Dwaallicht in de Regen


De man liep door de straat, de handen diep in zijn zakken begraven. Hij keek niet waar hij ging, zijn blik was naar binnen gekeerd, maar zijn hoofd was met iets heel anders bezig. Wie ben ik, dat ik mijn eigen vrouw niet eens meer ken, maalde het door zijn hoofd.

Toen hij de deur van de kringloopwinkel De Lege Knip achter zich gesloten zag worden, nadat Trees hem met die stille, definitieve vlijmscherpte uitgeleide had gedaan, was hij al even in een staat van woede geweest. Het was een koude, machteloze woede. Hij had Carla achtergelaten. Carla, zijn vrouw, met wie hij al bijna vijfentwintig jaar getrouwd was. Achtergelaten bij die bemoeizieke types in die rommelwinkel. Ze wilde niet meer naar huis. Ze had het hem recht in zijn gezicht gezegd.

Jaap had het al vreemd gevonden dat Carla niet thuis was toen hij van zijn werk terugkwam. De keuken was koud, de geur van het eten ontbrak, en het huis voelde leeg en ontheemd aan. Een koude rilling was over zijn rug gelopen toen hij de lege kapstok zag.

“Ik hoor bij mezelf,” had ze gezegd. Jaap snoof. Wat een onzin. Ze hoorde bij hém, dat was altijd zo geweest. En nu stond ze daar, met die mannen om zich heen en die Trees die hem de les las. Zijn vuisten balden zich in zijn zakken. Zijn bravoure van daarnet, het ‘de grote man spelen’ zoals Trees het noemde, voelde nu hol en pijnlijk aan. Hij voelde zich bekeken, alsof de hele straat wist dat hij net door zijn eigen vrouw was buitengesloten.

De regen tikte nu harder tegen zijn gezicht, maar hij voelde het nauwelijks. De twee keuzes die Jannus hem had voorgelegd, ‘Kiezen’ of ‘Delen’, galmden na in zijn hoofd. “Je verandert je gedrag, of je accepteert dat de wet zich ermee gaat bemoeien.” Hij voelde de paniek nu als een koude hand om zijn keel klemmen. Aangifte. De politie. Instanties. Hij, Jaap van Boven, onder controle. Hij, de man die de controle altijd had gehad.

Hij dacht aan de opmerking over haar ouders en zussen. Hij had haar willen beschermen, dacht hij. Ze waren slecht voor haar. Maar nu klonk het als ‘controle’. Het woord bleef steken. Hij had Carla’s glimlach niet meer gezien in lange tijd, besefte hij nu.

Zijn gedachten dwaalden af naar het gesprek dat hij met Jannus had gehad. Jannus had hem gevraagd hoe het met zijn ouders ging, en met z’n broer en z’n zus. Het antwoord dat Jaap gaf, was in Jannus zijn ogen enigszins onvoorspelbaar en kil geweest: “Ik kom en zie mijn ouders maar heel weinig en dat geldt ook voor de rest.”

Jannus had verbaasd opgekeken. “De rest?” “Ja, mijn broer en mijn zus.” “En die noem jij ‘de rest’? Welke waarde hecht jij eigenlijk aan hen?” had Jannus indringend gevraagd. “Och, het zijn maar…” en toen had Jaap zich destijds snel stilgehouden, alsof hij voelde dat hij te veel van zijn eigen hardheid blootgaf.

Toen stelde Jannus een vraag waar Jaap ook nu, lopend in de koude regen, nog steeds niet direct een antwoord op had: “Jaap, stel je eens voor dat je vader door een ander in elkaar geslagen dreigt te worden en jij ziet dat gebeuren. Maar het zou net zo goed je broer of je zus kunnen zijn. Wat doe je dan?”

Het antwoord had Jaap destijds zelf wel kunnen geven, en de herinnering daaraan sneed nu diep. “Jannus, ik was er bovenop gesprongen. Ze moeten van je familie afblijven!” had hij inderdaad destijds fel gezegd.

Jannus had hem toen heel rustig, maar indringend aangekeken. “Jaap, zie je nu dat het gevoel diep vanbinnen heel anders werkt dan wat je aan de buitenkant laat zien? En denk je nu echt niet dat Carla het vreselijk vindt dat jij haar bij haar eigen bloed weghoudt? Denk eens na, man. Aan háár familie moet je dus net zo min aankomen.”

Die woorden brandden nu pas echt in zijn geweten. De koude regen stroomde langs zijn gezicht, maar vanbinnen voelde hij een felle steek. Hij had Carla altijd weggehouden bij háár familie, alsof familiebanden niks betekenden. Maar dat was een leugen geweest die hij zichzelf had wijsgemaakt. Zelfs in zijn eigen, kille belevingswereld was familie heilig als het erop aankwam. Waarom had hij haar dan diezelfde bescherming en liefde ontzegd?

Het besef dat hij haar niet had beschermd, maar juist had opgesloten, drong nu in alle hevigheid tot hem door. Hij liep verder, de hoek om, de donkere straat in. De echo van Jannus’ stem mengde zich met het kletteren van de druppels op het asfalt en de harde, onvermijdelijke realiteit: hij stond nu helemaal alleen op straat, terwijl Carla in de veilige warmte van De Lege Knip achterbleef.

Toen Jaap uiteindelijk de voordeur opendraaide en de drempel overstapte, sloeg de stilte hem tegemoet. Het huis was leeg, koud en donker. Maar hij voelde dat niet alleen het huis leeg was; ook zijn maag knorde van de honger en de stress.

Hij liep met zware stappen naar de keuken en begon in de kastjes te zoeken naar wat brood en beleg. In de koelkast vond hij nog een pak melk, maar hij had eigenlijk veel meer trek in een stevige bak koffie. Gelukkig wist hij wel hoe hij het koffiezetapparaat moest bedienen, dus dat zette hij als eerste aan. Maar verder zelf warm eten klaarmaken? Daar had hij werkelijk geen kaas van gegeten. Dat was al vijfentwintig jaar lang Carla haar domein geweest.

Terwijl het apparaat begon te pruttelen en de geur van koffie de kille keuken vulde, staarde Jaap naar het lege aanrecht.

“Verdomme,” dacht hij plotseling, en de frustratie schoot omhoog. “Waarom ben ik haar daar eigenlijk nooit dankbaar voor geweest, waarom heb ik haar nooit een compliment gegeven?”

Het was een flits van puur inzicht, maar die werd bijna direct weer overschaduwd door zijn oude patronen. In zijn achterhoofd speelde namelijk nog altijd die hardnekkige stem uit het verleden: ‘Maar dat hoort toch ook gewoon zo? De vrouw zorgt voor het eten en het huishouden, en de man brengt het geld binnen?’

Hij pakte een droge boterham, smeerde er met een stroef gebaar wat beleg op en nam een slok van de hete, zwarte koffie. Daar zat hij dan, de ‘grote man’, alleen aan een lege keukentafel, gevangen tussen een opkomend schuldgevoel en de starre regels waarmee hij zichzelf al die jaren overeind had gehouden. De woorden van Jannus en de blik van Carla bleven onbarmhartig door zijn hoofd spoken.

Carla zat op de rand van het logeerbed bij Dylan thuis. Die middag in De Lege Knip voelde alweer uren geleden, en haar gedachten vlogen onrustig heen en weer. Wat verandert er in één dag toch ontzettend veel.

De opties voor de toekomst gingen constant door haar hoofd. Terug naar haar ouders? Nee, dat kon echt niet meer. De menskes waren daar inmiddels veel te oud en te breekbaar voor, die kon ze hier niet mee belasten. En aankloppen bij haar twee broers zag ze ook totaal niet zitten. Door toedoen van Jaap was ze daar de afgelopen jaren al nauwelijks over de vloer geweest; de drempel was nu veel te hoog en ze durfde het simpelweg niet.

Maar voor deze nacht was ze in ieder geval veilig onder de pannen. Dylan had een warme kruik en een pyjama voor haar gepakt, en samen op de bank hadden ze nog hele gesprekken over de mogelijkheden voor de komende tijd.

Tijdens het praten kwam de onzekerheid over Jaap bovendrijven. Hoe zou hij hierop reageren? Waar zou hij nu uithangen? Zat hij nu woedend in de kroeg? Eigenlijk kon ze zich dat niet voorstellen, want Jaap dronk immers nooit alcohol. De enige manier om echt te weten hoe de vlag erbij hing, was om hem gewoon te bellen.

Dylan knikte traag, maar hield haar hand vast en keek haar ernstig aan. “Als je hem belt, Carla, doe het dan puur om te horen hoe hij reageert. Maar ik waarschuw je: vertel hem absoluut nog niet waar je bent. Hou die grens strikt voor jezelf.”

Carla keek naar haar telefoon die op de salontafel lag. Haar vingers trilden lichtjes bij het idee om zijn nummer in te toetsen, wetend dat hij waarschijnlijk nu alleen in hun kille huis zat te wachten.

In de kille keuken ging plotseling Jaaps mobiel over. Hij greep het toestel van tafel en zag op het scherm dat Carla aan de lijn zat. Zonder na te denken nam hij op.

“Carla! Waar zit je?” riep hij meteen, zijn stem een mengeling van frustratie en opluchting.

Carla reageerde echter heel koel, met een rust die hij niet van haar kende. “Jaap, ik wil eerst weten waar jij bent. Want je bent vandaag in een heel verkeerde stemming weggegaan bij De Lege Knip.”

“Carla, ik ben gewoon thuis,” zei Jaap haastig, terwijl hij naar zijn halfopgegeten boterham keek. “Ik zit in de keuken. Maar ik wil met je praten. Je moet naar huis komen.”

“Dat praten kan altijd, Jaap, maar vanavond niet,” klonk haar stem beslist door de speaker. “Vannacht slaap ik bij een goede kennis. En ik hoop echt dat jij je gedrag wilt gaan veranderen, want anders blijf ik vanaf nu mijn eigen weg zoeken.”

Bij die woorden werd Jaap aan zijn kant van de lijn doodstil. De dreiging dat ze écht weg zou blijven, dat ze haar eigen weg zou kiezen en dat de buitenwereld zich ermee ging bemoeien, sloeg in als een bom. Hij hoorde de klok in de gang tikken. De boosheid die hem de hele middag had voortgedreven, stroomde langzaam uit hem weg en maakte plaats voor de rauwe waarheid van zijn eigen eenzaamheid.

“Carla…” begon hij, en zijn stem klonk ineens een stuk minder groot dan een paar uur daarvoor. Hij slikte een brok weg. “Ik… ik ben ook aan het denken geweest. Sinds ik hier in dat lege huis zit.”

Het bleef stil aan de andere kant, maar Carla hing niet op. Dylan keek haar vanaf de bank bemoedigend aan.

“Ik liep net in de regen,” vervolgde Jaap stroef, zoekend naar woorden die hij nog nooit hardop had durven uitspreken. “En ik moest ineens denken aan wat Jannus me een hele tijd terug vroeg over mijn eigen broer en zus… hoe ik hen altijd ‘de rest’ noemde. En ik dacht aan wat ik toen zei: dat als iemand aan mijn familie zou komen, ik er bovenop zou springen.”

Hij zweeg even, alsof het uitspreken hem moeite kostte. “Het brandt in mijn geweten, Carla. Ik dacht dat ik je beschermde door je weg te houden bij jouw ouders en je zussen. Ik praatte mezelf aan dat ze slecht voor je waren. Maar nu ik hier zo alleen zit… besef ik pas dat ik je gewoon heb opgesloten. Ik heb je bij je eigen bloed weggehouden, terwijl familie voor mij diep vanbinnen ook heilig is. Ik heb je glimlach al zo lang niet meer gezien, en dat… dat is mijn schuld.”

Aan de andere kant van de lijn hield Carla haar adem in. Dit was niet de Jaap die eiste en commandeerde. Dit was een man die voor het eerst door zijn eigen pantser heen keek, al wist ze nog niet of het genoeg zou zijn om de vijfentwintig jaar van controle zomaar uit te wissen.

Carla bleef een moment stil, overdonderd door de zeldzame kwetsbaarheid in zijn stem. Maar ze herpakte zich snel. De woorden van Trees en het warme vangnet van De Lege Knip gaven haar de kracht om door te zetten.

“Jaap,” zei ze, haar stem nog steeds rustig maar standvastig, “ik hoop dat hetgeen je nu vertelt ook echt oprecht is. Als dat zo is, dan zou ik heel graag willen zien dat jij déze week nog naar mijn ouders en mijn broers toe gaat. Je gaat je excuus aanbieden voor al die jaren dat je me bij hen vandaan hebt gehouden. En je gaat daar niet doen alsof je boven hen staat, maar je zorgt dat je gelijkwaardig bent aan hen. Pas dan praten wij verder.”

Het bleef angstaanjagend stil aan de andere kant van de lijn.

Voor Jaap voelde dit alsof de grond onder zijn voeten volledig wegzakte. Zijn excuses aanbieden? Aan háár familie? De mensen op wie hij altijd had neergekeken, de mensen die hij bewust buiten hun leven had gesloten om de touwtjes stevig in handen te houden? Dat betekende dat hij zijn trots moest inslikken, zijn masker moest afzetten en als de mindere — nee, als de gelijkwaardige — voor hen moest verschijnen.

Het was een reusachtige, bijna onmogelijke stap voor de man die altijd de grote man wilde zijn.

Zijn blik gleed door de kille, lege keuken, langs het pak melk en de droge boterham op het aanrecht. De stilte in het huis was verstikkend. Als hij weigerde, was hij haar kwijt. Dan bleef zij haar eigen weg zoeken, gesteund door de politie, instanties en die hele club uit De Lege Knip.

Hij slikte de bittere smaak van zijn eigen koppigheid weg. Had hij eigenlijk nog wel een andere keus?

“Ik… ik zal gaan, Carla,” bracht hij er schor uit. “Ik ga deze week.”


Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reacties op “Dwaallicht in de Regen”

  1. Karel Avatar

    wat zijn er toch veel zotten op deze planeet

    Geliked door 1 persoon

  2. logbankje Avatar

    Als je niet samen met elkaar praat en alleen over elkaar breekt het op een zeker moment. Er zijn altijd mensen die genieten als er iets kapot gaat tussen mensen. Jaap is blijkbaar geen held in de keuken, dat merkt hij nu zelf ook wel. Carla moet het met Jaap oplossen niet met buitenstaanders.
    Blijkbaar houdt Jaap meer van haar dan ze vermoed. Hans

    Geliked door 1 persoon

  3. bertjens Avatar

    Het komt wel weer goed.

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie

Ontdek meer van Mijn korte verhalen

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder