
Tussen het geroezemoes van het plein stonden ze daar: twee figuren die leken te zijn weggelopen uit een ander tijdperk. De een met een narrenkap waarvan de belletjes zacht klingelden bij elke beweging, de ander in een rood‑groen kostuum dat ooit misschien ceremonieel was, maar nu vooral een glimlach opriep bij iedereen die voorbijliep.
Ze waren geen artiesten met een strak programma, geen ingehuurde animatie. Ze waren aanwezig — zoals sommige dorpsfiguren dat kunnen zijn: vanzelfsprekend, vriendelijk, en net een beetje ondeugend.
Het houten poppenhoofd in de hand van de nar keek de wereld in met dezelfde nieuwsgierigheid als zijn meester, terwijl de man met de zwarte hoed en de witte veer zich opstelde alsof hij elk moment een kleine toespraak kon houden. Maar niets daarvan. Ze deelden alleen hun vrolijkheid uit, zonder woorden, zonder haast.
Het was zo’n scène die je alleen ziet op dagen waarop het dorp zichzelf even optilt uit het gewone leven. Een dag waarop iedereen iets kleurrijker lijkt, iets zachter, iets meer bereid om elkaar te begroeten.
En precies daarom bleven mensen even staan. Niet om te kijken, maar om mee te doen — al was het maar met een glimlach.
Geef een reactie op wzijlstra10 Reactie annuleren