
Joris had duidelijk met een interventieteam de afspraak gemaakt om alvorens toe te slaan, eerst te moeten weten of er voldoende makkers in de sportschool aanwezig zijn inclusief Karim zelf. Die avond hadden een paar interventieleden een oog in het zeil gehouden, maar er was zelfs helemaal geen beweging in het gebouw. De melding kwam op het bureau vreemd over, maar misschien dat er toch een teken richting de heren was overgekomen en ze zich hadden terug getrokken.
Simon en Sake, de agenten waar Brenda eerder op straat tegen aan gelopen had, liepen deze avond weer hun rondje. Van hun rechercheur hadden ze alleen gehoord dat de dame maar een nacht op het bureau had overnacht en daarna niets meer van haar was vernomen. Simon had al eerder tegen zijn maat gezegd dat hij die Brenda wel een mooie vrouw had gevonden. “Dat we nu niets meer van haar horen of zien is toch vreemd, vind je niet? Daklozen zie je hier of daar regelmatig terug”. Sake had gelachen”Simon volgens mij woonde ze bij die vriendin in, waar ze die confrontatie mee kreeg”. “Maar daarom kan ik het toch wel een mooie vrouw blijven vinden, of niet dan?
In de hoofdstraat was het rustig. In een portiek stonden een man of vier te praten en bij een speelgoedwinkel stond een vader met een dochtertje naar de etalage te kijken. Toen Simon en Sake bij de man en z’n dochter ook even bleven staan, reageerde het meisje “meneer van de politie heeft u echt een pistool bij u, want ik wil er ook wel eentje voor mijn verjaardag” Sake was geïnteresseerd in de vraag “En als jij dan een pistool krijgt, wat zou je er dan mee willen doen Jongdame? ” Het meisje kijkt even op “Agent u weet toch wel waar een pistool voor wordt gebruikt, ik wil er boeven mee gaan oppakken, want ik wil later ook bij de Politie, ziet U”.
De vader bleef eerst rustig, maar moest toch wat kwijt. “Sara is altijd op avontuur uit en heeft een ruime geest in haar fantasieën”. Simon knikte “Das mooi meneer, kinderen in deze leeftijd behoren dat te hebben, later als de werkelijkheid doorbreekt wordt dat toch anders”
Sake lachte hartelijk om de vastberaden blik van het meisje. “Als je net zo kordaat bent als je nu klinkt, Sara, dan zie ik jou over een paar jaar zeker bij ons op het bureau verschijnen. Oefen maar vast goed op het rennen!” De vader lachte mee, bedankte de agenten kort en liep daarna aan het handje van zijn dochter door richting de hoek van de straat.
Terwijl de twee politiemensen hun surveillance voortzetten, bleef het knagen bij Simon. “Toch zit het me niet lekker met die sportschool, Sake. Eerst zat het daar vol met dat volk, en nu ineens helemaal niets. En dat Brenda zomaar van de radar is verdwenen… Het voelt alsof er ergens iets op scherp staat.”
“Je zintuigen staan scherp vanavond, Simon,” zei Sake, terwijl hij het rustige straatbeeld scande. “Maar misschien is het stilte voor de storm. Als de leiding vastzit, raakt het voetvolk meestal in paniek en verhuizen ze naar een ander honk.”
Net op het moment dat ze bij de kruising van de hoofdstraat kwamen, kraakte de porto op Sake zijn schouder. “Surveillance een-acht, voor meldkamer.”
Sake drukte de knop in. “Surveillance een-acht, zeg het maar.”
“We krijgen zojuist een melding binnen van een buurtbewoner nabij de sportschool. Er is een zwarte bestelbus achterom het terrein op gereden zonder verlichting. Er worden haastig spullen en mogelijk personen in geladen. Mogelijk een ontruiming van het pand. Kunnen jullie daar met spoed poolshoogte gaan nemen?”
Simon en Sake keken elkaar één seconde aan. “Dan lijkt het ons verstandig dat er meerdere op afgaan en de boel gaan omsingelen, buiten dat zijn wij lopend en hebben ook de kans dat we dan te laat zijn. Kunnen we daarop rekenen?” Het antwoord was positief. “Begrepen meldkamer,” antwoordde Sake strak. “Wij gaan er direct met spoed naartoe.”
Simon zette er stevig de pas in en begon samen met Sake in de richting van het achterterrein van de sportschool te rennen. “Als die zwarte bus er al staat, zijn ze binnen een paar minuten weg,” zei Simon al rennend en buiten adem. “We moeten voorkomen dat Karim of Remco de benen neemt voordat het interventieteam er is.”
“We houden afstand totdat er versterking is, Simon!” riep Sake terug. “Geen gekke dingen doen. Alleen observatie tot de wagens er zijn.”
Toen ze de hoek van de steeg omkwamen die naar het binnenterrein leidde, doofden ze hun zaklampen. In het duister zagen ze inderdaad de schim van een grote, zwarte bestelbus staan. De achterdeuren stonden wijd open en de binnenverlichting van de laadruimte was afgeplakt met zwarte tape. Twee gespierde figuren waren in hoog tempo dozen en sporttassen achterin aan het gooien, terwijl een derde man met een capuchon opgefokt de straat in de gaten hield.
“Dat is Remco,” fluisterde Sake, die zich achter een grote vuilcontainer verschuilde.
Op dat moment kwam er een vierde man vanuit de nooduitgang van de sportschool naar buiten gelopen. Hij droeg een zware leren jas en snauwde korte bevelen naar de rest.
“En dat is Karim,” zei Simon zacht, terwijl zijn hart sneller begon te kloppen. “Ze ruimen de hele boel op.”
Plotseling klonk in de verte het gehuil van de eerste politiesirenes. De mannen bij de bus verstijfden.
“Politie! Wegwezen!” schreeuwde Karim. Hij sprong aan de passagierszijde de bus in, terwijl de bestuurder de motor brullend startte. De achterdeuren kletterden dicht en de bus trok met gierende banden op, recht af op de steeg waar Simon en Sake stonden.
En daar stonden de twee met hun pistool op de auto gericht. In een flits was het Simon die riep “koplampen “ en twee seconden later doofden ze. Simon had een tweede schot op de voorruit van het busje gelost en hoorde de kogel tegen het raam ketsen. De auto reed in het donker recht op hen af. Ze sprongen van de schrik opzij en knalden tegen een hek van een tuintje. De auto suisde bij hen langs, terwijl Sake Simon beet pakt en laat even zijn angst voelen.
Als ze opkijken en de auto volgen zien ze ook van de andere zijde de sirenes aankomen. Maar nog geen 100 meter verder horen ze een enorme klap en zien dat de auto in een flauwe bocht tegen een gevel aanrijdt. De sprint die volgt hadden de twee al maanden niet gedaan, zelfs niet met hun conditietesten.
Met getrokken wapens en de harten nog in hun keel naderden de agenten het wrak van de zwarte bestelbus. De neus van het voertuig lag volledig in elkaar gedrukt tegen de bakstenen gevel van het hoekpand. Uit de motorkap steeg een dikke, grijze rookwolk op en het nare geluid van een kapotte radiateur sissend op het hete blok vulde de straat.
“Politie! Handen waar we ze kunnen zien!” riep Sake met een strakke, maar trillende stem, terwijl hij samen met Simon en de net gearriveerde collega’s een halve cirkel om het voertuig vormde.
Binnenin bleef het angstaanjagend stil. De klap moest enorm zijn geweest; door de gedoofde koplampen en de kapotgeschoten voorruit had de bestuurder de flauwe bocht in het duister compleet gemist.
Een van de ondersteunende agenten stapte voorzichtig naar voren en schreef met zijn zaklamp door de gebarsten zijruit. “Bestuurder is buiten bewustzijn! Er zit een man op de bijrijdersstoel die beweegt!”
De deur aan de passagierszijde klemde hevig, maar met een harde ruk trok Simon hem open. Karim zat klem tussen het dashboard en de stoel, zijn gezicht vol bloed van de geknapte airbag. Hij kermde van de pijn en hield zijn arm krampachtig tegen zijn borst.
“Geen beweging maken,” zei Simon scherp, terwijl hij de handboeien tevoorschijn haalde. “Het is voorbij, Karim.”
Karim keek Simon met troebele, woedende ogen aan en spuugde bloed op de grond. “Jullie… jullie weten niet waar jullie mee bezig zijn…” bracht hij er piepend uit.
“Dat weten we heel goed,” reageerde Sake koud, terwijl hij de brancard en de ambulance opriep via zijn schouderporto. “En uw ritje met de stichting stopt definitief hier.”
Plaats een reactie