
Zuster Josephina snoof nog een keer kortaf, haar blik dwalend over Dylans losse haren en de manier waarop ze net iets te dicht naar meneer Van Aalst toe boog. “Technisch, zegt u? Pas maar op, Dylan. Klassieke muziek mag dan verheven klinken, maar de passie erachter heeft menig verstand doen troebelen. Zeker bij mannen van een zekere leeftijd.”
Willy kuchte bescheiden in zijn handpalm, terwijl zijn ogen fonkelden van onderdrukte pret. Dylan hield haar gezicht strak in de plooi, hoewel de hoekjes van haar mond trilden.
Terwijl Josephina afgeleid werd door Piet, die luidkeels verkondigde dat zijn kunstgebit vastzat in een taai speculaasje, boog Trees zich naar Dylan toe. Trees had haar breiwerk even laten rusten; haar scherpe ogen misten niets.
“Laat je niet gek maken door de zuster, Dylan ,” fluisterde Trees met een knipoog. “Willy heeft een hart van goud, maar hij is al te lang opgesloten tussen de stoffige platen en de dwingende aria’s van zijn vrouw. Hij heeft iemand als jij nodig om hem weer eens te laten herinneren dat er ook buiten deze muren muziek klinkt.”
Willy schoof zijn stoel naar achteren, het geluid van hout op linoleum sneed even door het geklets heen. Hij gaf Dylan een nauwelijks waarneembaar knikje, een gebaar dat hij vroeger vast vaak had gebruikt in rokerige jazzclubs.
“Morgenavond,” prevelde hij, terwijl hij langs haar stoel liep om zijn kopje weg te zetten. “Zorg dat je op de hoek van markt staat. Trek dat rode jasje aan die je laatst droeg. In de schaduw van de lindebomen zie ik je dan.”
Zodra Willy de kamer uit was, schoof Jannus zijn eigen mok opzij en leunde vertrouwelijk naar Dylan toe. De brede grijns was nog niet van zijn gezicht verdwenen.
“Je denkt dat je een geheim hebt, meid,” grinnikte hij, terwijl hij zijn stem liet zakken. “Maar vergeet niet wie hier de sleutels van de achterdeur beheert. Als Willy je meeneemt naar de plekken waar ik denk dat hij je mee naartoe neemt… zorg dan dat je je hoofd erbij houdt. Willy is een heer, maar hij kan nogal hard van stapel lopen als hij eenmaal de vrijheid ruikt.”
Trees legde haar hand even op Dylans arm. “En zeg tegen die oude snoeper dat hij voor mij een doosje van die speciale bonbons meeneemt van de kade. Zwijggeld, zullen we maar zeggen.”
De kou van de straat sloeg in hun gezicht, maar de adrenaline hield hen warm. Willy liep met een verbazingwekkende tred voor een man die overdag soms over zijn eigen pantoffels leek te struikelen. Hij leidde Dylan weg van de vertrouwde paden van de Lege Knip, richting de lagere delen van de stad waar de lantaarns wat geler schenen en de kasseien glommen van de motregen.
“Hier is het,” fluisterde Willy. Hij hield stil bij een onopvallende, groen geverfde deur in een smal steegje vlak bij de kade. Er hing geen bordje, maar de zware basfrequenties die door het hout trilden, zeiden genoeg.
Willy klopte drie keer kort, pauzeerde, en klopte toen nog twee keer. Een klein schuifje op ooghoogte ging open. Twee donkere ogen monsterden hen. “Willy?” klonk een diepe stem. “Ben jij dat, oude reus? We dachten dat je begraven was onder een stapel vinyl.”
“Nog niet, Max. Nog lang niet,” antwoordde Willy met een stem die plotseling een octaaf lager en veel zelfverzekerder klonk. “En ik heb gezelschap meegebracht. Iemand die wel wat echte muziek kan gebruiken.”
De deur zwaaide open en een wolk van tabaksrook en de geur van oude bourbon kwam hen tegemoet. Dylan stapte naar binnen en voelde zich direct in een andere wereld. Het rode jasje viel op tussen de donkere pakken en de artistieke coltruien, maar niemand keek afkeurend. Hier was de muziek de wet.
Op het kleine podium achterin stond een trio te spelen. De saxofonist leek in trance, zijn vingers dansend over de kleppen terwijl hij een melancholische melodie vlocht die Dylan diep in haar borstkas voelde resoneren.
De sfeer in de jazzclub sloeg in één klap om van dromerig naar elektrisch. Willy keek naar het oplichtende schermpje in Dylans hand. De naam ‘Bas’ leek bijna uit het glas te springen, een schril contrast met de warme, rokerige blauwtinten van de club.
Willy rechtte zijn rug. De “stijve meneer Van Aalst” was nu definitief weg; er zat een man die gewend was aan improvisatie, zowel in de muziek als in het leven.
“Bas,” herhaalde Willy, en hij proefde de naam alsof het een valse noot was in een verder perfecte compositie. “Hij geeft niet snel op, die jongen van je, of wel? Ik dacht dat we onze sporen goed genoeg hadden uitgewist bij de zij-uitgang.”
Dylan keek nerveus naar de zware eikenhouten deur. “Hij weet dat ik van deze plek hou. Hij weet dat als ik ‘verdwijn’, ik hierheen ga. Willy, als hij ons hier ziet…”
“Dan ziet hij ons,” zei Willy kalm, terwijl hij een slok van zijn donkere bier nam. Hij schoof de tweede stoel bij hun tafeltje met zijn voet een stukje opzij, een uitnodigend maar ook uitdagend gebaar. “Laat hem maar komen. Bas denkt waarschijnlijk dat hij je komt ‘redden’ uit de klauwen van de eenzaamheid. Hij heeft geen idee dat hij een lesje in levenskunst gaat krijgen.”
Nog geen vijf minuten later zwaaide de deur open. De koude buitenlucht sneed heel even door de warme walm van de club. Bas stapte binnen, zijn jas nog nat van de motregen, zijn blik zoekend en onrustig. Toen zijn ogen op de rode jas van Dylan vielen, bleef hij even staan. Zijn verbazing sloeg om in pure verwarring toen hij de man tegenover haar zag zitten: Willy, met zijn gleufhoed op tafel en een air van onverstoorbare rust.
Bas liep met grote passen op hun tafeltje af. “Dylan? Wat is dit? Ik dacht dat je… En meneer Van Aalst? Wat doet ú hier?”
Willy keek langzaam op, een klein, superieur lachje om zijn mondhoeken. “Ik geloof dat ik je al eerder heb gezegd, Bas: wees voorbereid, je zult je ogen uitkijken. Ga zitten. Je valt midden in een technisch verhaal over improvisatie. En geloof me, dat is een stuk interessanter dan de opera’s waar ik normaal naar moet luisteren.”
Dylan keek van de verbouwereerde Bas naar de geamuseerde Willy. De hiërarchie van het dagelijks leven was hier, tussen de saxofoonklanken en het gedempte licht, volledig opgelost.
“Bas,” zei Dylan stevig, terwijl ze haar glas ophief. “Zet je verbazing opzij of ga weg. Vanavond is niet voor uitleg, vanavond is voor de muziek.”
Willy trok een wenkbrauw op toen hij de verwarring op het gezicht van Bas zag. Hij was niet van plan zijn zwaarbevochten avondvrijheid te laten verpesten door een ongenode gast met een wijzend vingertje. Met een soepele beweging wenkte hij de ober, een gebaar dat hij overduidelijk vaker had gemaakt in de decennia voordat de muren van het tehuis hem insloten.
“Rustig maar, Basje,” zei Willy met een stem die klonk als schuurpapier op fluweel. Hij schoof een stoel naar achteren met zijn voet. “Je kijkt alsof je een spook ziet, maar ik verzeker je: ik ben springlevend. Ga zitten, jongen. Je bent net op tijd voor het hoofdgerecht.”
Bas aarzelde, zijn verdediging wankelde onder de onverstoorbare rust van de oude man. “Maar meneer Van Aalst… Dylan… ik dacht dat jullie—”
“Denken moet je aan de universiteit overlaten,” onderbrak Willy hem minzaam. Hij keek de ober aan. “Drie glazen van de beste single malt die je hebt staan. En laat de fles maar in de buurt, we hebben wat in te halen.”
Toen de glazen voor hen stonden, schoof Willy er een naar Bas. De geur van turf en eikenhout steeg op uit het glas. “Drink op, Bas. Dit is geen thee van de zusters. Dit is vloeibare geschiedenis.”
Dylan keek geamuseerd toe hoe Willy de regie volledig in handen nam. Bas nam een voorzichtige slok, die al snel gevolgd werd door een tweede, diepere teug. De sterke whisky deed zijn werk sneller dan verwacht. Na het tweede glas begon de stijve houding van Bas te smelten als sneeuw voor de zon. Na het derde glas was de verontwaardiging volledig uit zijn ogen verdwenen, vervangen door een glazige, gelukzalige blik.
De saxofonist op het podium zette een langzame, slepende solo in. Bas leunde achterover, zijn hoofd ritmisch meebewegend met de baslijn. Hij was niet langer de stoorzender; hij was onderdeel van het meubilair geworden, verloren in een benevelde trance van muziek en alcohol.
Willy keek met een triomfantelijke grijns naar Dylan. Hij tikte met zijn glas tegen dat van haar.
“Zo,” fluisterde hij, terwijl hij een verse sigaar uit zijn binnenzak toverde. “Die is voorlopig op een andere planeet. Geen last meer van ‘Basje’ vanavond. Waar waren we? Oh ja, bij de vrijheid.”
Dylan lachte en leunde dicht naar hem toe. De rode jas gloeide in het gedimde licht. “U bent een gevaarlijk man, Willy.”
“Ik ben een man die weet hoe hij een hindernis moet omzeilen, Dylan. En nu… luister naar die piano. Dát is pas technisch vernuft.”
Willy keek met een voldane blik naar Basje, die met een glazige glimlach en een halfvol glas whisky diep in zijn stoel was weggezakt. De buitenwereld bestond voor hem niet meer; hij was volledig opgenomen in de rokerige harmonie van de club.
“Zo,” morde Willy zachtjes tegen Dylan, terwijl hij zijn glas neerzette. “De stoorzender is geneutraliseerd. Nu is het tijd voor het echte werk.”
Op het podium gaf de pianist een subtiel teken aan de bassist. Het tempo vertraagde, de felle uithalen van de saxofoon maakten plaats voor een lome, fluweelzachte melodie die als warme honing door de kelder vloeide. De ober begon geruisloos de tafeltjes in het midden een stukje opzij te schuiven, waardoor er een houten cirkel vrijkwam die glom in het schijnsel van de rode lampen.
Willy stond op en bood Dylan zijn hand aan met een hoffelijkheid die hij in de Knip zorgvuldig verborgen hield. “Zullen we? Het is lang geleden dat ik een dansvloer heb gevoeld die niet naar boenwas rook.”
Ze liepen de vloer op, waar al meer stellen zich verzamelden. De muziek was nu zo traag dat elke beweging een eeuwigheid leek te duren. Dylan voelde de vertrouwde stof van Willy’s colbert onder haar handen, terwijl hij haar stevig, maar respectvol vasthield.
Het bleef niet lang bij een keurige afstand. Bij de eerste diepe tonen van het nieuwe slow nummer leek de hele dansvloer naar elkaar toe te trekken. Het was alsof de drank en de muziek de laatste restjes reserve hadden weggespoeld. Overal om hen heen werden de bewegingen intiemer; lichamen schurkten zich tegen elkaar aan, hoofden rustten op schouders, en de grens tussen twee dansers vervaagde in de schaduw.
Willy trok Dylan net iets dichter naar zich toe, zijn bewegingen moeiteloos en instinctief. De rode jas van Dylan schuurde zachtjes tegen zijn donkere pak. Er werd niet meer gesproken; de muziek nam alle communicatie over.
“Kijk ze gaan,” fluisterde Willy in haar oor, terwijl hij met een knikje naar de andere stellen wees die bijna roerloos tegen elkaar aan geplakt stonden. “Dit is wat Josephina en haar gevolg nooit zullen begrijpen. Hier ben je geen dossier of een kamernummer. Hier ben je gewoon… de muziek.”
Dylan sloot haar ogen en liet zich meevoeren door het trage ritme, terwijl ze in haar ooghoek Basje zag, die met zijn hoofd op zijn borst zachtjes meewiegde, ver weg van de werkelijkheid.
De muziek vertraagde tot een bijna hartstlag-achtig ritme, een diepe, grommende baslijn die door de houten vloer rechtstreeks hun lichamen in trok. De rook bleef in dikke flarden boven de dansvloer hangen, terwijl de andere stellen om hen heen inmiddels tot één pulserende massa waren versmolten.
Dylan voelde de hitte van de whisky en de nabijheid van Willy als een lome deken over haar heen vallen. De wereld buiten de club — de regels van het tehuis, de bemoeizucht van Trees en Jannus, zelfs de aanwezigheid van de laveloze Bas — loste op in het niets.
Terwijl ze tegen Willy aan schuurde, voelde ze een plotselinge golf van roekeloze overgave. Haar ademhaling versnelde en ze sloot haar ogen zo strak dat er sterretjes verschenen. Ze raakte in een trance waarbij de muziek niet langer van buitenaf kwam, maar uit haar eigen poriën leek te lekken.
Zonder erbij na te denken, liet Dylan haar hoofd achterover vallen en gleed haar hand van Willy’s schouder naar zijn nek. Ze trok hem met een dwingende kracht naar zich toe, haar lichaam strak tegen het zijne geperst in een beweging die allesbehalve “keurig” was.
Willy, de man die altijd de controle hield en elke situatie met een kwinkslag de baas was, verstijfde voor een fractie van een seconde. Hij was voorbereid op een charmante dans, op een beetje vriendschappelijke rebellie tegen de gevestigde orde, maar niet op de rauwe, ongefilterde intensiteit die Dylan nu uitstraalde.
Zijn hart maakte een oversprong. De “oude snoeper” werd voor het eerst in jaren weer geconfronteerd met een vuur dat hij dacht allang geblust te hebben. De routineuze passen van de slow stokten; hij raakte even volledig van zijn stuk.
“Dylan…” bracht hij schor uit, zijn stem ergens tussen een waarschuwing en een verzuchting in. Ze hoorde hem niet eens. Ze was ergens anders, gevangen in de cadans van de bas en de hitte van de rode jas die nu veel te warm aanvoelde. Ze draaide haar gezicht naar hem toe, haar lippen slechts millimeters van de zijne verwijderd, terwijl ze hem met een bijna bezitterige greep vasthield.
Op dat moment was de rollenverdeling volledig omgedraaid: het was niet langer de ervaren Willy die het meisje de wereld liet zien, maar de jonge vrouw die de oude man herinnerde aan de gevaarlijke kracht van het nu.
Willy voelde de elektrische spanning die door Dylan heen ging en besefte dat de grens tussen een onschuldige ontsnapping en pure roekeloosheid gevaarlijk dun werd. Zijn eigen hart bonsde in zijn keel — een ritme dat hij al decennia niet meer had gevoeld. Met een mengeling van vaderlijke bezorgdheid en de kordate kracht van een man die weet wanneer een nummer moet eindigen, verbrak hij de omhelzing.
Hij hield haar stevig bij haar bovenarmen vast om haar in evenwicht te houden en loodste haar, dwars door de nog steeds schurende massa, terug naar de veiligheid van hun donkere hoekje. De overgang van de deinende dansvloer naar de houten stoel was abrupt.
Hij zette haar voorzichtig neer, maar Dylan leek nog steeds half in die andere wereld te vertoeven. Haar wangen waren dieprood gekleurd, passend bij de stof van haar jas, en haar ogen stonden dof van de trance en de hitte van de club.
“Willy,” fluisterde ze, haar stem schor en dwingend. Ze greep met trillende vingers naar de bovenste knoop van haar rode jas. “Willy, ik heb het ontzettend warm… laat me uit.”
Het was een verzoek dat in de rokerige halfschaduw van de jazzclub zwaar beladen klonk. Willy keek even opzij naar Basje, die met een lichte snurk en een druppel whisky aan zijn lip nog steeds in hogere sferen verkeerde, en boog zich toen over het tafeltje naar Dylan toe.
“Rustig maar, kind,” zei hij zacht, terwijl hij haar hielp met de bovenste knopen. “De muziek heeft je te pakken gekregen, en de whisky doet de rest. Je kookt over.”
Terwijl hij de zware stof van de rode jas over haar schouders hielp weg te glijden, merkte hij hoe de blikken van een paar omstanders naar hun tafeltje gleden. Dylan slaakte een zucht van verlichting toen de koelere lucht van de kelder haar bereikte, maar ze bleef hem aankijken met een blik die Willy tot in zijn ziel raakte.
Hij legde de jas over de rugleuning van haar stoel en nam weer plaats, terwijl hij probeerde zijn eigen trillende handen te verbergen door zijn glas stevig vast te pakken.
“Zo is het beter,” zei hij, hoewel zijn stem hem bijna verraadde. “Drink wat water, Dylan. We moeten nog een heel eind terug, en we hebben een slapende lastpost bij ons die we over de drempel moeten hijsen zonder dat de boel wakker wordt.”
Dylan leunde over de tafel, haar trance maakte plaats voor een ondeugende, bijna koortsachtige glimlach. “U bent bang, Willy. Bang dat u de controle verliest.”
Nu de rode jas als een herinnering over de leuning van de stoel hing, voelde Dylan zich bevrijd van de knellende hitte en de laatste restjes van haar gereserveerdheid. De koele lucht in de club was een welkom contrast met de gloeiende sensatie in haar lijf, maar de intimiteit aan het tafeltje nam alleen maar toe.
Willy zat kaarsrecht, maar zijn blik was zachter dan Dylan hem ooit had gezien. Het gedimde licht van de kaars tussen hen wierp diepe schaduwen op zijn gezicht, waardoor hij er minder uitzag als de man uit het tehuis en meer als de man die hij dertig jaar geleden was geweest.
Dylan leunde ver over het tafeltje, haar blote schouders glanzend in het rokerige licht. “U kijkt alsof u een geheim heeft ontdekt, Willy,” fluisterde ze. Haar stem was nu laag en kalm, de trance was veranderd in een scherpe, bijna tastbare verbondenheid.
Willy glimlachte, maar het was een glimlach vol weemoed. “Ik heb niets ontdekt, Dylan. Ik ben alleen herinnerd aan iets. Iets wat ik diep had weggestopt tussen de opera-opnames van mijn vrouw.” Hij reikte over de tafel en legde zijn hand heel even op de hare. Zijn huid voelde droog en warm, een anker in de deinende sfeer van de club. “Je bent gevaarlijk vanavond. Niet omdat je de regels overtreedt, maar omdat je de tijd laat stilstaan.”
Om hen heen ging het gedruis van de jazzclub door—het tikken van glazen, het lome gespin van de contrabas en het geschuifel op de dansvloer—maar bij hun tafeltje heerste een volmaakte stilte. Zelfs de zware ademhaling van Basje, die met zijn voorhoofd op de rand van de tafel lag te slapen, leek naar de achtergrond te verdwijnen.
“Willy,” zei Dylan zacht, terwijl ze zijn blik vasthield. “Wat als we niet teruggaan? Wat als we de deuren van thuis voorgoed achter ons dichttrekken?”
Willy keek haar lang aan, en voor een seconde zag ze de twijfel in zijn ogen, de verleiding van een laatste, grote vlucht. Hij kneep even kort in haar hand voordat hij hem terugtrok om zijn glas whisky leeg te drinken.
“Een prachtig akkoord, Dylan,” zei hij met een lichte heesheid in zijn stem. “Maar een goede jazzmuzikant weet dat elk nummer een slot heeft. Als we nu niet gaan, worden we geen legende, maar een schandaal. En ik heb Trees beloofd dat ik haar bonbons zou brengen.”
Hij knikte naar de slapende Bas. “Bovendien begint onze ‘vriend’ hier langzaam weer kleur op zijn wangen te krijgen. We moeten hem weg hebben voordat hij wakker wordt en beseft dat hij drie glazen single malt in zijn bloed heeft.”
Willy keek naar de laveloze Bas, wiens neus nu gevaarlijk dicht bij een plasje gemorste whisky op de tafel lag. Hij snoof een keer luidruchtig in zijn slaap, maar maakte geen aanstalten om terug te keren naar de realiteit.
Willy trok een wenkbrauw op en keek Dylan vragend aan. “We kunnen hem hier toch moeilijk als decorstuk achterlaten? Als hij morgenochtend wakker wordt tussen de lege flessen en de geur van verschraald bier, heeft hij heel wat uit te leggen aan zichzelf.”
Dylan schudde haar hoofd, terwijl een ondeugende glimlach haar gezicht verlichtte. Nu haar rode jas over de stoel hing en de hitte uit haar lichaam was weggeëbd, voelde ze zich onverzettelijk. “Hij is hier op eigen houtje naartoe gekomen, Willy. Niemand heeft hem gevraagd ons te schaduwen. Hij wilde de held uithangen? Dan mag hij nu de prijs betalen.”
Ze wierp een minachtende blik op de slapende gestalte. “Laat hem maar liggen. Hij is jong, zijn lever kan het hebben en de eigenaar van deze tent kent je vast goed genoeg om hem niet direct op de kade te zetten.”
Willy moest lachen, een kort en krachtig geluid dat uit zijn tenen kwam. “Je bent hardvochtig, Dylan. Maar je hebt gelijk. In de jazz en in de liefde moet je je eigen boontjes kunnen doppen.” Hij wenkte de ober en schoof hem een paar bankbiljetten toe, meer dan genoeg om de rekening te vereffenen én om te zorgen dat Basje niet met harde hand werd verwijderd.
“Houd een oogje in het zeil voor die jongeman daar,” instrueerde Willy de ober met een knipoog. “Hij heeft een technische ontmoeting gehad met de geschiedenis en hij heeft verloren.”
Zonder Basje aan hun zijde voelde de weg naar de uitgang lichter dan ooit. Willy hielp Dylan weer in haar rode jas, maar dit keer bleef de kraag openstaan. De trance van de dansvloer was veranderd in een kalme, gedeelde triomf.
Terwijl ze de koude nachtlucht instapten, liet Willy de zware deur van de club achter zich dichtvallen. Het geluid van de saxofoon stierf weg, maar het ritme zat nog in hun botten.
“En nu?” vroeg Dylan, terwijl ze haar arm door de zijne haakte. “Terug naar de huis en morgen weer naar Jannus?”
Willy keek naar de glinsterende kade en toen naar zijn horloge. “Jannus wacht wel. Maar de bonbons voor Trees… de winkel op de hoek van de kade heeft een nachtloket. We kunnen daar niet met lege handen aankomen.”
Maar een punt Dylan, morgen ben ik niet meer de Willy van vandaag. Morgen ben ik niet meer incognito, houd dat goed in de gaten. Morgen ben ik weer Menneer van Aalst”.
Geef een reactie op logbankje Reactie annuleren