
De zaak rond Robert van der Velde en Evert de Bruin bleek geen op zichzelf staand incident, maar de ingang naar een duister doolhof van financiële criminaliteit. Terwijl Robert in zijn cel wachtte, realiseerden de rechercheurs en de experts van de FIOD zich dat ze een beerput hadden opengetrokken die veel dieper was dan de kelders van zijn villa.
De ‘Adviesgroep West’ was in werkelijkheid niet meer dan een administratief doorgeefluik. Uit het onderzoek naar de in beslag genomen administratie kwamen namen naar voren van verschillende Vastgoedbemiddelingsbedrijven. Dit waren geen onbekenden; een aantal van deze firma’s was jaren geleden al eens zijdelings genoemd in dossiers over grootschalige malversaties, maar destijds was er nooit voldoende bewijs voor een veroordeling.
Nu lagen de lijnen er echter glashelder. Robert fungeerde als de ‘gladde voorkant’, degene die met zijn charme en dure auto’s de deals sloot, terwijl de echte machthebbers zich verschuilden achter deze bemiddelingsbureaus.
De prangende vraag voor Van Dooren en zijn team was: wie zijn de mensen achter deze bedrijven? Het vermoeden groeide dat Robert niet alleen schulden had bij banken of bonafide investeerders, maar dat hij werkte met kapitaal van een schaduwnetwerk.
Wanneer een ‘vis’ als Robert zijn verplichtingen niet nakwam, waren dit de partijen die geen deurwaarders stuurden, maar incasseerders van een heel ander kaliber. Dit verklaarde ook de paniek bij Robert en de noodzaak om Sally en Lotte als ‘onderpand’ te gebruiken. De mensen achter de vastgoedbedrijven wilden hun geld terug, en ze waren bereid om over lijken te gaan om dat te bereiken.
De FIOD heeft inmiddels een speciaal team samengesteld dat de geldstromen van de Adviesgroep West naar deze bemiddelingsbedrijven volgt. Ze vermoeden dat Robert een enorme som geld heeft laten ‘verdwijnen’ die niet van hem was, en dat hij daarmee een wespennest heeft verstoord dat veel groter is dan het dorp ooit had kunnen bevroeden.
Terwijl het onderzoek in volle vaart werd voortgezet, werd de beveiliging rond de dossiers — en indirect dus ook de informatie over de verblijfplaats van Sally en Lotte — verder aangescherpt.
In een anonieme, zwaarbeveiligde vergaderruimte van het FIOD-kantoor heerste een sfeer van opperste concentratie. Van Dooren stond voor een kamerbreed wit bord dat inmiddels volhing met organogrammen, kopieën van paspoorten en uittreksels van de Kamer van Koophandel. Het was tijd om de jacht te verbreden; Robert was slechts het lokaas geweest, nu was het tijd voor de roofvissen die zich in de diepte schuilhielden.
De sfeer in de vergaderruimte werd grimmiger naarmate de teamleden door de mappen bladerden. De stilte werd doorbroken door rechercheur De Wit, een ervaren rot in het vak van financiële recherche.
“M. de Jager,” herhaalde De Wit terwijl hij een vergrootglas over een kopie van een contract schoof. “Kijk eens naar de aanzet van de ‘J’. Die is vloeiend, bijna arrogant. Dit is geen stroman die trillend zijn handtekening zet onder een document dat hij niet begrijpt. Dit is iemand die precies weet hoe hij buiten de radars moet blijven. Als hij nergens ingeschreven staat, gebruikt hij waarschijnlijk een ‘ghost identity’ of een gestolen identiteit van iemand die jaren geleden naar het buitenland is vertrokken.”
Een jongere analiste, Sophie, die gespecialiseerd was in digitale geldstromen, haakte in. “Wat me opvalt bij Linden Vastgoed, is de snelheid van de transacties. Zodra Robert van der Velde een ‘adviesfee’ factureerde, werd het bedrag binnen vierentwintig uur doorgesluisd naar de Holding de Kroon. Maar daar stopt het spoor niet. Het geld wordt niet uitgegeven; het wordt geparkeerd in onroerend goed dat op papier niets waard is, maar in de praktijk als onderpand dient voor weer nieuwe leningen.”
“Precies,” knikte Van Dooren. “Het is een carrousel. Maar wie draait er aan de hendel?”
“Ik denk dat Robert een fout heeft gemaakt,” wierp een andere onderzoeker, Bakker, op. “Hij is te gulzig geweest. In dit dossier van Noord-Zuid Bemiddeling zie ik dat hij de laatste drie maanden hogere commissies naar zichzelf heeft overgemaakt dan was afgesproken in de schaduwcontracten. Hij heeft geld gestolen van mensen die geen diefstal tolereren. Dat verklaart waarom hij zo wanhopig was en Sally en Lotte als onderpand begon te zien. Hij wist dat De Jager of zijn bazen de tekorten zouden opmerken.”
“Dat geeft ons een ingang,” zei De Wit scherp. “Als Robert hen heeft bestolen, dan zijn zij niet alleen schuldeisers, maar ook zijn grootste vijanden. De Jager zal de administratie van Robert willen terughebben voordat wij alles hebben uitgeplozen. Hij is op zoek naar de bewijzen die hem aan deze bemiddelingsbureaus koppelen.”
Sophie keek op van haar scherm. “Als we de handtekening van De Jager vergelijken met de metadata van de digitale facturen van Holding de Kroon, zie ik een patroon in de IP-adressen. Ze gebruiken beveiligde lijnen, maar er is één specifieke locatie in de Randstad die telkens terugkomt op het moment dat er getekend wordt. Het is een virtueel kantoor, maar iemand moet daar fysiek de post ophalen of de tokens activeren.”
Van Dooren sloeg op tafel. “Dat is ons visje. We gaan niet alleen het gerucht over het ‘zwarte boekje’ verspreiden, we laten ook subtiel doorschemeren bij de advocaten van Robert dat de FIOD moeite heeft met het ontcijferen van bepaalde ‘handtekeningen’ in de fysieke administratie. Dat zal De Jager dwingen om te bewegen. Hij zal willen weten wat wij hebben en wat Robert eventueel tegen hem heeft verklaard.”
“En als hij beweegt,” concludeerde De Wit, “dan zorgen we dat we elk schaduwteam klaar hebben staan. We volgen niet de man, we volgen de angst die hij heeft voor de waarheid.”
Hij keek zijn team indringend aan. “Maar let op: dit zijn mensen die gewend zijn om over lijken te gaan om hun kapitaal te beschermen. Robert heeft hun geld verloren, en ze zijn nerveus. Onze hoogste prioriteit blijft de anonimiteit van Sally en Lotte. Als deze figuren erachter komen waar zij zitten, hebben we een serieus probleem.”
Van Dooren wist dat een frontale aanval op een schaduwfiguur als De Jager gedoemd was te mislukken. Hij had een “fluisteraar” nodig, iemand die diep in de haarvaten van het vastgoedcircuit zat en wiens woorden als een lopend vuurtje door de chique hotellobby’s en golfclubs zouden gaan.
De keuze viel op Dennis ‘Dikke’ van der Meer, een makelaar die officieel zijn licentie kwijt was maar officieus nog steeds de spil was in menige schimmige vastgoedtransactie. Van Dooren sprak met hem af in een onopvallend wegrestaurant langs de A12.
Van Dooren schoof een dossier over de tafel, maar hield zijn hand erop. Hij wist dat Dennis een zwak had voor informatie die hij kon doorverkopen of gebruiken als ruilmiddel.
“Dennis,” begon Van Dooren op een toon die het midden hield tussen vertrouwelijkheid en dreiging. “We zijn klaar met Robert van der Velde. Hij zingt als een kanarie. Maar dat is het probleem niet.”
Dennis trok een wenkbrauw op. “Oh? Wat is het probleem dan wel, officier? Robert is toch de hoofdprijs?”
“Robert is de bijvangst,” zei Van Dooren koeltjes. “Het gaat om het zwarte kasboekje dat we in zijn kluis hebben gevonden. Hij noemt het zijn ‘levensverzekering’. Er staan data, bedragen en vooral… namen in van mensen die bij de Holding de Kroon en Noord-Zuid de lakens uitdelen. Namen waar zelfs wij nog nooit van gehoord hebben. Een zekere ‘De Jager’ komt er wel dertig keer in voor.”
Van Dooren zag Dennis’ ogen groter worden. De naam De Jager was in die kringen een mythe, een naam die je alleen fluisterde.
“Het probleem is,” loog Van Dooren vakkundig verder, “dat het boekje deels in code is geschreven. We hebben experts die eraan werken, maar het is een kwestie van dagen voordat we de hele hiërarchie onder De Jager in kaart hebben. Ik zeg dit tegen jou omdat ik niet wil dat er onschuldige bemiddelaars in het kruisvuur terechtkomen als de arrestatieteams volgende week gaan rijden.”
Dennis begreep de boodschap: Red jezelf, of zorg dat je degene bent die het nieuws brengt.
Binnen twee uur nadat Dennis het restaurant had verlaten, begonnen de telefoonlijnen in de vastgoedwereld te gloeien. Het “visje” was niet alleen uitgegooid, het was met huid en haar ingeslikt.
In een anoniem kantoor in de Amsterdamse Zuidas zat een man naar zijn versleutelde telefoon te kijken. Het bericht van Dennis was kort: “FIOD heeft het zwarte boekje van Robert. De Jager staat er met naam en toenaam in. Ze kraken de codes. Volgende week gaan ze los.”
De onzichtbare man aan de andere kant van de lijn, M. de Jager, voelde voor het eerst de grond onder zijn voeten trillen. Hij wist dat Robert nooit zo’n boekje had gehad—of wel? De twijfel was gezaaid. Hij moest weten wat de FIOD precies in handen had, en hij moest het nu weten.
De zon was al onder toen Mr. Berendsen, de advocaat van Robert van der Velde, naar zijn auto liep in de grijze, galmende parkeerkelder van zijn kantoor aan de Zuidas. Hij was moe; de druk van de FIOD aan de ene kant en de onbereikbaarheid van zijn cliënt aan de andere kant eisten hun tol.
Net toen hij zijn afstandsbediening indrukte en de lichten van zijn Volvo knipperden, stapte er een man achter een betonnen pilaar vandaan. Hij droeg een onberispelijk donkerblauw pak, maar zijn uitdrukking was allesbehalve zakelijk.
“Mr. Berendsen,” zei de man met een stem die kalm was, maar een ijzig randje had. Hij maakte geen aanstalten om dichterbij te komen, wat de situatie alleen maar dreigender maakte.
Berendsen verstijfde. “Wie bent u? Mijn kantoor is gesloten, u kunt morgen een afspraak maken.”
“Ik ben hier niet voor een juridisch advies,” zei de boodschapper terwijl hij een zilveren aansteker ritmisch open en dicht klikte. “Ik kom namens een gezamenlijke kennis. Laten we hem ‘De Jager’ noemen. Hij maakt zich zorgen over de gezondheid van Robert… en over een bepaald literair werk waar de FIOD blijkbaar erg in geïnteresseerd is.”
Berendsen voelde het zweet in zijn nek staan. “Ik weet niets van een boekje. Mijn gesprekken met mijn cliënt zijn geprivilegieerd.”
De boodschapper glimlachte zonder zijn ogen te gebruiken. “Laten we het spelletje overslaan, meester. We weten dat de FIOD een ‘visje’ heeft uitgegooid over een zwart kasboekje. Een levensverzekering, noemt Robert het blijkbaar. Wij willen weten of dat ding echt bestaat, of dat de FIOD bluft om onze cliënt uit de tent te lokken.”
Hij deed een stap naar voren. “U gaat morgen naar Robert. U gaat hem niet vragen hoe het met hem gaat, maar u gaat hem vragen waar dat boekje is. En als hij zegt dat het niet bestaat, dan vertelt u hem dat zijn ‘vrienden’ in het vastgoed erg teleurgesteld zullen zijn als de FIOD tóch met namen komt die uit zijn koker blijken te komen.”
De man haalde een kleine, versleutelde telefoon uit zijn binnenzak en legde deze op het dak van Berendsens auto. “Op dit toestel staat maar één nummer. Zodra u uit de penitentiaire inrichting komt, verwachten wij een ja of een nee. Geen excuses over beroepsgeheim. Als u niet belt, gaan wij ervan uit dat Robert tegen ons kiest. En u weet wat er gebeurt met mensen die tussen twee vuren in gaan staan.”
Zonder op antwoord te wachten, draaide de boodschapper zich om en liep met rustige tred naar de uitgang. Berendsen bleef trillend achter in de doodse stilte van de garage, de zwarte telefoon op het dak van zijn auto glanzend onder de tl-buizen als een tikkende tijdbom.
De bibliotheek van het Slot was die avond gehuld in een sfeer van zware eikenhout en gedempt licht. Terwijl Lotte boven op haar kamer was en Trees de laatste zaken in de keuken afhandelde, wenkte Harrie Sally. Hij schonk twee glazen in en ging tegenover haar zitten in de diepe leren fauteuils.
Sally merkte aan de manier waarop hij zijn glas vasthield dat het gesprek niet over de dagelijkse beslommeringen zou gaan.
“Sally,” begon Harrie, zijn stem lager dan normaal. “Ik heb je een tijdje in de luwte gehouden. Ik wilde je de rust geven die je zo hard nodig had na de inval. Maar de situatie rond Robert en zijn zogenaamde ‘zakenpartners’ is aan het escaleren. Het is tijd dat je weet waar we écht tegenover staan.”
Hij legde zijn versleutelde telefoon op het tafeltje tussen hen in. “Ik krijg rechtstreeks informatie van Van Dooren. Niet als een toevallige voorbijganger, maar als iemand die een strategisch belang heeft bij de afloop van deze zaak. Ik weet dat de FIOD een gerucht heeft verspreid over een ‘zwart boekje’ van Robert. Een list om de grote vissen, zoals die mysterieuze M. de Jager, uit de tent te lokken.”
Sally luisterde ademloos terwijl Harrie de details uit de doeken deed die hij normaal voor zich hield. Hij legde uit dat de ‘Adviesgroep West’ slechts een radertje was in een machine van witwassen en vastgoedfraude.
“De mensen achter Linden Vastgoed en Holding de Kroon zijn geen gewone criminelen,” legde hij uit. “Het zijn mannen in maatpakken die met één pennenstreek levens kunnen verwoesten. Ze zijn nu in paniek omdat ze denken dat Robert bewijs heeft tegen hen. En zolang zij denken dat dat bewijs bestaat, zijn jij en Lotte hun enige drukmiddel om Robert tot zwijgen te dwingen of dat boekje in handen te krijgen.”
Sally keek hem met grote ogen aan. “Dus we zijn niet alleen hier om te schuilen voor de politie, maar om ons te verbergen voor… voor hen?”
Harrie knikte ernstig. “Exact. Daarom heb ik Jannus en Piet de perimeter laten versterken. Daarom had Lotte die nieuwe naam nodig. Ik heb de afgelopen tijd een netwerk opgebouwd, Sally. Ik heb toegang tot informatiebronnen waar Robert alleen maar van kon dromen. Ik weet wie de boodschappers zijn die de advocaat van Robert opzoeken. Ik weet dat ze zenuwachtig worden.”
Hij boog zich naar voren en pakte haar hand vast. “Ik vertel je dit niet om je bang te maken, maar om je voor te bereiden. Er kunnen momenten komen dat we hier de luiken letterlijk moeten sluiten. Dat er drones boven het park kunnen verschijnen of dat er onbekende auto’s bij de poort staan. Als dat gebeurt, moet je weten dat ik het aan zie komen. Ik ben ze een stap voor, maar de marge wordt kleiner.”
Sally voelde een vreemde mengeling van angst en bewondering. Harrie was niet alleen de man die hen opving; hij was een schaakspeler die een partij speelde op een bord dat zij nog niet eens had gezien.
“Wat is de volgende stap, Harrie?” vroeg ze zachtjes.
“We wachten op de reactie van de advocaat,” zei Harrie vastberaden. “En we zorgen dat Lotte’s nieuwe identiteit als ‘Lotte de Jong’ sneller rondkomt dan De Jager zijn volgende zet kan doen. Wij maken haar onzichtbaar terwijl zij achter een spookboekje aanjagen.”
Plotseling trilde zijn specifieke ‘veilige’ telefoon op het mahoniehouten bureau. Er verscheen geen naam, alleen een reeks willekeurige tekens die door de software werden omgezet in een leesbare tekst.
Het Bericht van Van Dooren
Het bericht was kort en zakelijk, maar de implicaties waren enorm:
CODE ROOD – VISHAAK BEVESTIGD. Ene de Jager heeft bewogen. Boodschapper gespot bij Mr. B. (Advocaat). Er wordt druk uitgeoefend op het kamp van Robert. De ‘vastgoedjongens’ zijn nerveus en zoeken actief naar het ‘boekje’. Verhoog de waakzaamheid naar niveau 4. Geen bewegingen buiten de poort zonder directe melding. Ze ruiken bloed.
Harrie voelde een lichte druk op zijn borst. Het ‘visje’ van Van Dooren had gewerkt, maar dat betekende ook dat de jagers nu hongerig waren geworden. Als ze Robert niet konden bereiken, zouden ze hun zoektocht verbreden. De anonimiteit van het Slot was nu hun enige en sterkste troef.
Harrie liep direct naar de woonkamer, waar Trees en Sally net de thee wilden inschenken. Zijn gezicht stond strakker dan normaal.
“Dames, we gaan de teugels strakker aanhalen,” begon hij zonder omwegen. “Van Dooren heeft bevestigd dat de partijen achter de bemiddelingsbureaus in beweging zijn gekomen. Ze weten nog steeds niet waar we zitten, maar ze zijn agressief. De jacht op de administratie van Robert is geopend.”
Sally zette haar kopje met een trillende hand neer. “Betekent dit dat ze dichterbij komen?”
“Nee,” suste Harrie, “maar het betekent wel dat we onzichtbaar moeten blijven. Jannus en Piet gaan de buitenring van het park bewaken. De camerabeelden van de toegangswegen worden vanaf nu 24/7 gemonitord. Lotte moet vanaf morgen met extra voorzichtigheid naar haar colleges; ik overweeg zelfs om haar een paar dagen hier te houden totdat we weten hoe de advocaat reageert op de druk.”
Terwijl Harrie sprak, zag hij Jannus door het raam voorbijlopen. De man droeg nu een discrete headset. Het Slot was niet langer alleen een landhuis; het was een vesting geworden.
“We hebben een voorsprong,” vervolgde Harrie. “Ze zoeken naar een papieren boekje dat waarschijnlijk niet eens bestaat zoals zij denken. Terwijl zij achter schaduwen aanjagen, werken wij aan de nieuwe identiteiten. We moeten de tijd uitzitten.”
Die avond was het ‘slaapmutsje’ minder een traditie en meer een bittere noodzaak. De wetenschap dat ‘M. de Jager’ nu actief op zoek was naar een zwakke plek in de verdediging van Robert, zorgde voor een geladen stilte in de grote hal van het Slot.
Geef een reactie op Karel Reactie annuleren