
Het was nog vroeg op zaterdagochtend toen Brenda en Simon na het ontbijt het hotel verlieten en richting het oude centrum van Haarlem wandelden.
De stad was inmiddels aan het ontwaken. Winkeliers openden hun deuren, terrasstoelen werden naar buiten geschoven en de eerste bezoekers zochten een plekje voor een kop koffie. Op de Grote Markt was het al een drukte van belang. Marktkooplieden waren bezig hun kramen op te bouwen en legden hun koopwaar zorgvuldig uit. Hier en daar klonk het geluid van rollende karren en stemmen die elkaar over de markt toeriepen.
Brenda keek nieuwsgierig om zich heen. ‘Wat een verschil met gisterenavond. Dan lijkt de stad toch heel anders.’
Ze hoefden niet te zoeken wat ze wilden gaan doen. Brenda glimlachte. ‘Ik heb iets gevonden wat me aansprak toen ik thuis informatie opvroeg. Vandaag geen drukke winkelstraten of grote musea, maar iets wat je gemakkelijk voorbijloopt.”Nou, dat klinkt verrassend geheimzinnig. Brenda’
‘Ze hebben hier een route die heet: De verborgen hofjes van Haarlem. Er schijnen er nogal wat te zijn. Kleine binnenplaatsen, verscholen achter oude gevels en poortjes. Sommige moeten al meer dan zeshonderd jaar oud zijn.’
‘Zeshonderd jaar? Dan lopen we straks misschien wel over dezelfde stenen als mensen uit de middeleeuwen.’ Nou, ik ben benieuwd. Vooruit, jij bent vandaag de gids.’
Ze staken de Nieuwe Gracht over en liep rechtdoor verder langs de rivier het Spaarne. Simon keek in zijn gids ‘zie dat is de de molen ‘de Adriaan’ aan de andere kant van de Spaarne’
Op een straatnaamnaambord staat Koudenhorn. ‘Nu moeten we de derde zijstraat voorbij en dan moeten we bij het Teylershofje aan je rechterhand en duidelijk herkenbaar aan de monumentale voorgevel met klassieke Dorische zuilen’. Brenda bleef staan. ‘Volgens mij moeten we hier zijn.’
Simon keek naar de poort. ‘Moeten we zomaar naar binnen lopen?’
Brenda glimlachte. ‘Dat is nu juist het aardige van die hofjes. Ze liggen verscholen achter deuren en poorten. Maar hier loop je zomaar niet voorbij.’ Zodra ze door de poort naar binnen stapten, veranderde de wereld om hen heen. Het geluid van de stad verstomde vrijwel onmiddellijk. ‘Mooi hè? En dat zo tussen de drukke straten’.
Voor hen lag een kleine, besloten binnenplaats, omringd door historische huisjes. Langs de gevels stonden enkele plantenbakken en tegen een muur stond een bankje. Brenda keek om zich heen en merkte op dat de woningen nog gewoon bewoond waren. Ze wees naar een vrouw die op dat moment een van de huisjes verliet.’Kijk, er woont dus nog steeds iemand.’ Simon knikte. ‘Dat maakt het eigenlijk nog bijzonderder.
Moet je kijken, zei ze. Dit is het oudste nog bestaande hofje van Nederland.
Ze wandelden verder naar het midden van de tuin, waar een oude waterpomp stond.
Waar diende die voor? vroeg Simon.
Brenda las een stukje uit haar boekje. ‘De bewoners haalden hier vroeger hun water. Elke dag kwamen de vrouwen hier met emmers naartoe’.
Simon legde zijn hand op het houten hek rondom de pomp. Bijzonder. ‘Nu draai je thuis een kraan open en denk je er niet eens meer over na.
Ze namen plaats op een bankje en keken uit over de tuin.
Grappig eigenlijk, zei Brenda. Zoveel toeristen lopen buiten voorbij zonder te weten wat er achter deze poort verborgen ligt.
‘En dan lees ik hier dat achter het Hofje van Bakenes ligt aan de Korte Begijnestraat 18-36 het Johannes Enschedé Hof, het jongste hofje van Nederland, dat hier sinds twintig jaar geleden pas is gebouwd’.
Voor het hofje van van Bakenes ziet Brenda haar aandacht op de tekst bij de ingang.
Op een gevelsteen stond in oude letters:
| Ingang vant Gesticht van Dirk van Bakenes voor Vrouwen acht en twee mael ses |

Simon las de woorden nog eens hardop. ‘Dat is nogal een bijzondere tekst. Wat zouden ze daarmee bedoelen?’ Brenda keek er ook naar. ‘Volgens de informatie die ik thuis heb gelezen, zit er een raadsel in verborgen. Er zijn zelfs twee mogelijke oplossingen.’ Ze wees naar de getallen.
‘De eerste uitleg is dat er oorspronkelijk plaats was voor acht plus twee keer zes vrouwen. Dat zijn er dus twintig. De tweede uitleg gaat over de leeftijd: acht plus twee, vermenigvuldigd met zes. Dan kom je op zestig jaar.’
Verder leest ze het verhaal : Het Hofje De Bakenesserkamer is gesticht door Dirk van Bakenes. Deze rijke Haarlemse stadbestuurder bepaalde in zijn testament dat er een hofje gebouwd moest worden dat zijn naam zou dragen. Het hofje was bedoeld voor alleenstaande, oude vrouwen die niet zelfstandig konden wonen. Zijn weduwe Lijsbeth van Alphen Florisdochter en haar zoons Dirck en Jan hebben het hofje in 1395 gesticht. Het had 20 ‘camers’, want zo werden de kleine woningen destijds genoemd. Vandaar dat dit hofje De Bakenesserkamer heet.
Achterin het hofje van Bakenes liepen ze door het Johan Enschedehof, het jongste hofje van Nederland in.
Daar aangekomen zien ze een modern bouwwerk. “Ik weet niet of ik dit vind passen” zei Simon maar Brenda las hem voor :
Het Johannes Enschedé Hof is ontworpen door architect Henk Döll en ontwerper Joost Swarte, die gezamenlijk ook de Toneelschuur maakten. De meeste hofjes staan altijd ‘met hun rug’ naar de straatkant. Met de moderne gevel van het Johannes Enschedé Hof, past het goed in het historische straatbeeld van de Korte Begijnestraat, terwijl het ontwerp tegelijkertijd vernieuwend en levendig is. In de gevel zijn twee gevelstenen en een glas-in-loodraam verwerkt, die ontworpen zijn door Joost Swarte. Zo komen in het Johannes Enschedé Hof traditionele waarden samen met moderne vormgeving.
‘ja, dat is de schrijvers oordeel, maar ik denk daar anders over’ zei Simon. Brenda trok haar schouders op ‘dat mag’. Ze bleven nog even staan voordat ze hun wandeling vervolgden.
Uit het hofje lopen ze De Korte Begijnestraat in en slaan de Lange Begijnestraat in en kwamen op het Begijnhof met in het midden de Waalsekerk. En via de Lombardsteeg en de St. Jansstraat passeerden ze het prachtige toegangspoortje naar het voormalige Barbara Gasthuis. Vlak voor ze bij de Bavo Kerk kwamen stond Simon nog even stil bij het standbeeld van Laurens Jansz Coster. ‘Dat is toch de vermeende uitvinder van een drukpers? Ik had niet in de gaten dat hij uit Haarlem kwam’ zei Brenda. ‘Ja, maar er zou in die tijd ook een Johannes Gutenberg die naam op zich geëist’ zei Simon. ‘Maar zullen we nu maar eens aan de koffie gaan, want daar heb ik nu wel trek’ .
Geef een reactie