesteren of vragen waarom, was de verbinding al verbroken. Ze voelde een vlaag van paniek, maar herinnerde zich toen de woorden van Harrie: Blijf kalm, wees de dochter die hij verwacht.
Precies om acht uur werd er kort en dwingend aangebelt. Robert van der Velde stapte naar binnen zonder te wachten. Hij zag er onberispelijk uit in zijn pak, maar zijn ogen waren rooddoorlopen en hij had een zenuwachtige trek om zijn mond. Hij ijsbeerde door haar kleine studio, keek minachtend naar de eenvoudige meubels en zuchtte diep.
“Lotte, ik zit in een lastig parket,” begon hij, terwijl hij eindelijk stil bleef staan. “Zakelijke tegenvallers. Jaloezie van concurrenten die de belastingdienst op mijn nek hebben gestuurd. Ze hebben… ze hebben tijdelijk wat rekeningen bevroren. Puur procedureel natuurlijk, maar het is hoogst irritant.”
Hij keek haar aan, en Lotte zag voor het eerst een glimp van wanhoop in de man die ze altijd als onoverwinnelijk had beschouwd. “Het punt is,” vervolgde hij, “dat ik de grote villa misschien even moet verlaten. Uit strategisch oogpunt. Ik zat eraan te denken om hier bij jou in te trekken. Het is klein, maar het is discreet. Niemand zoekt mij bij mijn studentendochter.”
Lotte voelde een rilling over haar rug lopen. De man die haar moeder in een kippenhok had gestopt, wilde nu haar veilige plek opeisen omdat zijn eigen imperium instortte. Wat haar echter het meeste raakte, was het ijzingwekkende zwijgen. Hij sprak over geld, over zijn reputatie, over zijn ongemak – maar met geen woord over de vrouw die hij jarenlang had geterroriseerd.
Lotte dwong zichzelf om hem recht in de ogen te kijken. “En mama dan, papa? Waar is zij in dit hele verhaal? Hoe moet dat als jij hier komt wonen? Waar is ze eigenlijk?”
Robert verstrakte onmiddellijk. De gejaagde blik maakte plaats voor een kille, bijna vijandige glans. De masker van de bezorgde vader viel af.
“Waarom vraag je dat nu?” beet hij haar toe. “Wat heb jij daar in hemelsnaam mee te maken? Ik heb je toch gezegd dat ze rust nodig heeft? Ze is weg, Lotte. Ze is labiel en onbetrouwbaar. Ze heeft ons in de steek gelaten toen het moeilijk werd. Dat is alles wat je hoeft te weten.”
De lucht in de kleine kamer van Lotte was inmiddels zinderend van spanning. De woorden van Robert over de ‘onbetrouwbaarheid’ van haar moeder waren de spreekwoordelijke druppel. Lotte voelde de angst wegvloeien en plaatsmaken voor een scherpe, doelgerichte moed die ze van haar moeder had geërfd.
Lotte deed geen stap achteruit. Integendeel, ze leunde lichtjes naar voren, haar blik strak op die van haar vader gericht.
“Ze is labiel?” herhaalde Lotte met een ijzige kalmte die Robert duidelijk uit zijn evenwicht bracht. “Dat is wat je al jaren zegt, papa. Maar ze is nog altijd mijn moeder. ‘Ze is weg’ is geen antwoord meer. Mensen verdwijnen niet zomaar in het niets. Voor hetzelfde geld is ze vermoord. Voor hetzelfde geld ligt ze ergens waar niemand haar kan vinden.”
Robert wilde haar onderbreken met een wegwerpend gebaar, maar Lotte overstemde hem.
“Dus als jij meer weet, Robert, dan wil ik dat nu weten. Niet morgen, niet als het jou uitkomt, maar nu. Waar is ze voor het laatst gezien? Wie heeft haar weggebracht? Als je wilt dat ik mijn huis en mijn leven met je deel omdat jij ‘zakelijke problemen’ hebt, dan eis ik de waarheid over mama.”
De aderen in de hals van Robert begonnen op te zetten. Het feit dat zijn eigen dochter hem bij zijn voornaam noemde en hem de duimschroeven aandraaide, was iets waar hij totaal niet op voorbereid was. Hij was gewend aan een bange Sally en een volgzame Lotte. Deze nieuwe dynamiek maakte hem razend.
“Je weet niet waar je het over hebt,” siste hij, terwijl hij zijn vuisten balde. “Je bent precies zoals zij; ondankbaar en hysterisch. Ik heb alles gedaan om dit gezin te beschermen tegen haar instabiliteit. Als ze dood zou zijn, zou dat waarschijnlijk haar eigen schuld zijn door de keuzes die ze heeft gemaakt.”
Hij draaide zich abrupt om en liep naar het raam, waar hij met zijn rug naar haar toe naar buiten staarde. “Ik heb haar niet vermoord, Lotte. Maar ik zal ook geen traan om haar laten. Ze is een blok aan mijn been geweest zolang ik me kan herinneren. En nu de fiscus achter me aan zit, heb ik geen tijd voor dit sentimentele gezeur.”
Lotte zag zijn trillende schouders en besefte dat Harrie gelijk had: Robert was een gewond dier. Maar in zijn woede had hij iets cruciaals bevestigd: hij wist dat ze niet dood was, maar hij sprak over haar in de verleden tijd, alsof hij haar definitief had ‘verwijderd’ uit zijn wereld.
Terwijl Robert daar bij het raam stond, gleed Lotte’s blik naar zijn jas die hij over een stoel had gegooid. Uit de binnenzak stak een hoekje van een envelop. Het was een blauwe envelop, maar er stond met de hand iets op geschreven wat Lotte deed bevriezen: een adres in het dorp dat ze herkende. Het was niet het adres van De Lege Knip, maar het was verdomd dichtbij.
Lotte voelde haar hart in haar keel bonzen. De kans was daar, midden in haar eigen woonkamer. Robert liep met een zwaai van zijn hand naar de gang. “Ik moet me even verfrissen, dit gesprek put me uit,” beet hij haar toe voordat hij de deur van de badkamer achter zich dichttrok.
Zodra ze het slot hoorde omklikken, kwam Lotte in actie. Ze wist dat ze maar enkele minuten, misschien zelfs maar seconden had.
Met geruisloze passen glipte ze naar de stoel waar zijn dure merkkleding over de leuning hing. De geur van zijn zware parfum was verstikkend. Met trillende vingers reikte ze naar de binnenzak van zijn colbert. Haar vingertoppen raakten het papier. Ze trok de envelop voorzichtig een stukje omhoog, net ver genoeg om het handschrift te kunnen lezen.
Het was inderdaad een blauwe envelop van de belastingdienst, maar het was de handgeschreven krabbel in de kantlijn die haar adem deed stokken:
“Contact opnemen met De Bruin – Afspraak vloeivelden 23:00 uur. Dossier S. vernietigen.”
Lotte’s maag kromp ineen. Dossier S. Dat kon niets anders betekenen dan Sally. Robert was niet alleen op de vlucht voor de fiscus; hij was actief bezig om de laatste sporen van haar moeders bestaan en zijn misdaden uit te wissen.
Ze hoorde de kraan in de badkamer dichtgedraaid worden. In een reflex schoof ze de envelop terug en sprong weg van de stoel. Ze greep haar eigen telefoon van de tafel en deed alsof ze een bericht aan het typen was, net op het moment dat de deur weer openging.
Robert kwam naar buiten, zijn gezicht weer strak in de plooi, hoewel de onrust nog steeds in zijn ogen flakkerde. “Luister Lotte,” zei hij, terwijl hij zijn jas weer aantrok zonder de zakken te controleren. “Ik heb besloten dat ik hier vanavond mijn eerste spullen breng. Zorg dat er ruimte is. Ik heb wat zaken af te handelen in het dorp en daarna kom ik terug.”
Hij wachtte haar antwoord niet af en beende de kamer uit. Lotte hoorde zijn zware voetstappen op de trap wegsterven. Pas toen de voordeur beneden met een harde klap dichtsloeg, zakte ze trillend op de bank.
Ze wist wat ze moest doen. Ze pakte haar nieuwe telefoon, de telefoon die Robert niet kende, en toetste met bevende vingers het nummer van Harrie in.
“Harrie? Met Lotte. Hij is hier net geweest. Hij wil bij mij intrekken, hij zit aan de grond… maar dat is niet het ergste. Ik heb een aantekening gezien op een envelop. Hij heeft vanavond om elf uur een afspraak met De Bruin bij de vloeivelden. Het gaat over een dossier ‘S’. Hij wil alles vernietigen.”
Aan de andere kant van de lijn bleef het even stil. Ze hoorde Harrie diep inademen. “Lotte, je bent een engel. Blijf waar je bent en doe de deur op slot. Ik bel Jannus en Piet. Die vloeivelden liggen afgelegen… als hij daar bewijsmateriaal gaat verbranden, moeten we erbij zijn voordat het as is.”
In de huiskamer van Harrie heerst een ongebruikelijke bedrijvigheid. Hij heeft de papieren van de Belastingdienst over zijn eettafel verspreid, maar zijn ogen dwalen steeds af naar zijn telefoon. De inspecteur van politie heeft hem net een kort bericht gestuurd: de wagens staan klaar. Harrie trekt zijn donkerste jas aan en controleert of hij de sleutels van zijn auto heeft. Hij moet over een uur vertrekken om Jannus op te halen.
Bij Jannus thuis is het niet anders. Gerda ziet hoe hij zenuwachtig door de keuken ijsbeert. Hij heeft zijn zware wandelschoenen al aanstaan. “Houd je hoofd erbij, Jannus,” zegt Gerda terwijl ze een hand op zijn schouder legt. “Geen heldhaftige acties, laat de politie het werk doen.” Jannus knikt alleen maar. Hij denkt aan Sally en aan het onrecht dat haar is aangedaan. Voor hem is dit persoonlijk.
Piet zit in zijn kleine flatje boven zijn eigen werkplaats. Hij heeft een scanner aanstaan en luistert naar de ruis, hopend dat hij straks de signalen van de porto’s goed kan opvangen. Hij is de technische achterwacht, de man die de verbindingen tussen de verschillende locaties bewaakt.
Ondertussen zit Lotte alleen in haar kamer. Elke auto die door de straat rijdt, doet haar opschrikken. Is het Robert die nu al zijn koffers komt brengen? Ze heeft haar tas gepakt met de belangrijkste dingen, voor het geval ze halsoverkop weg moet. De confrontatie met haar vader dreunt nog na in haar hoofd. Ze voelt zich een verrader, maar dan denkt ze aan de blik in zijn ogen toen hij zei dat haar moeder ‘labiel’ was, en haar twijfel verdwijnt als sneeuw voor de zon.
Om 21:15 uur gaat de telefoon bij Harrie. Het is de inspecteur. “Harrie, we hebben een voertuig gespot dat de oprit van Robert van der Velde verlaat. Een zwarte sedan, waarschijnlijk De Bruin. Ze zijn vroeger dan verwacht. We gaan nu richting de vloeivelden. Ben je klaar?”
Harrie aarzelt geen moment. Hij appt Jannus: “Vroeger dan gepland. Ik ben er over 5 minuten.”
De mannen verlaten hun huizen in de anonimiteit van de avond. Terwijl de rest van het dorp zich klaarmaakt voor de nacht, rijden zij met gedoofde lichten richting de rand van het dorp, waar de vloeivelden in de duisternis wachten.
De koplampen van Roberts terreinwagen snijden door de dichte mist die boven de vloeivelden hangt. Hij zet de motor uit en de stilte die volgt is oorverdovend, slechts onderbroken door het tikken van de afkoelende motor en het verre geritsel van riet.
Robert stapt uit, trekt zijn kraag omhoog tegen de klamme kou en kijkt gejaagd op zijn horloge. Het is pas 22:45 uur, maar zijn zenuwen dwingen hem tot actie. Hij loopt naar de achterbak en tilt er een zware, metalen trommel uit. In zijn andere hand klemt hij een jerrycan benzine.
Hij ijsbeert ongeduldig langs de waterkant, zijn adem vormt witte wolkjes in de nachtlucht. Elke keer als een takje knapt, krimpt hij ineen. Hij weet dat De Bruin de bewijzen bij zich heeft die zijn ondergang kunnen betekenen als de fiscus ze in handen krijgt. “Schiet op,” mompelt hij in de duisternis, niet wetende dat slechts vijftig meter verderop, verscholen achter een roestige opslagtank, Harrie en de inspecteur hem door een nachtkijker nauwgezet in de gaten houden.
Robert pakt zijn aansteker en laat de vlam even kort oplichten—een zenuwachtig gebaar dat in de pikkedonkere polder werkt als een baken voor de politieagenten die het terrein langzaam omsingelen.
Het geluid van een naderende motor verbreekt de stilte. Een onopvallende zwarte sedan draait zonder lichten het hobbelige terrein van de vloeivelden op en stopt vlak naast de wagen van Robert. De portier slaat dicht en een kleine, gezette man met een leren aktetas stapt uit: Meneer de Bruin.
Robert loopt met grote passen op hem af. “Heb je alles?” snauwt hij, terwijl hij nerveus om zich heen kijkt.
De Bruin knikt zwijgend en opent de tas. “Het volledige Dossier S., de originele bankafschriften van de buitenlandse rekeningen en de koopcontracten van de panden die op Sally’s naam stonden. Als dit de trommel in gaat, Robert, is er geen weg meer terug naar de waarheid.”
Robert grijpt de documenten uit de tas en wil ze net in de metalen trommel werpen, waar hij de benzine al over heeft uitgegoten. Hij houdt zijn aansteker klaar.
Op dat exacte moment explodeert de duisternis in een zee van verblindend wit licht. Van drie kanten flitsen de blauwe en rode lichten van de politiewagens aan. De sirenes loeien kort en krachtig.
“POLITIE! Handen omhoog en afstand bewaren van de trommel!” klinkt de stem van de inspecteur door een megafoon.
Robert verstijft van pure schrik, de aansteker glipt uit zijn trillende vingers maar dooft gelukkig in het vochtige gras. De Bruin reageert sneller; hij duikt terug zijn auto in en probeert de motor te starten, maar een onopvallende politiewagen ramt zijn bumper en blokkeert elke uitgang. Robert probeert nog richting het riet te rennen, maar de zware modder zuigt zijn schoenen vast. Voordat hij de rand van het water kan bereiken, wordt hij door twee agenten in burger tegen de grond gewerkt.
“Robert van der Velde, u bent aangehouden op verdenking van grootschalige fraude, verduistering en poging tot vernietiging van bewijsmateriaal,” zegt de inspecteur terwijl hij de handboeien strak om de polsen van Robert klikt. De Bruin wordt even verderop eveneens in de boeien geslagen.
Harrie en Jannus stappen uit de schaduw van de opslagtank. Harrie loopt direct naar de metalen trommel die Robert in de paniek heeft laten vallen. De papieren liggen er nog in, doordrenkt van de benzine maar onbeschadigd door vuur.
“Je bent te laat, Robert,” zegt Harrie kalm, terwijl hij de trommel veiligstelt. “De waarheid brandt niet zo makkelijk.”
Beide auto’s worden verzegeld voor forensisch onderzoek en door een takelwagen in beslag genomen. Terwijl de heren in gescheiden politiewagens worden afgevoerd naar het bureau voor verhoor, blijft het terrein achter als een plaats delict.
Harrie pakt zijn telefoon en stuurt een simpel bericht naar Sally en naar Lotte, die op dat moment kilometers verderop elkaars hand vasthouden:
De metalen trommel, waarin de benzinedampen nog hing, werd voorzichtig in een bewijszak geplaatst. Het Dossier S, de map die de sleutel vormde tot jarenlang bedrog, werd door een agent met handschoenen veiliggesteld. Harrie keek toe hoe de spullen in de kofferbak van de politieauto verdwenen. Hoewel hij het liefst ter plekke elk papier had gelezen, wist hij dat de juridische keten nu gesloten moest blijven om Robert geen enkele kans te geven het bewijs later in de rechtszaal aan te vechten.
In het felle tl-licht van het politiebureau werd de buit die nacht nog geregistreerd. Terwijl Robert in een verhoorkamer zijn zwijgrecht probeerde op te eisen, begon de ernst van de situatie tot hem door te dringen. Hij was niet langer de onaantastbare zakenman; hij was een verdachte die op heterdaad was betrapt bij het vernietigen van bewijs.
Meneer de Bruin bleek minder loyaal. Onder druk van de nachtelijke ondervraging begon hij al snel te hinten dat hij “slechts een tussenpersoon” was en dat hij bereid was te praten als dat zijn eigen positie zou verbeteren.
Harrie en Jannus reden in stilte terug naar het dorp. De adrenaline ebde weg en maakte plaats voor een diepe vermoeidheid, maar ook voor een intens gevoel van voldoening.
Toen Harrie even na middernacht langs het huis van Lotte reed, zag hij dat er boven nog licht brandde. Hij wist dat ze niet zou slapen voordat ze bericht had. Hij stuurde een kort bericht naar de hele groep:
“Bewijs is veiliggesteld op het bureau. Robert en De Bruin zitten vast. Ga slapen, morgenochtend om 10:00 uur verzamelen in de Lege Knip voor de volgende stappen.”
(wordt vervolgd)
Geef een reactie op Hans Reactie annuleren