
Via 112 komt de melding binnen: Breedstraat, een man neergestoken, zwaargewond, lijdend tegen een gevel. Sake trapt het gas in van de dienstauto. Geen zwaailichten, geen sirene — ze willen de dader niet opschrikken. Ook schiet er een ambulance dezelfde kant op.
Net voor de afslag naar de Breedstraat valt Simons oog op een figuur op de stoep. De man loopt kreupel, trekt met zijn been. Niets bijzonders op het eerste gezicht, ware het niet dat hij elke paar seconden over zijn schouder gluurt. Zenuwachtig. Opgejaagd.
“Stop!” roept Simon.
Sake heeft de schim ook gezien. Hij gooit het stuur om, gooit de auto haaks stil zodra het kan en parkeert het trottoir op. Simon wringt het portier al open voordat de wielen stilstaan, scant de straat en zet het op een lopen. De man kan door zijn been niet versnellen; binnen een paar stappen snijdt Simon hem de pas af.
“Jongeman,” zegt Simon, zijn stem strak, “ik denk dat jij op de vlucht bent.”
De man verstijft. Zijn ogen schieten heen en weer. “Waarvoor zou ik vluchten? Omdat ik mank loop?”
Maar Simon ziet het al. De glim van zweet op het voorhoofd van de man. En het rood dat aan zijn knokkels kleeft.
“Dat loopje geloof ik wel,” zegt Simon koud. “Maar dat continue achteromkijken niet. Blijf staan waar je staat en laat je handen zien. Waar is je ID?”
De man wil automatisch met zijn hand naar zijn binnenzak reiken, maar zíét dan pas zijn eigen vingers. Het verse, donkere bloed op zijn huid. Hij bevriest. De val is dichtgeklapt.
Vijf minuten later zit de verdachte achter in de auto, geklemd tussen de portieren, terwijl Sake de wagen naar het plaats delict manoeuvreert.
Bij de gevel is het een hectische bende. Blauwe flitsen lichten de straat op, ambulancemedewerkers zijn gehaast bezig om het bloeden van het slachtoffer te stelpen. Sake stapt uit en buigt zich over de gewonde man. Hij is bij kennis, maar zijn ademhaling is oppervlakkig.
In de auto houdt Simon zijn ogen roerloos op de verdachte gericht. De man zegt geen woord te veel, staart strak voor zich uit en antwoordt slechts in korte, kille zinnen. Geen paniek meer, alleen een beklemmende rust.
Sake krijgt een korte knik van de broeder. “We moeten NU door naar de spoedeisende hulp voor interne controle.”
“Goed,” zegt Sake snel, terwijl hij de personalia van de man noteert. “Ga. Hou ons direct op de hoogte als hij stabiel is — wij moeten hem spreken zodra het kan.”
In een kille verhoorkamer op het bureau zitten ze tegenover elkaar. Sake noteert op zijn scherm de persoonsgegevens van de man, terwijl Simon voorover leunt om het woord te nemen.
“Luister eens, Bertje,” begint Simon op rustige, maar dringende toon. “Vertel ons nu gewoon vanaf het begin wat er is gebeurd. Kenden jullie elkaar? Speelde dit al langer? We willen alles weten. En bedenk wel: als je de waarheid verdraait of dingen verzwijgt, komen we er toch wel achter. Er hebben zich namelijk al meerdere getuigen gemeld.”
Bertje begon te vertellen. Hans was een oude buurman. Een oude vete, legde hij uit, die Hans nooit was vergeten. Hans’ zoon had destijds in groep acht Bertjes zoon uitgemaakt voor hoerenjong.
“Op het moment dat ik dat hoorde, sloegen bij mij de stoppen door,” zei Bertje, terwjl zijn kaakspieren zich spanden. “Ik op hoge pooten naar Hans toe. Maar in plaats van er normaal over te praten, nam hij zijn zoon meteen in bescherming. Hij beweerde dat míjn zoon die van hem in z’n kruis had geschopt. Niet lang daarna is zijn gezin verhuisd naar een andere straat en zagen we elkaar gelukkig niet zo vaak meer.”
Simon onderbrak hem. “Dat was dus de aanleiding voor dit alles?”
Een minachtende lach trok over Bertjes gezicht. “Ach, daarna zijn er wel meer confrontaties geweest. En eerlijk? In de toekomst zie ik dat niet veranderen.”
Sake zat alles uit te typen, terwijl het opnameapparaat op tafel zachtjes meeliep. Simon leunde wat verder naar voren. “En nu naar vandaag. Wat is er precies gebeurd? Wie begon er? Wie trok het mes? Leg het ons van A tot Z uit.”
“Vanmorgen wilde ik spullen halen bij de hobbywinkel,” ging Bertje verder. “Net toen ik naar buiten stapte, kwam Hans langs gelopen. Hij maakte meteen een opmerking dat ik weer ging ‘prutsen’ — plagerig bedoeld, denk ik. Ik hield mijn mond, totdat hij riep: ‘Grote prutser!’ Tja, dat liet ik me niet zeggen. Ik beet van me af: ‘Wat wil je nou, man zonder ballen?’ En… tja, dat had ik achteraf blijkbaar niet mogen zeggen.”
“Hij stormde op me af,” ging Bertje verder, zijn stem trillend. “Hij sloeg en schopte, z’n kop werd helemaal vuurrood. Ik probeerde hem af te weeren, maar toen trok hij opeens een mes. Hij raakte me meteen in mijn hand, maar liet het mes door de klap vallen. We doken er allebei bovenop. Ondanks die snijwond was ik net iets sneller en kreeg ik het te pakken.”
Simon keek hem strak in de ogen aan en zag hoe de eerste tranen over Bertjes wangen rolden.
“De woede die uit zijn ogen spatte… ik werd gewoon bloedstollend bang,” fluisterde Bertje. “In een reflex haalde ik uit. Hans kromp in elkaar en ik liet het mes meteen vallen. Ik ben op de vlucht geslagen. Er stonden een paar mensen op afstand te kijken die me probeerden tegen te houden, maar ik móést daar weg… Daarom keek ik ook steeds achterom.””
Nadat Sake het verslag volledig had uitgewerkt en geprint, lieten ze Bertje de verklaring doorlezen. Hij zette zijn handtekening onder de pagina’s, waarna hij in afwachting van het verdere onderzoek het bureau mocht verlaten.
Later die dag kwam ook Hans naar het politiebureau. Het medisch onderzoek in het ziekenhuis had uitgewezen dat er gelukkig geen vitale organen waren geraakt. Met een aantal hechtingen en een stevig verband was hij ontslagen uit de eerste hulp, met de dringende opdracht om zich direct op het bureau te melden voor zijn eigen verklaring.
Het verhoor van Hans duurde aanmerkelijk korter. In grote lijnen kwam zijn verklaring overeen met die van Bertje, “Bertje en ik hebben vanaf het begin al een hekel aan elkaar en iedere keer wanneer we elkaar zien, proberen we elkaar op de kast te krijgen en nu ging het mis, want ik ging door het lint en pakte mijn mes. Ik moet nu wel zeggen dat het mij spijt en zal Bertje als hem weer tref mijn excuus aanbieden. Als hij het tenminste accepteert.
Brenda’s telefoon ging op tafel over. Op het schermpje lichte de naam ‘Simon’ op.
“Over de duivel gesproken,” zei Brenda, terwijl een warme glimlach haar gezicht opfleurde. Ze nam op en zette de telefoon snel op de luidspreker. “Ha Simon! Ik zit hier net met Cora aan de koffie.”
“Hallo dames,” klonk de vertrouwde, rustige stem van Simon door de speaker. “Cora, goed om je te horen. Maar Brenda, ik bel even voor vanavond. We zouden toch de laatste dingen doorspreken voor ons weekendje weg?”
“Reken maar!” antwoordde Brenda enthousiast. Ze keek even naar de koffers die half ingepakt in de hoek van de kamer stonden. “Ik heb de gidsen al klaar liggen. Welke tijd spreken we af?”
“Zullen we rond een uur of zeven bij mij afspreken?” stelde Simon voor. “Dan maak ik een pot thee en kunnen we de treinreserveringen en het hotel nog even doorlopen. Ik heb er enorm veel zin in, even helemaal verstand op nul en er samen tussenuit.”
“Heerlijk, ik ben er om zeven uur,” zei Brenda, waarna ze ophingen.
Ze legde haar telefoon neer en keek Cora geheimzinnig aan. “Een weekendje stedentrip met Simon… precies wat ik nodig heb na al die hectiek van de afgelopen weken.”
Cora knikte goedkeurend, al keek ze vluchtig naar het visitekaartje van Bote van der Veen dat nog steeds tussen hen in op tafel lag. “Geniet er maar van, Brenda. Dat hebben jullie ruimschoots verdiend. Maar beloof me dat je die telefoon daar in je tas laat zitten en even niet aan al deze duistere zaken denkt.”
Plaats een reactie